Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.7.5.1.1
II.7.5.1.1 Het kopen van schuldvorderingen als dienst
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS495369:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook W. van der Corput, ‘Who Makes What Supply? – The Inverted World of MKG’, International VAT Monitor 2003, p. 465-470.
Een Droste-effect zou ontstaan als het door de verkoper afnemen van die dienst ook weer een dienst aan de koper is.
HvJ 8 februari 2007, zaak C-435/05, BNB 2007/308, r.o. 27 (Investrand; m.nt. B.G. van Zadelhoff). Opvallend is dat de zaak Investrand eigenlijk over een heel andere kwestie handelt.
HvJ 27 oktober 2011, zaak C-93/10, V-N 2011/55.17 (GFKL Financial Services).
Redactie Vakstudie-Nieuws, aantekening bij: HvJ 27 oktober 2011, zaak C-93/10, V-N 2011/55.17 (GFKL Financial Services).
Het Hof van Justitie heeft het kopen van vorderingen in het kader van non-recourse factoring als dienstverlening onder bezwarende titel in de zin van artikel 24, lid 1, Btw-richtlijn (artikel 4, lid 1, Wet OB 1968) aangemerkt.38 In zekere zin creëert het daarmee een omgekeerde wereld.1 Het is immers allerminst vanzelfsprekend (de bereidheid tot) het kopen van iets te beschouwen als een dienst aan de verkoper.2 Toch valt bij het tegendeel iets voor te stellen in de specifieke context van het overnemen van schuldvorderingen. Zo is hiervoor besproken dat financiering van de verkoper, uitbesteding van de inning en administratie van vorderingen en afdekking van het risico op wanbetaling motieven voor factoring kunnen zijn (zie par. 7.2). Deze motieven betreffen stuk voor stuk de verkoper van vorderingen, die in de praktijk ook als klant wordt gezien. Daarom kan worden betoogd dat het bij een bepaalde economische en commerciële realiteit aansluit factoring als dienst van de koper aan de verkoper van vorderingen te zien. In die stelling ligt besloten dat een factor economische waarde toevoegt oftewel produceert. De toevoeging van waarde beweegt zich bovendien in de richting van de verkoper van vorderingen.
Het Hof van Justitie omschrijft de dienst van een factor als het overnemen van de inning van vorderingen en het oninbaarheidsrisico daarvan. In het arrest in de zaak Investrand heeft het Hof van Justitie verduidelijkt dat het gaat om een inningsactiviteit voor rekening van een derde en tegen vergoeding.3 Opmerkelijk genoeg doet daar niet aan af dat de factor schuldvorderingen int die na de overname (privaatrechtelijk) van hem zijn. De vergoeding voor de dienst van de factor bestaat, onder meer, uit de overeengekomen factorsvergoeding.
Uit het arrest in de zaak MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring mag naar mijn mening niet worden afgeleid, dat elke overname van een schuldvordering dienstverlening onder bezwarende titel impliceert. In de zaak GFKL FinancialServices heeft het Hof van Justitie namelijk beslist dat het kopen van (afgewaardeerde) schuldvorderingen tegen een prijs die de economische waarde daarvan weerspiegelt, geen factoringdienst is.4 In de literatuur is opgemerkt dat het Hof van Justitie niet duidelijk maakt waarin het relevante verschil met factoring precies is gelegen.5 Bestudering van de overwegingen in beide zaken leert mij dat het onderscheid vooral ligt in het al dan niet overeenkomen van een vergoeding voor werkzaamheden van de koper.