Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.11.3.4
III.11.3.4 Kwalificatie van het intrekkingsbesluit
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS374109:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 27. Vgl. Verheij en Lubberdink 1996, p. 69, Hazwindus 1992, p. 71 en Den Ouden, Jacobs en Verheij 2011, p. 179. Laatstgenoemde auteurs hanteren een wat ruimere definitie: kan het intrekkingsbesluit als sanctie worden omschreven als een ‘besluit tot intrekking van een begunstigende beschikking waarmee een bestuursorgaan reageert op een overtreding van de normen die zijn opgenomen in een wettelijk voorschrift of in de begunstigende beschikking zelf’. Deze definitie sluit mijns inziens aan bij de memorie van toelichting, zij het dat deze meer algemeen is geformuleerd.
Het niet of niet geheel verrichten van de gesubsidieerde activiteiten kan niet worden gekwalificeerd als een overtreding, nu de subsidieontvanger niet verplicht is deze activiteiten te verrichten. Hij dient de activiteiten slechts te verrichten om voor subsidie in aanmerking te komen. Het niet verrichten van de gesubsidieerde levert echter geen normschending op. Dit is anders bij overtreding van aan de subsidie verbonden verplichtingen. Immers, de subsidieontvanger is bij uitvoering van de activiteit wel gehouden conform deze verplichtingen te handelen. De verplichtingen zijn dus voor hem geldende normen.
In ABRvS 20 november 2002,AB 2003/173 m.nt. Verheij en ABRvS 20 november 2002, JB 2003/18 m.nt. Albers (Regionale Zeeuwsch-Vlaamse Woningbouwvereniging) was de Afdeling van oordeel dat wel sprake was van een bestraffende intrekking. Het betrof een zogenaamde verhuurdersboete op grond van de Huursubsidiewet. Deze was evident gericht op leedtoevoeging.
Zie hiervoor de jurisprudentie genoemd in paragraaf 6.3.3.1.
Een bekend voorbeeld is de uitspraak inzake de Haagse woningverbeteringssubsidies: ABRvS 8 februari 2000, AB 2001/118 m.nt. Damen, JB 2000/91 m.nt. Albers en RAwb 2000/106 m.nt. De Moor-van Vugt. Vgl. voorts ABRvS 27 maart 2002, ECLI:NL:RVS: 2002:AE0694, ABRvS 18 juli 2007,AB 2007/349 m.nt. Barkhuysen en Den Ouden en JB 2007/169 (Triplewood), ABRvS 17 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG7169 en ABRvS 26 januari 2011, JB 2011/49 m.nt. De Kam. Zie voor een soortgelijke formulering ABRvS 25 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1847, waarin de Afdeling het heeft over het niet voldoen aan de verplichting dat de subsidieontvanger de gegevens verstrekt die nodig zijn voor een juiste toepassing van de regeling.
In ABRvS 20 maart 2002, JB 2002/159 wordt het herstelkarakter van de intrekking afgeleid uit het feit dat met de intrekking een ‘met het recht strijdige situatie’ wordt hersteld. Met dergelijke algemene bewoordingen gaat de Afdeling mijns inziens voorbij aan het werkelijke karakter van de intrekking.
Vgl. ook ABRvS 23 maart 1998, Rechtspraak Bestuursrecht 1997-1998, De Annotaties, p. 119 m.nt. Bok (Renovatiesubsidie Diemen). Er werd een korting toegepast, omdat de subsidieontvanger niet had voldaan aan de verplichting het project (tijdig) gereed te melden. Dit, terwijl het project als zodanig wel was verricht. Met annotator Bok meen ik dat een bestraffend element niet kan worden ontkend. De Afdeling is kennelijk, gelet op de marginale redelijkheidstoets, een andere mening toegedaan.
Vgl. CBb 27 november 2001, AB 2002/31 m.nt. Van der Veen. De Afdeling lijkt in een soortgelijk geval aanmerkelijk minder streng. Vgl. ABRvS 9 maart 2005, ECLI:NL:RVS: 2005:AS9288.
Soms kan uit de wijze van toetsing van het CBb worden afgeleid dat het van oordeel is dat sprake is van een punitieve sanctie. Vgl. CBb 7 juni 2011, AB 2011/278 m.nt. Den Ouden en CBb 7 juli 2011, AB 2011/277 m.nt. Den Ouden onder nr. 278.
Kamerstukken II 1994/94, 23700, nr. A, p. 39.
Ook subsidiebesluiten kunnen bij wijze van sanctie, d.w.z. als reactie op een overtreding, worden ingetrokken. De Awb maakt, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Wabo, geen expliciet onderscheid tussen de beleidsmatige intrekking en de intrekking bij wijze van sanctie. Het feit dat de intrekking bij wijze van sanctie in de Awb niet expliciet wordt onderscheiden van de beleidsmatige intrekking, betekent niet dat intrekking van subsidiebesluiten als zijnde sanctie onder de subsidietitel is uitgesloten. Zoals weergegeven in het theoretisch kader is sprake van een bestuurlijke sanctie indien de intrekking een reactie vormt op een overtreding. Toegepast op de subsidietitel van de Awb betekent dit, dat wanneer sprake is van intrekking wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens (subsidiefraude), dan wel intrekking wegens het niet handelen conform aan de subsidie verbonden verplichtingen, er sprake is van intrekking bij wijze van sanctie.1,2
In het theoretisch kader is daarnaast onderscheid gemaakt tussen twee soorten bestuurlijke sancties, te weten herstelsancties en bestraffende sancties. Daar is uitgebreid aandacht besteed aan het karakter van de intrekking van subsidiebesluiten. Om herhaling te voorkomen, wordt op deze plaats volstaan met een korte analyse. Gelet op de jurisprudentie kan worden gesteld dat in het bijzonder de Afdeling bestuursrechtspraak niet snel geneigd is de intrekking van een subsidiebesluit als bestraffende sanctie aan te merken.3 Doorgaans wordt een dergelijke intrekking als herstelsanctie aangemerkt.4 Een en ander wordt gemotiveerd door te stellen dat niet voldaan wordt aan een voorwaarde om voor de betreffende subsidie in aanmerking te komen.5 Het doel van de intrekking lijkt dus te zijn de juiste toepassing van de betreffende subsidieregeling.6 Het niet voldoen aan deze voorwaarde leidt aldus tot (vaak algehele) intrekking van de subsidie. Dat is opvallend, nu het in dergelijke gevallen veelal gaat om het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens door de aanvrager, dan wel het niet melden van het niet voldoen aan subsidieverplichtingen. Dat lijken mij geen gevallen waarin kan worden gesproken van voorwaarden waaraan moet worden voldaan om voor de subsidie in aanmerking te komen.7 Bij dergelijke (inhoudelijke) voorwaarden denk ik in hoofdzaak aan het conform subsidieverlening (en de daaraan verbonden verplichtingen) uitvoeren van de gesubsidieerde activiteit. Het voorgaande neemt echter niet weg dat voornoemde informatieplichten wel van essentieel belang zijn voor een deugdelijke inhoudelijke beoordeling van de subsidiëring door het bestuursorgaan. Het lijken mij echter geen voorwaarden om voor een subsidie in aanmerking te komen. De motivering die de Afdeling geeft is mijns inziens dan ook onvoldoende om het herstelkarakter van de intrekking aan te tonen. Leedtoevoeging kan daarom mijns inziens niet zonder meer worden ontkend. Het CBb oordeelt genuanceerder, door een verband te zoeken tussen de overtreding en de (omvang van de) intrekking.8,9
Een mogelijke verklaring voor de jurisprudentielijn van de Afdeling bestuursrechtspraak kan worden gevonden in de subsidietitel zelf. Het is namelijk maar de vraag of de bepalingen die in titel 4.2 Awb zijn opgenomen, wel voldoende grondslag bieden voor een bestraffende intrekking. De Raad van State (in de rol van wetgevingsadviseur) meende dat dit niet het geval was. In zijn advies ten aanzien van art. 4:46 lid 2 Awb oordeelde de Raad immers:
‘Niet-toekenning van de subsidie bij wijze van leedtoevoeging boven hetgeen een aanpassing aan de feiten vergt nadert tot een administratieve boete. Leedtoevoeging is ook op het terrein van de subsidiëring een niet ondenkbare maatregel. Zij behoort echter op een uitdrukkelijke wettelijke grondslag te berusten. […] De Raad adviseert elke verwijzing naar een verder gaande aanpassing van het subsidiebedrag dan de nader gebleken feiten vergen uit de memorie van toelichting te verwijderen of, indien behoefte bestaat aan de bevoegdheid tot het opleggen van een administratieve sanctie wegens het verstrekken van onjuiste gegevens, die in het wetsvoorstel te scheppen.’10
De huidige bepalingen van de subsidietitel bieden dus naar het oordeel van de Raad onvoldoende grondslag voor intrekking van subsidiebesluiten bij wijze van bestraffende sanctie.