De intrekking van beschikkingen, mede in Europees en rechtsvergelijkend perspectief
Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.6.1.3:IV.19.6.1.3 Intrekking van een rechtmatige beschikking o.g.v. § 49 VwVfG
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.6.1.3
IV.19.6.1.3 Intrekking van een rechtmatige beschikking o.g.v. § 49 VwVfG
Documentgegevens:
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS375302:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG Rn. 4a. Zie ook art. 4 lid 3 VEU.
Erichsen/Ehlers 2010, p. 738, Ehlers/Schröder 2010 (2), p. 828, Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG Rn. 4c en 61.
Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG Rn. 4c.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook § 49 VwVfG wordt in het kader van indirecte uitvoering van Unierecht toegepast. Het betreft dan situaties waarin de beschikking (op het moment van verlening daarvan) rechtmatig was, maar toch aanleiding bestaat deze in te trekken. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de situatie waarin wordt gehandeld in strijd met voorschriften welke gelden voor of verbonden zijn aan een beschikking, bijvoorbeeld een Europese subsidie (vgl. § 49 lid 3 aanhef en onder 2 VwVfG). Evenals bij de intrekking op grond van § 48 VwVfG geldt als uitgangspunt dat het nationale recht de uitvoering van het Unierecht niet uiterst moeilijk of praktisch onmogelijk mag maken.1
De belangrijkste modificatie is ook hier de intrekkingstermijn van § 48 lid 4 VwVfG. In zowel § 49 lid 2 tweede volzin VwVfG als in § 49 lid 3 tweede volzin VwVfG is de intrekkingstermijn van overeenkomstige toepassing verklaard voor het geval de beschikking wordt ingetrokken op basis van een van de in deze bepalingen genoemde gronden. Echter, om een effectieve doorwerking van het Unierecht niet in de weg te staan, geldt ook hier dat de termijn van § 48 lid 4 VwVfG door de beschikkinghouder niet kan worden ingeroepen.2 Voorts geldt dat de beleidsvrijheid die het bevoegde orgaan op grond van § 49 leden 2 en 3 VwVfG toekomt, in belangrijke mate wordt beperkt wanneer het Unierecht verplicht tot intrekking. Meer concreet geldt dat de vraag of het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan intrekking, uitsluitend aan de hand van het Unierecht wordt beoordeeld.3 Als het Unierecht verplicht tot intrekking, dan is geen ruimte meer voor een belangenafweging naar Duits recht.4