Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/2.1:2.1 Inleiding
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/2.1
2.1 Inleiding
Documentgegevens:
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS573510:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De belastingkamer van de Hoge Raad heeft aan het oordeel dat een standpunt pleitbaar is tot nu toe automatisch de consequentie verbonden dat opzet en grove schuld ontbreken. Hierdoor is, zoals in het eerste hoofdstuk al opgemerkt, uit het zicht gebleven dat aan de beslissing op een pleitbaar standpunt verweer in de fiscale boetejurisprudentie eigenlijk niet één, maar twee beslissingen ten grondslag liggen: de beslissing op de vraag wanneer een standpunt pleitbaar is en de beslissing op de vraag wanneer een pleitbaar standpunt tot afwezigheid van opzet leidt.
In dit hoofdstuk behandel ik de vraag wanneer een onjuist standpunt een pleitbaar standpunt vormt.
Bij de bespreking van deze vraag zal ik mij voornamelijk (moeten) baseren op de fiscale boetejurisprudentie. De strafkamer van de Hoge Raad namelijk heeft in de tot nu toe door haar beoordeelde zaken geen rol voor het pleitbare standpunt weggelegd gezien en zich daarom ook niet uitgelaten over de invulling van het pleitbaar standpunt begrip. De strafrechter in feitelijke instantie heeft wel over de invulling van dit begrip geoordeeld, maar uit die jurisprudentie komt geen eenduidig beeld naar voren. De fiscale strafjurisprudentie komt in dit hoofdstuk daarom slechts hier en daar aan de orde. Deze jurisprudentie wordt in hoofdstuk 4 uitgebreider besproken.
Het voorgaande wil echter niet zeggen dat het pleitbaar standpunt begrip niet relevant kan zijn in het fiscale strafrecht. In hoofdstuk 5 zal uiteen worden gezet waarom het pleitbaar standpunt begrip ook in het fiscale strafrecht invloed zou moeten hebben op de mogelijkheden om te bestraffen. In hoofdstuk 6 wordt vervolgens, in het kader van een eenduidige behandeling van het pleitbaar standpunt verweer in het fiscale boete- en strafrecht, uitgewerkt wat die invloed zou moeten zijn en hoe die invloed juridisch kan worden vormgegeven. Daarbij ga ik ervan uit dat het pleitbaar standpunt begrip in het fiscale strafrecht op dezelfde wijze wordt ingevuld als in het fiscale boeterecht. Om die reden is hetgeen in dit hoofdstuk wordt besproken ook voor het fiscale strafrecht van belang. In aansluiting daarop wordt in dit hoofdstuk ook aandacht besteed aan de vragen die zich kunnen voordoen als de strafrechter moet beslissen of een standpunt pleitbaar is.
Dit hoofdstuk begint in paragraaf 2.2 met het onderscheid tussen de twee zojuist genoemde vragen: de vraag wanneer een onjuist standpunt een pleitbaar standpunt vormt en de vraag wanneer een pleitbaar standpunt tot het ontbreken van opzet leidt. In paragraaf 2.3 wordt bezien of de vaststelling of een standpunt pleitbaar is, plaatsvindt aan de hand van subjectieve of aan de hand van objectieve criteria.
In de paragrafen 2.4 tot en met 2.6 worden drie voorwaarden uitgewerkt waaraan moet zijn voldaan voordat kan worden gesproken van een pleitbaar standpunt. In de eerste plaats moet het standpunt, zoals de belastingkamer van de Hoge Raad in twee arresten in 2011 en 2012 heeft overwogen, zien op interpretatie of toepassing van het recht. Niet ieder rechtskundig standpunt houdt echter ook een pleitbaar standpunt in. In de tweede plaats moet het standpunt voldoende verdedigbaar zijn. Om te kunnen bepalen wanneer een standpunt voldoende verdedigbaar is, worden in paragraaf 2.5 verschillende situaties besproken waarin in de jurisprudentie een pleitbaar standpunt is aangenomen. Aan de hand van deze situaties worden vervolgens de omstandigheden benoemd waaronder een rechtskundig standpunt zodanig verdedigbaar is, dat van een pleitbaar standpunt kan worden gesproken.
In de derde plaats kan een rechtskundig en voldoende verdedigbaar standpunt uitsluitend een pleitbaar standpunt vormen, als dat standpunt binding heeft met de desbetreffende zaak. Deze voorwaarde wordt in paragraaf 2.6 besproken.
Paragraaf 2.7 vormt de afsluitende paragraaf van dit hoofdstuk. In deze afsluiting wordt een definitie van het pleitbare standpunt opgenomen waarin de drie in de voorafgaande paragrafen besproken voorwaarden zijn verwerkt.