Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/133:133 Analoge toepassing van de regeling voor beslag op een vordering tot levering van een registergoed
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/133
133 Analoge toepassing van de regeling voor beslag op een vordering tot levering van een registergoed
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 14-08-2025
- Datum
14-08-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD21613:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stein 1992, p. 233-235.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor beslag op een vordering tot levering van een goed bevat de wet een regeling die verhaal door de beslaglegger op het te leveren goed mogelijk maakt, ook indien het goed een registergoed is.1 In geval van een dergelijk - executoriaal - beslag moet de debiteur het te leveren goed ter beschikking van de deurwaarder stellen, waarna het goed volgens de voor dat goed geldende regels kan worden geëxecuteerd.2 De levering van het geëxecuteerde goed aan de executiekoper bevrijdt de schuldenaar van zijn verbintenis tot levering jegens zijn schuldeiser, de beslagdebiteur.3
H. Stein heeft analoge toepassing van de voor de afwikkeling van een beslag op een vordering tot levering van een registergoed geldende regeling op de afwikkeling van een pandrecht op een dergelijke vordering bepleit.4 Op zichzelf is daar geen bezwaar tegen.
Wel moet er rekening mee worden gehouden dat een pandhouder inningsbevoegd kan zijn voordat hij bevoegd is om verhaal op het geïnde te nemen. Bevoegd om verhaal op het geïnde te nemen is de pandhouder eerst als zijn vordering op de pandgever opeisbaar is.5 Zijn bevoegdheid om zichzelf door mededeling inningsbevoegd te maken, ontstaat van rechtswege reeds op het moment dat hij goede grond heeft om te vrezen dat de pandgever in de nakoming van zijn door het pandrecht verzekerde verplichtingen tekort zal schieten. De pandgever en de pandhouder kunnen zelfs overeenkomen dat de bevoegdheid van de pandhouder tot mededeling van het pandrecht reeds op een eerder tijdstip intreedt.
Zou de regeling voor het beslag op een vordering tot levering van een registergoed onverkort worden toegepast, dan zou zich de situatie kunnen voordoen dat het te leveren registergoed ter beschikking van de deurwaarder wordt gesteld, terwijl dit pas veel later en mogelijk nooit ten behoeve van de pandhouder te gelde kan worden gemaakt. Daartegen bestaan praktische en juridische bezwaren. Tal van vragen kunnen rijzen. Van wie kan worden gevergd dat hij het goed verzekerd houdt? Wie kan worden aangesproken tot betaling van de met het goed verband houdende lasten? Op wie drukken de met het registergoed samenhangende verplichtingen uit het burenrecht? Analoge toepassing van de voor de afwikkeling van een beslag op een vordering tot levering van een registergoed geldende regeling acht ik daarom uitsluitend wenselijk als de pandhouder niet alleen bevoegd is om de vordering tot levering te innen, maar tevens bevoegd is om op het geïnde verhaal te nemen.
Ondanks dat analoge toepassing in dat geval mogelijk kan worden geacht is het, omwille van de rechtszekerheid, wenselijk dat voor de afwikkeling van een pandrecht op een vordering tot levering van een registergoed een wettelijke regeling wordt getroffen. Een voorstel voor zo een regeling wordt gedaan in paragraaf 6.3.1.1.