Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.7.3.2:III.7.3.2 Procesautonomie
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.7.3.2
III.7.3.2 Procesautonomie
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS450819:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 21 december 2010, NJ 2011, 425, r.o. 4.3.
HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, r.o. 3.7.
Zie HR 30 september 1997, NJ 1998, 104, r.o. 6.3 en HR 19 september 2006, NJ 2007, 39, r.o. 6.5.2 en HR 8 juli 2008, NJ 2008, 455, r.o. 3.2 (met verwijzing naar de conclusie van A-G Bleichrodt, punt 14.11).
HR 8 juli 2008, NJ 2008, 455, r.o. 3.2 (met verwijzing naar de conclusie van A-G Bleichrodt, punt 14.11).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
‘Beslissend voor de vraag of het nemo-tenetur-beginsel is geschonden, is immers of het gebruik tot het bewijs van een al dan niet in een document vervatte verklaring van de verdachte in een strafzaak zijn recht om te zwijgen en daarmee zijn recht om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis zou ontdoen.’ (onderstreping DvT)1
Ongeoorloofde verkrijging van testimonial materiaal is onvoldoende voor een schending van het nemo-teneturbeginsel. Uit de hierboven weergegeven rechtsoverweging blijkt duidelijk dat volgens de Hoge Raad uiteindelijk bepalend is of het gebruik tot het bewijs van de verkregen verklaring het nemo-teneturbeginsel van zijn betekenis zou ontdoen. Met andere woorden, als het bewijs in strijd met het nemo-teneturbeginsel wordt verkregen maar vervolgens wordt uitgesloten van het bewijs wordt het beginsel niet geschonden.2
Ook in andere zaken stelt de Hoge Raad het gebruik van het bewijs voorop.3 Zo overweegt Bleichrodt in zijn conclusie (waarnaar de Hoge Raad verwijst) over de vervolging van een voormalig Afghaanse militair dat
‘[d]e vraag of het bovengenoemde – beperkte – gebruik van de (latere) IND-verklaringen in het opsporingsonderzoek een zodanige dwang heeft opgeleverd dat een inbreuk is gemaakt op genoemd beginsel is dus, zoals het Hof heeft onderkend, wel degelijk beslissend.’4
De verdediging klaagt over misbruik van de asielprocedure, waarin de verdachte moest spreken omdat hij anders niet in aanmerking zou komen voor de status van vluchteling. Deze verklaring werd (jaren later en zonder dat op dat moment een indicatie voor strafrechtelijke vervolging bestond) ‘doorgesluisd’ naar het strafdossier. Voor het bewijs van medeplegen van schending van de wetten en gebruiken van de oorlog zijn de bij de IND afgelegde verklaringen niet gebruikt. De opsporingsambtenaren hebben tijdens de verhoren van de verdachte in 2003 en 2004 de verdachte geconfronteerd met zijn verklaringen bij de IND in 1997. Dit beperkte gebruik van de afgedwongen verklaring is volgens de Hoge Raad beslissend om geen inbreuk op het nemo-teneturbeginsel aan te nemen.
Mijns inziens dient deze zaak en de overwegingen over het nemo-teneturbeginsel in de sleutel van de procesautonomie te worden gezien. Het gebruik van het niet in vrijheid verkregen testimonial bewijs zorgt ervoor dat de verdachte later in de procedure niet in vrijheid zijn procespositie kan bepalen. De verplichting om een – vaak bekennende – verklaring af te moeten leggen (of ten minste belastend bewijs te moeten overdragen), beperkt de mogelijkheden van de verdediging om tijdens de strafzaak een andere positie (bijvoorbeeld zwijgend of ontkennend) in te nemen. Hierdoor zou het nemo-teneturbeginsel van zijn betekenis worden ontdaan. Dit was in de zaak van Modir Habibullah niet het geval. Hij had in eerste instantie bij de IND geen verklaring afgelegd over zijn rol als hoofd van de Afghaanse inlichtingendienst. Pas later kwam zijn verleden aan het licht en in 2004 antwoordde de verdachte op vragen omtrent zijn verleden dat hij, toen hij bij de inlichtingendienst KAM werkte, op de hoogte was van het feit dat de KAM gevangenen martelde. Met andere woorden, de in 2004 afgelegde verklaring was in vrijheid afgelegd en voor het bewijs werden verschillende verklaringen van getuigen en slachtoffers gebruikt. De bij de IND afgelegde verklaring speelde enkel een rol in het opsporingsonderzoek en op dermate beperkte wijze dat de verdachte in de strafprocedure voldoende vrijheid had om afhankelijk en zelfstandig zijn proceshouding te bepalen.