Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/7.5.5
7.5.5 Verhouding tussen aandeelhouders onderling
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS386526:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 3 november 2000, JOR 2001, 3; Hof Amsterdam (OK) 30 november 2000, JOR 2001, 4, m.nt. Van den Ingh (Zwagerman); Hof Amsterdam (OK) 22 december 2000, JOR 2001, 32; Hof Amsterdam (OK) 18 januari 2001, JOR 2001, 34, m.nt. Brink (VIBA); Hof Amsterdam (OK) 23 januari 2001,JOR 2001, 56; Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2001,JOR 2001, 149, m.nt. Brink (HBG) en HR 1 maart 2002, NJ 2002, 96, m.nt. Ma, JOR 2002, 79, m.nt. Van den Ingh (Zwagerman Beheer). De omgekeerde situatie kan zich ook voor doen, zie Pres. Rb. Amsterdam 20 december 2001, JOR 2002, 26 (Gorillapark), bekrachtigd door Hof Amsterdam (OK) 25 april 2002, JOR 2002, 128: de minderheidsaandeelhouder wordt bevolen zich te gedragen conform een niet door die minderheidsaandeelhouder aanvaarde wijziging in de aandeelhoudersovereenkomst. De minderheidsaandeelhouder handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid door een voor haar gunstiger regeling af te dwingen. Zie voor literatuur bijvoorbeeld Van den Ingh 2000, p. 203 e.v. en Huizink 2000, p. 280.
HR 15 juli 1968, NJ 1969, 101, m.nt. G.J. Scholten (Wijsmuller).
Zie over dit thema ook Schwarz 1995 (2), p. 201 e.v.
Van den Ingh 2000, p. 208 en Rb. Roermond 17 mei 1973, NJ 1974, 57.
Hof Amsterdam (OK) 20 mei 1999, NJ 2000, 199, JOR 2000, 72, m.nt. Blanco Fernández (Cromwilld/Versatel), r.o. 3.6.
HR 13 februari 1942, NJ 1942, 360
HR 30 oktober 1964, NJ 1965, 107, m.nt. G.J. Scholten (Mante).
Pres. Rb. Haarlem 8 mei 1990, KG 1990, 247, r.o. 3.2.
Hof Amsterdam (OK) 25 februari 2000, JOR 2000, 75, m.nt. Josephus Jitta (Robot Medical/MCEG).
r.o. 3.6.
HR 1 maart 2002,LJN AD9857, NJ 2002, 296, m.nt. Ma, JOR 2002, 79, m.nt. Van den Ingh (Zwagerman Beheer), r.o. 3.4. (vervolg op Hof Amsterdam (OK) 30 november 2000, JOR 2001, 4, m.nt. Van den Ingh). Zie ook Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 667. In lijn daarmee ligt: HR 29 september 2006,NJ 2006, 639, m.nt. Ma, JOR 2007, 62 (The Mill Resort) en Hof Amsterdam (OK) 6 juni 2011, LJN BQ9757, JOR 2011, 282, m.nt. Blanco Fernández (Jeezet/ Synpact), r.o. 3.24.
Hof Amsterdam (OK) 20 mei 1999, NJ 2000, 199, JOR 2000, 72, m.nt. Blanco Fernández (Cromwilld/Verstatel).
In gelijke zin: Hendriks & Koelemeijer 2009, p. 185.
HR 29 september 2006, LJN AY5697, NJ 2006, 639, m.nt. Ma, JOR 2007, 62 (The Mill Resort).
r.o. 3.4 en 3.5.
Rb. Amsterdam 6 februari 2002, JOR 2002, 61 (Vendex KBB).
In het verlengde van de reeds besproken thema’s ligt de verhouding tussen aandeelhouders onderling, meer in het bijzonder de relatie meerderheids- en minderheidsaandeelhouder. Enerzijds brengt de positie van de minderheidsaandeelhouder met zich mee dat hij hem onwelgevallige besluiten tegen zich moet laten gelden. Anderzijds mag de meerderheidsaandeelhouder zijn macht niet misbruiken. Strijdigheid met de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid, die de lidmaatschapsverhoudingen tussen aandeelhouders beheersen, ligt in dat geval op de loer. De meerderheidsaandeelhouder moet bij het uitbrengen van zijn stem ook rekening houden met de redelijke belangen van de minderheidsaandeelhouder.1 Het voorgaande gaat ook op voor de verhouding tussen aandeelhouders met en zonder stemrecht.
Uit het Wijsmuller-arrest2 volgt, kort gezegd, dat de besluitvorming door een meerhoofdig orgaan op basis van vruchtbaar onderling overleg moet geschieden. De aandeelhouders met en zonder stemrecht hebben jegens elkaar de verplichting tot onderling overleg.3 Voor dat doel beschikken zij immers over vergaderrecht.
Van den Ingh stelt dat naarmate de participatie van de aandeelhouder in de vennootschap groter is, die aandeelhouder eerder oog moet hebben voor de belangen van anderen. Aan die gekwalificeerde aandeelhouder worden hoge eisen gesteld. Hij zal overleg met zijn mede-aandeelhouders en de vennootschap moeten voeren. Daarnaast stelt Van den Ingh dat van de tegenstemmende, gekwalificeerde aandeelhouder mag worden verwacht dat hij met een tegenvoorstel komt.4
De aard van de samenwerking en het karakter van de vennootschap kan ook een factor van belang zijn. Zo overwoog de OK in de Cromwilld/Versatel- beschikking:5 “(…) dat juist het joint venture karakter van de samenwerking tussen deoorspronkelijke partijen meebrengt dat ook op Cromwilld de verplichting rust naarbest vermogen het totstandbrengen van een gemeenschappelijk gedragen beleid tebevorderen, ook al wijken haar inzichten – al of niet op onderdelen – af van deandere partijen bij de joint venture, en staat het haar niet, althans niet zonder meerof steeds vrij in de eerste plaats haar eigen belangen voorop te stellen.”
In de rechtspraak zijn vele voorbeelden te vinden over de verhouding meerderheids- en minderheidsaandeelhouder en machtstrijd. Ik noem er enkele. In 1942 overwoog de Hoge Raad al: “Behoudens hier niet ter zake doende beperkingenhebben aandeelhouders het recht vrijelijk te beslissen, wien zij als directeurwenschen te benoemen. Mocht door de meerderheid van aandeelhouders eenpersoon zijn benoemd, die ten eenenmale de geschiktheid mist om als directeurop te treden, dan kan eerst dan van misbruik van meerderheidsmacht, welke aan deminderheid het recht zou geven vanwege strijd met de goede trouw of met deopenbare orde en goede zeden de nietigheid van het besluit in te roepen sprake zijn,indien deze benoeming zoude zijn geschied met den opzet, hetzij om zichzelf of eenderde onbillijk te bevoordeelen, hetzij om de vennootschap of een derde teschaden.”6
Ook het eerder genoemde Mante-arrest7 kan in de verhouding meerderheidsen minderheidsaandeelhouder worden geplaatst. Het ging in dat arrest om de nietigheid van een besluit van de algemene vergadering tot statutenwijziging wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. De Hoge Raad overwoog dat ook indien voldaan is aan alle formele vereisten, bij wet of statuten voor de wijze van oproeping van een aandeelhoudersvergadering gesteld, de eisen van redelijkheid en billijkheid die aandeelhouders jegens elkander in acht hebben te nemen onder omstandigheden kunnen medebrengen dat een aandeelhoudersvergadering niet overgaat tot het nemen van een besluit aangaande een onderwerp waarbij de belangen van bepaalde aandeelhouders in bijzondere mate zijn betrokken alvorens te hebben nagegaan of die aandeelhouders genoegzaam in de gelegenheid zijn gesteld aan de besluitvorming over dit hen in het bijzonder rakende onderwerp deel te nemen. Met andere woorden: de meerderheidsaandeelhouder kon bij afwezigheid van de minderheidsaandeelhouder niet zonder meer beslissen, te meer omdat het besluit tot statutenwijzing ook (de gerechtvaardigde belangen van) die minderheidsaandeelhouder raakte.
In lagere rechtspraak werd het voorstel van het bestuur van de vennootschap aan de algemene vergadering om het voorkeursrecht van een minderheidsaandeelhouder bij de aandelenemissie uit te sluiten gezien als een middel om de door de minderheidsaandeelhouder ingestelde geschillenregeling te frustreren. Zowel het voorstel als het besluit tot een dergelijke emissie onder uitsluiting van het voorkeursrecht van de minderheidsaandeelhouder werd in strijd met de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid geacht.8
In de Robot Medical/MCEG-beschikking9 plaatst de OK het misbruik van meerderheidsmacht in het kader van de beginselen van behoorlijk ondernemerschap. Het gaat in deze beschikking over een impasse in het bestuur tussen vader en zoon, die tevens middellijk ieder vijftig procent van de aandelen houden in een privékliniek voor esthetische geneeskunde. Als gevolg van die impasse is onrust ontstaan onder meer onder de aan de kliniek verbonden artsen. Een fraaie overweging uit die beschikking is: “(…) Het gebruik maken van meerderheidsmacht om een einde temaken aan conflicten in (de onderneming van) de vennootschap door degene dieover deze meerderheidsmacht beschikt in dier voege dat hij door dat gebruik makeneen situatie in het leven zal kunnen en willen roepen die – slechts – overeenstemtmet zijn eigen opvattingen omtrent hetgeen in (de onderneming van) de vennootschapdient te geschieden, geven immers op zichzelf en zonder méér noch blijk vanhet vermogen in het licht van beginselen van behoorlijk ondernemerschap meerderheidsmachtaan te wenden op een wijze die alle in aanmerking te nemenbelangen in de beschouwing betrekt noch van inzicht aangaande de wijze waaropconflicten zoals die zich in het onderhavige geval voordoen redelijkerwijze kunnen worden opgelost. Dat geldt althans zeker waar het betreft een onderneming van eenaard en met een organisatie als de onderhavige. Aldus versterken bedoeld gebruikwillen maken van meerderheidsmacht en daarmee de hier besproken stellingnamevan Senior het oordeel dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid van devennootschap te twijfelen.”10
Ook in het eerder besproken Zwagerman Beheer-arrest11 stonden meerderheidsen minderheidsaandeelhouders centraal. De Hoge Raag overweegt dat de uitwerking van de zorgvuldigheidplicht van art. 2:8 BW mede afhankelijk zal zijn van de omstandigheden van het geval, waarbij “in aanmerking mag worden genomen dathet gaat om minderheidsaandeelhouders tegenover meerderheidsaandeelhoudersen om familierechtelijke verhoudingen tussen de bij de vennootschap betrokkenpersonen. Onder deze omstandigheden (…) kan eerder dan in andere gevallensprake zijn van de mogelijkheid van een vermenging van de belangen van devennootschap en van sommige van deze personen, zodat er reden is daarop attent tezijn en met de nodige zorgvuldigheid te voorkomen dat ontoelaatbare verstrengelingvan belangen ontstaat.” De besloten verhoudingen, tot uitdrukking komend in de familieverhoudingen, waren in dit arrest een extra omstandigheid. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor joint venture verhoudingen.12 Zowel bij familieverhoudingen als bij een joint venture gaat het om loyaliteit en vertrouwen.13
Het The Mill Resort-arrest14 ligt in het verlengde van het Zwagerman Beheerarrest. Hoewel het in dat arrest over stemrecht in een vereniging van appartementseigenaren gaat, vindt de relevante overweging van de Hoge Raad ook in het BVrecht toepassing. De Hoge Raad overweegt15 dat – mede gelet op het feit dat degene die de meerderheid van de stemmen heeft, gelieerd is aan de contractpartij – het oordeel van het hof dat het besluit van de vereniging tot het sluiten van een managementovereenkomst met een hogere managementfee dan in de markt gebruikelijk geen strijd oplevert met de jegens de overige appartementseigenaren in acht te nemen eisen van redelijkheid en billijkheid, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Het besluit om een geldleningsovereenkomst aan te gaan met een partij die is gelieerd aan degene die de meerderheid van de stemmen heeft, kan in strijd zijn met de eisen van de redelijkheid en billijkheid dan wel tot stand zijn gekomen door misbruik van meerderheidsmacht, indien komt vast te staan dat de overeengekomen rente hoger is dan de gebruikelijke marktrente.
Tot slot noem ik het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2002 over de juridische fusie van Vendex KBB.16 Samengevat komt het oordeel van de rechtbank erop neer dat in de gegeven omstandigheden meerderheidsaandeelhouder Vendex, tevens degene die feitelijk de zeggenschap over KBB als verdwijnende vennootschap had, met de belangen van de minderheidsaandeelhouder Leyinvest bij de voorgenomen fusie rekening diende te houden op dezelfde wijze als een onafhankelijk bestuur van een fuserende vennootschap de belangen van haar aandeelhouders dient te behartigen. Vendex mocht zich niet laten leiden door haar belang als meerderheidsaandeelhouder van KBB bij de ruilverhouding, maar als fusiepartner. De rechtbank vernietigde het fusiebesluit, onder meer omdat geen ‘redelijk oordelend aandeelhouder’ tot het onderhavige fusiebesluit had kunnen komen.