Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/3.6
3.6 Het begrip ‘aandeel’
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS386507:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 202; HR 2 december 1994, NJ 1995, 288 (Poot/ABP), r.o. 3.4.3, m.nt. Ma en Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 46 (NV II).
Voor dit alles: Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 46-47 (NV II).
Schwarz 1986, p. 71-74; Van der Grinten 1991, p. 122 en 125; Bos 2005, p. 100 en 102; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 190; Ten Berg 2007, p. 341 en Slagter 2004, p. 425.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 202. Ten Berg 2007, p. 340. Prinsen 2004, p. 56, stelt dat aandelen vermogensrechten van eigen aard zijn op het kapitaal van een vennootschap. Slagter 2005, p. 263, refereert (logischerwijs) aan de oude wettelijke definitie van aandelen: aandelen zijn de gedeelten waarin het maatschappelijk kapitaal is verdeeld (art. 2:190 oud BW). Van Schilfgaarde & Winter 2009, p. 120, zien het aandeel als een recht en spreken daarom over ‘het recht van aandeel’. Bier 2008 (1), p. 174, spreekt over een recht jegens de vennootschap dat de houder daarvan zeggenschapsrechten en economische rechten geeft. Zie ook Eisma 2002, p. 27-28. De Kluiver 1994, p. 176, omschrijft het aandeel vanuit rechtseconomisch perspectief als een ratio, ‘an undivided fractional interest shared with changing numbers of other holders in a changing aggregate of economic values’.
Daarover meer in paragraaf 4.7. Eisma 1991, p. 27, spreekt over een hachelijke zaak.
Eisma 1991, p. 36, welke opvatting bijval heeft gekregen van Ten Berg 2007, p. 341; Portengen 2007, p. 942; Portier 2008, p. 244 en Van den Nieuwenhuijzen 2008, p. 23. De Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie stelde in haar advies d.d. 20 september 2007 dat, gelet op de kwalificatievraag, er minimale eisen aan een aandeel zouden moeten worden gesteld, zie par. 2.3, p. 2 van het advies, te raadplegen via http://www.notaris.nl/subsites/commissie/adviezen.htm.
Een aandeel is een vermogensrecht in de zin van art. 3:6 BW. Dat vermogensrecht wordt door de aandeelhouder jegens de vennootschap uitgeoefend.1 Art. 2:190 BW geeft een negatieve definitie van een aandeel. Rechten die stemrecht noch aanspraak op uitkering van winst of reserves omvatten, worden niet als aandeel aangemerkt. Over die negatieve definitie en wat een aandeel is, zegt de wetgever het volgende: “De minimumvereisten voor een aandeel zijn dus dat er sprake is van een recht dat als aandeel is uitgegeven met inachtneming van de voor uitgifte voorgeschreven formaliteiten en waaraan ten minste stemrecht of aanspraak op uitkeringen uit winst of reserves is verbonden. Ook als er slechts een beperkt winstrecht bestaat en geen enkel stemrecht (…) is er dus sprake van een aandeel. Uit het voorgestelde artikel 190 vloeit immers voort dat ook de enkele aanspraak op reserves voldoende is voor de kwalificatie als aandeel. De formele vereisten voor uitgifte van een aandeel waarborgen het onderscheid met andere figuren waaraan winstrechten zijn verbonden, zoals (statutaire) participatie- of winstbewijzen. Als aan een aandeel slechts een beperkt winstrecht is verbonden en geen stemrecht, betekent dat niet dat het aandeel dan in vennootschapsrechtelijke zin een inhoudsloos recht is. Aan een aandeel zijn immers meer rechten verbonden dan alleen stemrecht of een recht op uitkeringen. Het betreft onder andere het recht om de algemene vergadering bij te wonen en daar het woord te voeren, het recht om een algemene vergadering bijeen te roepen of onderwerpen voor de agenda aan te dragen en het recht om onder bepaalde voorwaarden om een enquête te verzoeken of gebruik te maken van de geschillenregeling.” Even verderop overweegt de wetgever: “Uit de negatieve definitie moet niet worden afgeleid dat alle rechten die wél aanspraak geven op uitkering van winst of reserves, als aandeel worden aangemerkt.” Het gaat bij aandelen om ‘rechten die zijn ingebed in de vennootschapsrechtelijke verhouding tussen de vennootschap en de aandeelhouder’.2
In de literatuur wordt een ‘aandeel’ verschillend omschreven of gedefinieerd. Het aandeel als vermogensrecht in verhouding tot (het kapitaal van) de vennootschap staat daarbij centraal. De aandeelhouder staat in een rechtsbetrekking – een lidmaatschapsverhouding3 – tot de vennootschap. De gemene deler van de opvattingen in de literatuur is dat het aandeel een vermogensrecht van eigen aard is. Het aandeel is geen zakelijk recht, maar ook geen gewoon vorderingsrecht, want de schuld die uit hoofde van het aandeel voor de vennootschap jegens de aandeelhouder ontstaat, is van eigen specifieke aard.4 De eigen aard bestaat hierin dat aan aandelen zeggenschapsrechten en financiële rechten jegens de vennootschap zijn verbonden. Aan aandelen zijn echter ook verplichtingen verbonden. In de flex-BV is het niet meer per definitie zo dat aan aandelen zeggenschapsrechten en financiële rechten verbonden zijn. Er kunnen immers stemrechtloze en winstrechtloze aandelen zijn. Ik verwijs naar de eerder aangehaalde, negatieve, wettelijke definitie als kennelijke ‘ondergrens’ van een aandeel. Er ontstaat daarom een kwalificatieprobleem. Bij het stemrechtloze aandeel rijzen vragen van afbakening met het participatiebewijs.5De zoektocht naar de specifieke materiële kenmerken van een aandeel levert weinig resultaat op. In de literatuur is in verband met de invoering van de flex-BV daarom ook wel gesteld dat ‘een aandeel is een aandeel indien het als zodanig uitgegeven is’, hetgeen door de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis wordt bevestigd.6
Kortom, een ‘aandeel’ is een vermogensrecht, waaraan in beginsel zeggenschapsrechten en financiële rechten zijn verbonden en dat niet strak omlijnd of gedefinieerd is. In paragraaf 4.2.4 zal ik mijn definitie van het stemrechtloze aandeel formuleren.