Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.7.5.1.2
II.7.5.1.2 Arrest in de zaak MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS497795:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
R.o. 48-50. De rente blijft onbelicht. Zie ook par. 7.4.5.
HvJ 25 mei 1993, zaak C-18/91, FED 1995/527 (concl. A-G Gulmann; Bally; m.aant. D.B. Bijl).
Zie ook W. van der Corput, ‘Conversion of Supplies under EU VAT Law’, International VAT Monitor 2012, p. 8-12.
Vgl. W.J. Blokland, ‘De btw-gevolgen van betalen met toeslag’, WFR 2011/367, onderdeel 4.3.
Overigens kan niet in alle gevallen waarin een koper in verband met een koop vergoedingen bedingt van de verkoper van dienstverlening worden gesproken. Een voorbeeld vormt het arrest van de Hoge Raad over verzekeringspremies en productschapbijdragen die slachthuizen aan leveranciers berekenden bij de aankoop van vee. Deze bedragen strekken ‘gewoon’ in mindering op de koopprijs. Zie: HR 4 mei 2012, BNB 2012/183 (concl. A-G van Hilten; m.nt. D.B. Bijl).
Het Hof van Justitie acht het kopen van vorderingen, in de omstandigheden die zich voordeden in de zaak MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring, ‘ontegensprekelijk’ een dienst onder bezwarende titel. Aan de orde was een als factoring aangeduide overeenkomst op basis waarvan de ene partij, de factor, doorlopend handelsvorderingen koopt van een auto-importeur. Daarmee ontlast de factor zijn klant van het innen van vorderingen, alsmede van het oninbaarheidsrisico van vorderingen. De factor betaalt de nominale waarde van de vorderingen uit en brengt aan de andere kant een factoringcommissie, een delcrederecommissie en rente in rekening. Naar het oordeel van het Hof van Justitie vormen in elk geval de factoringcommissie en delcredereprovisie de vergoeding voor dienstverlening van de koper.1 De rente blijft onbelicht (zie ook par. 7.4.5). Steun voor deze uitleg ziet het Hof in het beginsel van neutraliteit, de Engelse en Zweedse taalversie van artikel 13, B, onderdeel d, punt 3, Zesde Richtlijn en het arrest in de zaak Bally, over creditcardtransacties.2
Met het beginsel van neutraliteit bedoelt het Hof van Justitie dat geen aanleiding bestaat voor een onderscheid tussen – wat het noemt – eigenlijke en oneigenlijke factoring. Factoring is mede in het licht van de Engelse en Zweedse taalversie van de Zesde Richtlijn te beschouwen als een variant van het algemene begrip invordering van schuldvorderingen. Als uitzondering op de vrijstelling moet factoring ruim uitgelegd worden (zie ook par. 7.4.3). Die ruime uitleg werkt schijnbaar door in het begrip dienst onder bezwarende titel. Uit het arrest in de zaak Bally volgt daarbij dat een uitgever van creditcards diensten onder bezwarende titel verleent aan winkeliers die betaling per creditcard accepteren. Omdat een factor net als een uitgever van creditcards vorderingen overneemt, moet volgens het Hof van Justitie ook een factor worden geacht diensten onder bezwarende titel te verlenen aan zijn klanten.
Naar mijn mening is deze onderbouwing van het Hof van Justitie ongelukkig en weinig overtuigend.3 Daar helpen stellige bewoordingen als ‘ontegensprekelijk’ niets aan. Zo is niet zonder meer begrijpelijk dat een ruime uitleg van een uitzondering op een vrijstelling ook een ruime uitleg van het begrip dienst onder bezwarende titel impliceert. De vergelijking met een creditcardemittent is voorts onzuiver. Anders dan bij factoring gaat bij een creditcardbetaling het initiatief voor de overname van de vordering uit van de kaarthouder (debiteur); de creditcardemittent betaalt namens de kaarthouder en krijgt door subrogatie een vordering op de kaarthouder. Een winkelier die betaling per creditcard accepteert, betaalt gedeeltelijk voor een betalingsdienst en voor het overige voor voordelen die de kaarthouder krijgt bij het betalen met creditcard, zoals krediet en verzekering. Dat doet hij vermoedelijk primair om zijn klanten ter wille te zijn en daarmee zijn eigen handel te bevorderen.4 Verlost willen zijn van de administratie, inning en oninbaarheidsrisico’s van de vordering hoeft helemaal geen motief te zijn.
Een beter argument om non-recourse factoring als dienstverlening onder bezwarende titel te beschouwen, is mijns inziens dat dit overeenkomt met de economische en commerciële realiteit. De economische en commerciële realiteit is weliswaar een vage norm, maar feit is dat het fenomeen factoring bestaat, dat factors als dienstverleners worden gezien en dat betrokken partijen vaak bedragen afspreken die de factor toekomen.5