Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/6.2
6.2 Het Europese toezichtkader
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015,
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS599909:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
In de richtlijn worden zij “inlichtingenbevoegdheden” en “interventiebevoegdheden” genoemd.
Zij moeten ten minste de verklaring inzake de beleggingsbeginselen, de jaarrekening en het jaarverslag ontvangen. Art. 13, sub c, Pensioenrichtlijn.
Art. 13 Pensioenrichtlijn.
Art. 14, lid 1, Pensioenrichtlijn.
Art. 13, sub b en sub d, slot, Pensioenrichtlijn.
Art. 14, Pensioenrichtlijn.
Zie par. 4.2.
Zie bijv. HvJEG 14 december 1995, C-16/95 (Commissie/Spanje), r.ov. 8 en HvJEG 3 juni 1992, C-287/91 (Commissie/Italië), r.ov. 7. Niet-handhaving van (op zich correct in nationaal recht omgezette) richtlijnen vormt een schending van het Unierecht, die door de Commissie op grond van art. 258 kan worden aangevochten. Dit geldt niet alleen voor systematische niet-handhaving (zie bijv. HvJEG 26 april 2007, C-135/ 05 (Commissie/Italië), r.ov. 21-22; HvJEG 9 december 1997, C-265/95, AB 1998, 95, m.nt. Van der Burg (Spaanse aardbeien), r.ov. 62 en 65), maar ook voor incidentele niet-handhaving (bijv. HvJEG 12 juni 2003, C-112/00, AB 2003, 377, m.nt. De Moor-van Vugt (Schmidberger), r.ov. 56-64).
Bijv. HvJEG 21 september 1989, C-68/88 (Commissie/Griekenland), r.ov. 23-24. Het proportionaliteitsbeginsel moet tegenwoordig worden ingelezen in art. 4, lid 3, VWEU. Het kwam duidelijker tot uitdrukking in diens voorlopers (art. 10 EG en art. 5 EEG), waar gesproken werd over “passende maatregelen”.
Zo ook Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2014, p. 446 met verdere verwijzingen.
In de Pensioenrichtlijn zijn informatie- en handhavingsbevoegdheden1 opgesomd waarover toezichthouders ten minste moeten beschikken.
Die informatiebevoegdheden moeten omvatten a) het recht om alle documenten te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het toezicht,2 b) de bevoegdheid om het pensioenfonds, zijn bestuurders en zijn interne toezichthouders te verplichten om inlichtingen te verstrekken over alle zakelijke aangelegenheden of alle bedrijfsdocumenten te overleggen en c) de bevoegdheid om onderzoeken ter plaatse van het pensioenfonds uit te voeren.3 Deze informatiebevoegdheden worden ondersteund door een verplichting voor pensioenfondsen om over een goede boekhouding en adequate interne controlemechanismen te beschikken.4 Met betrekking tot uitbesteding moeten de toezichthouders ook d) over de nodige bevoegdheden beschikken om toezicht te houden op de relatie met de dienstverlener.5 Welke bevoegdheden die laatste moeten zijn, is verder niet gespecificeerd. Uit de richtlijn zelf valt ook niet af te leiden dat de toezichthouder over bevoegdheden jegens de dienstverlener moet beschikken.
De toezichthouders moeten daarnaast over handhavingsbevoegdheden beschikken. Zij moeten jegens het pensioenfonds en zijn bestuurders, bestuursrechtelijke en “geldelijke” maatregelen kunnen nemen om onregelmatigheden te voorkomen of ongedaan te maken. Zij moeten de vrije beschikking over de activa van het pensioenfonds kunnen beperken of zelfs verbieden, met name in situaties van onderdekking. Voorts moeten zij de bevoegdheden van bestuurders van een pensioenfonds kunnen overdragen aan een “bijzondere vertegenwoordiger”. De toezichthouders moeten de activiteiten van het pensioenfonds kunnen verbieden of beperken.6
Het volstaat niet dat toezichthouders over de voorgeschreven informatie- en handhavingsbevoegdheden beschikken. Zij moeten ze ook daadwerkelijk gebruiken. Op grond van het effectiviteitsbeginsel zijn de lidstaten verplicht de volle werking van de richtlijn te verzekeren.7 De lidstaten (en hun toezichthouders) zijn daarom niet vrij om inbreuken op de richtlijn niet te sanctioneren of een soort gedoogbeleid te voeren.8 De toezichthouders moeten dus ook bij normschendingen daadwerkelijk handhavend optreden. Dat is eigenlijk ook logisch. Toezicht houden is méér dan toezicht houden in enge zin. Het is niet enkel toekijken en zien of het goed (mis)gaat; het is ook handhavend optreden wanneer nodig. Hoewel de verplichting tot handhavend optreden absoluut geformuleerd is, lijkt het mij dat het proportionaliteitsbeginsel9 uitzonderingen kan rechtvaardigen bij overtredingen van geringe ernst.10