HR, 03-03-1993, nr. 28 842
ECLI:NL:HR:1993:ZC5276
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-03-1993
- Zaaknummer
28 842
- LJN
ZC5276
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1993:ZC5276, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑03‑1993; (Cassatie)
- Vindplaatsen
FED 1993/312 met annotatie van J. RENSEMA
WFR 1993/486
V-N 1993/1026, 11 met annotatie van Redactie
Uitspraak 03‑03‑1993
Inhoudsindicatie
-
Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
nr. 28.842
3 maart 1993
SK
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van [A], laatstelijk gewoond hebbende te [Q], tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 februari 1992 betreffende na te melden aan erflater over het jaar 1984 opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting.
1. Aanslag, navorderingsaanslag en geding voor het Hof
Aan erflater is aanvankelijk voor het jaar 1984 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 57.346, --.
Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 103.366, -- , zonder toepassing van verhoging.
De erfgenamen zijn van de navorderingsaanslag in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de navorderingsaanslag gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De erfgenamen hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Erflater genoot een ouderdomspensioen van de B.V. [B] te [R] (hierna: de B.V. ). Op grond van dat ouderdomspensioen zijn aan erflater in het jaar 1984 over de maanden januari tot en met april maandelijkse uitkeringen gedaan ten bedrage van f 7.670, --. Vanaf mei 1984 zijn geen uitkeringen meer gedaan. Erflater is in november 1984 overleden. Bij brief van 15 november 1984 heeft de executeur-testamentair aan de gedelegeerd commissaris van de B.V. het volgende geschreven:
"Naar aanleiding van het feit, dat [A] vanwege de moeilijke omstandigheden, waarin de [B] "[R]" B.V. verkeerde, afzag van de aan hun uit te keren ouderdomspensioenbedragen, zulks onder de ontbindende voorwaarde, dat deze gelden besteed zouden worden aan een door hun geschikt bevonden sociaal doel, kunnen wij als zijn executeurs-testamentair u mededelen, dat wij er zeker van zijn in de geest van de overledene te handelen door deze gelden te storten in een fonds, dat moet dienen om aan diegene, die in 1984 ontslag aangezegd kregen, tegemoetkomingen te verschaffen, als aanvulling op hun normale uitkeringen om zodoende hun geldelijke nood tenminste enigszins te verlichten. Wij verklaren u bij deze, dat dit een goed sociaal doel is, zodat daarmede de ontbindende voorwaarde vervalt en u uitkeringen ten laste van dit jaar kunt verrichten".
3.2. Het Hof heeft op grond van voormelde brief geoordeeld dat erflater afstand heeft gedaan van zijn pensioenaanspraken onder opschortende voorwaarde dat de vrijgekomen gelden zouden worden besteed voor een door hem geschikt te bevinden sociaal doel. Dit oordeel, waarmee het Hof tot uitdrukking heeft gebracht dat erflater vóór de vervaldatum van het pensioen over de maand mei 1984 zich bereid heeft verklaard met ingang van 1 mei 1984 afstand te doen van zijn aanspraken op ouderdomspensioen als aan voormelde voorwaarden was voldaan, leidt ertoe, zulks in samenhang met de door het Hof aangenomen inbaarheid van de pensioentermijnen over de maanden mei tot en met oktober 1984 en 's Hofs vaststelling dat pas na erflaters overlijden aan de voorwaarde is voldaan, dat die termijnen nog bij de erflater belastbaar zijn en vervolgens bij de erfgenamen als negatieve inkomsten aftrekbaar zijn. Voormeld oordeel van het Hof kan, als berustend op de aan het Hof voorbehouden uitlegging van de brief van 15 november 1984 en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Onderdeel 2 van het middel faalt derhalve.
3.3. Uit de uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet dat de Inspecteur met betrekking tot de inhoud van voormelde brief voor het Hof een zodanig standpunt heeft ingenomen dat het Hof door de brief uit te leggen zoals het heeft gedaan, buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Onderdeel 1 van het middel faalt mitsdien wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Herrmann en Fleers in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, in raadkamer van 3 maart 1993.