De huur van ongebouwde onroerende zaken: een leemte in de wet
Einde inhoudsopgave
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/7.4:7.4 Wetsvoorstel
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/7.4
7.4 Wetsvoorstel
Documentgegevens:
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar, datum 26-04-2016
- Datum
26-04-2016
- Auteur
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar
- JCDI
JCDI:ADS376455:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Bijzondere onderwerpen
Huurrecht / Verplichtingen huurder en verhuurder
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het voorgaande leidt tot het volgende wetsvoorstel.
Artikel I
Titel 4 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 209 wordt als volgt gewijzigd:
Lid 2 komt te luiden: 2º Van de artikelen 204 lid 2, 206 leden 1 en 2, 207 en 208 kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken voor zover het gaat om gebreken die het gebruik van de zaak conform de daaraan in de overeenkomst gegeven bestemming onmogelijk maken.
B
Artikel 216 wordt als volgt gewijzigd:
Lid 4 komt te luiden: 4º In afwijking van het bepaalde in lid 3 van dit artikel heeft de huurder van een ongebouwde onroerende zaak zover deze door de huurder moet of met uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de verhuurder mag worden gebruikt voor het realiseren van een gebouwde onroerende zaak bij het einde van de huurovereenkomst recht op een vergoeding conform artikel 99 eerste lid van Boek 5. Van deze bepaling kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.
C
Artikel 226 wordt als volgt gewijzigd:
Lid 4 komt te luiden: 4º Bij huur van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, een ongebouwde onroerende zaak als bedoeld in de artikelen 233 leden 2 en 3, 230a lid 1 of 290 leden 2 en 3, alsmede van een woonwagen in de zin van artikel 235 en van een standplaats in de zin van artikel 236, kan niet van de voorgaande leden worden afgeweken.
D
Artikel 230a wordt als volgt gewijzigd:
Lid 1 komt te luiden: 1º Heeft de huur betrekking op:
een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan en is die zaak of dat gedeelte noch woonruimte, noch bedrijfsruimte in de zin van deze titel; of
een ongebouwde onroerende zaak waarop door de huurder een dergelijke gebouwde onroerende zaak moet of met uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de verhuurder mag worden gebouwd; of
een ongebouwde onroerende zaak die volgens de huurovereenkomst is bestemd voor gebruik in de uitoefening van een beroep of bedrijf van de huurder; of
een ongebouwde onroerende zaak die door de gebruiker van een onroerende zaak als bedoeld onder 1 of 2 van dit artikellid wordt gebruikt ten behoeve van de onder 1 of 2 bedoelde zaak;
dan kan de huurder na het einde van de huurovereenkomst de rechter verzoeken de termijn waarbinnen ontruiming moet plaatsvinden, te verlengen. Het verzoek moet worden ingediend binnen twee maanden na het tijdstip waartegen schriftelijk ontruiming is aangezegd.
De leden 8, 9 en 10 worden hernummerd in respectievelijk leden 9, 10 en 11.
Lid 8 komt te luiden: 8º Indien de huurovereenkomst zoals bedoeld in lid 1 onder 3° op het moment van ontruiming als gevolg van opzegging door de verhuurder nog geen tien jaar heeft geduurd, is de verhuurder verplicht de door de huurder in het gehuurde gepleegde investeringen aan de huurder te vergoeden, voor zover deze nog niet over deze periode van tien jaar – naar rato – zijn afgeschreven. Voor vergoeding komen in aanmerking investeringen die bij aanvang van de huur zijn gepleegd en die naar objectieve maatstaven het gehuurde (beter) geschikt maken voor de overeengekomen bestemming en die de huurder met instemming van de verhuurder heeft gedaan.
Lid 11 komt te luiden: De leden 1-10 zijn niet van toepassing, wanneer de overeenkomst tevens aan de omschrijving voldoet van een overeenkomst als bedoeld in artikel 50a, onderdelen c of f.
E
Artikel 231 wordt als volgt gewijzigd:
Lid 1 komt te luiden: 1º Ontbinding van een huurovereenkomst met betrekking tot een gebouwde onroerende zaak, een ongebouwde onroerende zaak als bedoeld in de artikelen 233 leden 2 en 3, 230a lid 1 of 290 leden 2 en 3, alsmede een woonwagen in de zin van artikel 235 en een standplaats in de zin van artikel 236 op de grond dat de huurder tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen, kan slechts geschieden door de rechter, behoudens in het geval van lid 2 en van artikel 210.
F
Artikel 233 wordt als volgt gewijzigd:
Lid 2 komt te luiden: 2º Onder woonruimte wordt tevens verstaan een ongebouwde onroerende zaak voor zover deze door de huurder moet of met uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de verhuurder mag worden gebruikt voor het realiseren van gebouwde woonruimte in de zin van lid 1 van dit artikel of voor plaatsing van een onroerende zaak die bestemd is als woonruimte voor niet-permanent gebruik.
Lid 3 komt te luiden: 3º Onder woonruimte wordt tot slot verstaan een ongebouwde onroerende zaak die wordt gebruikt ten behoeve van woonruimte in de zin van de leden 1 en 2 van dit artikel of ten behoeve van een roerende zaak die dient als woonruimte voor permanent verblijf.
G
Artikel 248 wordt als volgt gewijzigd:
Lid 3 komt te luiden: 3º In aanvulling op van het bepaalde in de voorgaande leden is het de verhuurder van een ongebouwde onroerende zaak in de zin van artikel 232 lid 2 toegestaan om de huurprijs, naast de verhogingen als bedoeld in de voorgaande leden, te verhogen met een extra percentage, mits de verhuurder voldoet aan de volgende voorwaarden:
De verhuurder verstrekt de huurder een overzicht van werkzaamheden die hij in de drie jaren volgend op het verstrekken van het overzicht uitvoert om het gehuurde, indien van toepassing inclusief de algemene voorzieningen van het park waarvan het gehuurde deel uitmaakt, onder opgave van een schatting van de aan die werkzaamheden verbonden kosten; en
De verhuurder verstrekt de huurder na afloop van de periode van drie jaar als bedoeld onder a een overzicht van de daadwerkelijk gemaakte kosten, inclusief onderliggende stukken.
Indien de verhuurder aan beide verplichtingen heeft voldaan, mag hij de jaarlijkse huurprijs verhogen met een percentage van 10% van de onder b. bedoelde kosten. De totale verhoging over een periode van drie jaar mag echter niet meer bedragen dan 10% van de huurprijs zoals die gold voor toepassing van dit artikellid.
H
Artikel 290 wordt als volgt gewijzigd:
Lid 2 komt te luiden: 2º Onder bedrijfsruimte wordt verstaan:
een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, die krachtens overeenkomst van huur en verhuur is bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, van een restaurant- of cafébedrijf, van een afhaal- of besteldienst of van een ambachtsbedrijf, een en ander indien in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is;
een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan die krachtens zulk een overeenkomst bestemd is voor de uitoefening van een hotelbedrijf;
een onroerende zaak die krachtens zulk een overeenkomst is bestemd voor de uitoefening van een kampeerbedrijf;
een ongebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, voor zover deze door de huurder moet of met uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de verhuurder mag worden gebruikt voor het realiseren van gebouwde bedrijfsruimte zoals bedoeld onder a tot en met c van dit artikellid.
Lid 3 komt te luiden: 3º Tot de in lid 2 bedoelde bedrijfsruimte worden ook gerekend de onroerende aanhorigheden, de bij het een en ander behorende grond, en de, mede gelet op de bestemming van die bedrijfsruimte, afhankelijke woning. Deze afdeling is voorts van toepassing op de huur van een ongebouwde onroerende zaak die door de gebruiker van een bedrijfsruimte als bedoeld in lid 2 van dit artikel wordt gebruikt ten behoeve van deze bedrijfsruimte.
I
Artikel 291 wordt als volgt gewijzigd:
Lid 2 komt te luiden: 2º Ieder van de partijen kan een zodanige goedkeuring verzoeken. De goedkeuring wordt alleen gegeven indien het beding de rechten die de huurder aan deze afdeling ontleent, niet wezenlijk aantast of diens maatschappelijke positie in vergelijking met die van de verhuurder zodanig is dat hij de bescherming van de onderhavige afdeling in redelijkheid niet behoeft. In geval van onderhuur van een bedrijfsruimte als bedoeld in deze afdeling wordt de goedkeuring gegeven voor zover de afwijkende bedingen ertoe strekken de termijnen in de onderhuurovereenkomst gelijk te laten lopen met de hoofdhuurovereenkomst, tenzij de maatschappelijke positie van de huurder in vergelijking met die van de verhuurder zodanig is dat deze goedkeuring dient te worden onthouden.
Artikel II
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.