Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.9.10
4.9.10 Energieproducten en elektriciteit
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS302898:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Als bedoeld in art. 2 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 4 Richtlijn energiebelastingen.
Voor de Nederlandse situatie betekent dit dat het verbruik boven 10 miljoen kWh in beginsel wat betreft het zakelijk verbruik belast zal moeten worden tegen het verplichte minimumtarief van € 0.0005 per kWh en wat betreft het niet-zakelijk verbruik tegen het verplichte minimumtarief van € 0.0010 per kWh. Hierin is voorzien door het plafond in de EB te laten vervallen en de introductie van een vierde schijf, voor het verbruik boven 10 miljoen kWh, gekoppeld aan de Europese minimumtarieven.
Overweging 14 considerans Richtlijn energiebelastingen.
Overweging 18 considerans Richtlijn energiebelastingen.
Art. 8 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 9 lid 1 Richtlijn energiebelastingen.
Sedert de inwerkingtreding van de Richtlijn energiebelastingen zijn uit hoofde van art. 19 van deze richtlijn drie derogaties toegekend aan Frankrijk, Zweden en het VK.
Art. 18 lid 1, art. 18bis lid 1 en art. 18ter lid 1 Richtlijn energiebelastingen. COM(2006)342 def., Mededeling van de Commissie aan de Raad, Evaluatie van de derogaties in bijlage II en III bij Richtlijn 2003/96/EG van de Raad die eind 2006 zijn vervallen, Brussel: 30 juni 2006.
Art. 22 Richtlijn energiebelastingen.
Meer precies: art. 8 lid 4 Structuurrichtlijn minerale oliën.
Beschikking 2001/224/EEG van de Raad van 12 maart 2001 houdende verlagingen en vrijstellingen van de accijns van bepaalde minerale oliën die gebruikt worden voor specifieke doeleinden, (PbEg 2001, L 84/23).
Art. 8 lid 4 Structuurrichtlijn minerale oliën. Thans: art. 19 Richtlijn energiebelastingen.
Richtlijn 2004/74/EG van de Raad van 29 april 2004 tot wijziging van Richtlijn 2003/96/EG teneinde bepaalde lidstaten toe te staan om tijdelijke vrijstellingen of verlagingen van de belastingniveaus toe te passen voor energieproducten en elektriciteit. Daarnaast werd direct in het Toetredingsverdrag aan twee nieuwe lidstaten een overgangsperiode van één jaar toegestaan.
Bijlage VI en Bijlage VII van het Protocol bij de Toetredingsakte van Bulgarije en Roemenië, (PbEg 2005, L 157).
Zie: art. 18, art. 18bis en art. 18ter Richtlijn energiebelastingen, Bijlage II en Bijlage III bij de Richtlijn energiebelastingen, Bijlage VI en Bijlage VII van het Protocol bij de Toetredingsakte van Bulgarije en Roemenië, P(PbEg 2005, L 157).
Zie: art. 18, art. 18bis en art. 18ter Richtlijn energiebelastingen, Bijlage II en Bijlage III bij de Richtlijn energiebelastingen, Bijlage VI en Bijlage VII van het Protocol bij de Toetredingsakte van Bulgarije en Roemenië, (PbEg 2005, L 157).
Art. 18 lid 3 Richtlijn energiebelastingen.
Zie: art. 18bis Richtlijn energiebelastingen.
Zie: art. 18 en art. 18bis Richtlijn energiebelastingen.
Art. 9 lid 2 Richtlijn energiebelastingen.
Zie: art. 18, art. 18bis en art. 18ter Richtlijn energiebelastingen, Bijlage II en Bijlage III bij de Richtlijn energiebelastingen, Bijlage VI en Bijlage VII van het Protocol bij de Toetredingsakte van Bulgarije en Roemenië, (PbEg 2005, L 157).
Zie: art. 18, art. 18bis en art. 18ter Richtlijn energiebelastingen, Bijlage II en Bijlage III bij de Richtlijn energiebelastingen, Bijlage VI en Bijlage VII van het Protocol bij de Toetredingsakte van Bulgarije en Roemenië, (PbEg 2005, L 157).
Zie: art. 18, art. 18bis en art. 18ter Richtlijn energiebelastingen, Bijlage II bij de Richtlijn energiebelastingen, Bijlage VI en Bijlage VII van het Protocol bij de Toetredingsakte van Bulgarije en Roemenië, (PbEg 2005, L 157).
Art. 5 derde streepje Richtlijn energiebelastingen.
België, Bulgarije, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië en het VK.
Zie: art. 18, art. 18bis en art. 18ter Richtlijn energiebelastingen, Bijlage II bij de Richtlijn energiebelastingen, Bijlage VI en Bijlage VII van het Protocol bij de Toetredingsakte van Bulgarije en Roemenië, (PbEg 2005, L 157).
Art. 15 lid 1 onderdeel g Richtlijn energiebelastingen.
Bulgarije, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Polen, Roemenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië en het VK.
België, Bulgarije, Cyprus, Estland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië en het VK.
Zie: art. 18, art. 18bis en art. 18ter Richtlijn energiebelastingen, Bijlage II bij de Richtlijn energiebelastingen, Bijlage VI en Bijlage VII van het Protocol bij de Toetredingsakte van Bulgarije en Roemenië, (PbEg 2005, L 157).
EC referentienummer: 2006/2218.
Overweging 24 considerans en art. 5 Richtlijn energiebelastingen.
Vgl. art. 5 derde en vierde streepje Richtlijn energiebelastingen.
Art. 5 eerste streepje Richtlijn energiebelastingen.
Art. 5 tweede streepje Richtlijn energiebelastingen.
Art. 5 derde streepje Richtlijn energiebelastingen.
Als bedoeld in art. 9 en art. 10 Richtlijn energiebelastingen. Art. 5 vierde streepje Richtlijn energiebelastingen.
COM(2006)342 def., Mededeling van de Commissie aan de Raad, Evaluatie van de derogaties in bijlage II en III bij Richtlijn 2003/96/EG van de Raad die eind 2006 vervallen, Brussel: 30 juni 2006, par. 2.1.1. Zie ook: HvJ EG 14 januari 1981, nr. 140/79, Chemial Farmaceutici vs. DAF SpA, Jur. 1981, p. 1, r.o. 14. HvJ EG 14 januari 1981, nr. 46/80, SpA Vinal vs. SpA Orbat (belastingregeling gedenatureerde alcohol), Jur. 1980, p. 77, r.o. 13. HvJ EG 4 maart 1986, nr. 106/84, EC vs. Denemarken (belastingregeling voor alcohol – vruchtenwijn), Jur. 1986, p. 833, r.o. 20. HvJ EG 7 april 1987, nr. 196/85, EC vs. Frankrijk (belastingregeling voor natuurlijke zoete wijnen en likeurwijnen), Jur. 1987, p. 1597, r.o. 6. HvJ EG 2 april 1998, nr. C-213/96, Outokumpu Oy vs. Piiritullikamari (regionaal douanekantoor) Helsinki (accijns van elektriciteit – verschillende belastingtarieven naargelang het productieprocedé van in binnenland geproduceerde elektriciteit – eenvormig tarief voor ingevoerde elektriciteit), Jur. 1998, p. I-1777, r.o. 30.
COM(2006)342 def., Mededeling van de Commissie aan de Raad, Evaluatie van de derogaties in bijlage II en III bij Richtlijn 2003/96/EG van de Raad die eind 2006 vervallen, Brussel: 30 juni 2006, par. 2.1.1.
Art. 15 lid 1 onderdeel e Richtlijn energiebelastingen.
Art. 7 lid 2 Richtlijn energiebelastingen.
COM(2006)342 def., Mededeling van de Commissie aan de Raad, Evaluatie van de derogaties in bijlage II en III bij Richtlijn 2003/96/EG van de Raad die eind 2006 vervallen, Brussel: 30 juni 2006, par. 2.1.2.
Eenentwintigste overweging considerans Richtlijn energiebelastingen.
Art. 11 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 7 lid 2 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 17 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 21 lid 3 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 2 lid 4 Richtlijn energiebelastingen.
Gerda Verburg, Minister van LNV, mede namens de Ministers van VROM, EZ, OS en V&W, De keten sluiten, Overheidsvisie op de bio-based economy in de energietransitie, Den Haag: 2007, KamerstukkenII 2007/08, 29 575, nr. 16, www.minlnv.nl/portal/page?_pageid=116,1640985 &_dad=portal&_schema=PORTAL&p_news_item_id=22740.
Art. 15 en art. 16 Richtlijn energiebelastingen.
Overweging 28 considerans en art. 15 lid 1 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 15 lid 3 Richtlijn energiebelastingen.
GvEA EG 27 september 2000, nr. T-184/97, BP Chemicals Ltd. vs. EC, Jur. 2000, p. II-03145, r.o. 60 en 70-71
GvEA EG 22 oktober 1996, nr. T-266/94, Skibsværftsforeningen e.a. vs. EC, Jur. 1996, p. II-1399, r.o. 172.
GvEA EG 27 september 2000, nr. T-184/97, BP Chemicals Ltd. vs. EC, Jur. 2000, p. II-3145, r.o. 50.
HvJ EG 14 december 1962, nrs. 2/62 en 3/62, EC vs. Luxemburg en België (invoervergunningen voor ontbijtkoek), Jur. 1962, p. 853. GvEA EG 14 september 1995, nr. T-571/93, Lefebvre e.a. vs. EC, Jur. 1995, p. II-2379, r.o. 48. GvEA EG 27 september 2000, nr. T-184/97, BP Chemicals Ltd. vs. EC, Jur. 2000, p. II-03145, r.o. 61-62.
GvEA EG 27 september 2000, nr. T-184/97, BP Chemicals Ltd. vs. EC, Jur. 2000, p. II-03145, r.o. 60-61.
Krachtens art. 19 Richtlijn energiebelastingen.
GvEA EG 27 september 2000, nr. T-184/97, BP Chemicals Ltd. vs. EC, Jur. 2000, p. II-03145, r.o. 62.
Art. 15 lid 2 Richtlijn energiebelastingen.
Overweging 25 considerans Richtlijn energiebelastingen.
Art. 15 lid 1 onderdeel d tweede volzin Richtlijn energiebelastingen.
Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt en tot wijziging van richtlijn 92/42/EEG, (PbEg 2004, L 52).
Art. 15 lid 1 onderdeel f Richtlijn energiebelastingen.
Art. 14 lid 1 onderdeel c Richtlijn energiebelastingen.
HvJ EG 1 april 2004, nr. C-389/02, Deutsche See-Bestattungs-Genossenschaft eG vs. Hauptzollamt Kiel (teraardebestelling op volle zee), Jur. 2004, p. I-3537, r.o. 19.
HvJ EG 1 maart 2007, nr. C-391/05, Jan de Nul NV vs. Hauptzollamt Oldenburg, (PbEg 2006, C 10), r.o. 26-27 en 32.
Art. 15 lid 1 onderdeel f Richtlijn energiebelastingen. HvJ EG 1 maart 2007, nr. C-391/05, Jan de Nul NV vs. Hauptzollamt Oldenburg, (PbEg 2006, C 10), r.o. 31.
Bijlage I behorende bij Richtlijn 82/714 van de Raad van 4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, (PbEg 1982, L 301/1). Zie intussen ook de vrijwel identieke opinie van A-G Bot in zijn conclusie van 14 december 2006 voor HvJ EG 1 maart 2007, nr. C-391/05, Jan de Nul NV vs. Hauptzollamt Oldenburg, (PbEg 2006, C 10).
Zie het landenoverzicht van bijlage II bij de Richtlijn energiebelastingen.
Art. 16 Richtlijn energiebelastingen. De EC merkt op, dat als de Richtlijn energiebelastingen wordt geacht onvoldoende rekening te houden met de milieuvoordelen van methaan, een aanpassing van art. 15 lid 1 onderdeel i Richtlijn energiebelastingen in overweging kan worden genomen (COM(2006)342 def., Mededeling van de Commissie aan de Raad, Evaluatie van de derogaties in bijlage II en III bij Richtlijn 2003/96/EG van de Raad die eind 2006 vervallen, Brussel: 30 juni 2006, par. 2.1.3).
Overwegingen 19 en 20 considerans Richtlijn energiebelastingen. Art. 7 lid 2 Richtlijn energiebelastingen.
Overweging 21 considerans Richtlijn energiebelastingen. Art. 11 lid 1, lid 2 en lid 3 Richtlijn energiebelastingen. Onder het begrip zakelijk gebruik wordt verstaan: het gebruik door een zakelijke eenheid, die zelfstandig, ongeacht op welke plaats, leveringen van goederen en diensten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die economische activiteiten. Die economische activiteiten omvatten alle werkzaamheden van een producent, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije beroepen. Staten, lokale en regionale overheden en andere publiekrechtelijke lichamen worden niet als zakelijke eenheid aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten.Wanneer deze lichamen evenwel zodanige werkzaamheden of handelingen verrichten, worden zij daarvoor als zakelijke eenheid aangemerkt, indien een behandeling als niet-zakelijke eenheid tot concurrentieverstoringen van enige betekenis zou leiden. Een zakelijke eenheid kan niet worden beschouwd als kleiner dan een afdeling van een zakelijke eenheid of een juridische entiteit die uit organisatorisch oogpunt een onafhankelijke exploitatie vormt, dat wil zeggen een eenheid die op eigen kracht kan functioneren.
Art. 11 lid 4 Richtlijn energiebelastingen.
Onder het begrip dieselolie (commerciële gasolie gebruikt voor voortbeweging op de openbare weg) wordt verstaan (art. 7 lid 3 Richtlijn energiebelastingen): gasolie gebruikt voor voortbeweging voor (1) het vervoer van goederen voor eigen rekening of voor rekening van derden met een motorvoertuig of een samenstel van voertuigen dat uitsluitend bestemd is voor het goederenvervoer over de weg met een maximum toegelaten laadvermogen van 7,5 ton of meer, en (2) het vervoer van personen, geregeld of incidenteel, met voertuigen bestemd voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximumgewicht van ten hoogste vijf ton, of met voertuigen bestemd voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en met een maximumgewicht van meer dan vijf ton. Dit zijn motorvoertuigen van de categorieën M2 en m3 zoals omschreven in Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpas sing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, (PbEg 1970, L 42/1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/64/EG, (PbEg 2005, L 310/10).
Art. 7 lid 4 Richtlijn energiebelastingen. Dat tarief mag niet lager zijn dan het op 1 januari 2003 geldende nationale belastingtarief, zolang de totale belastingdruk grotendeels gelijk blijft, de communautaire minimumtarieven gerespecteerd worden, en het op 1 januari 2003 geldende nationale minimumtarief voor gasolie gebruikt voor voortbeweging ten minste tweemaal zo hoog is als het op 1 januari 2004 geldende minimumtarief.
Art. 11 lid 3 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 16 lid 1 eerste tot en met vierde streepje Richtlijn energiebelastingen.
Water volgens de GN-codes 2201 (natuurlijk of kunstmatig mineraalwater of spuitwater zonder toegevoegde zoetstoffen, niet gearomatiseerd; ijs en sneeuw) en 2851 00 10 (gedistilleerd water, conductometrisch zuiver water).
Art. 16 lid 1 tweede volzin Richtlijn energiebelastingen.
Art. 5 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 19 Richtlijn energiebelastingen. Deze bepaling komt grotendeels overeen met art. 8 lid 4 Structuurrichtlijn minerale oliën, maar stelt strengere voorwaarden.
Art. 18 en art. 19 en Bijlage II Richtlijn energiebelastingen.
COM(2006)342 def., Mededeling van de Commissie aan de Raad, Evaluatie van de derogaties in bijlage II en III bij Richtlijn 2003/96/EG van de Raad die eind 2006 vervallen, Brussel: 30 juni 2006, par. 2.2.4.
Onder het begrip energie-intensief bedrijf wordt verstaan: een bedrijf, een zakelijke eenheid die zelfstandig, ongeacht op welke plaats, leveringen van goederen en diensten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die economische activiteiten, als bedoeld in art. 11 Richtlijn energiebelastingen, waar de aankoop van energieproducten en elektriciteit ten minste 3,0% van de productiewaarde uitmaakt, of de verschuldigde nationale energiebelasting ten minste 0,5% van de toegevoegde waarde bedraagt. Binnen deze definitie kunnen de lidstaten meer restrictieve concepten toepassen, waaronder definities van omzetwaarde, proces en sector.
Als bedoeld in art. 8 lid 2 onderdeel b en onderdeel c Richtlijn energiebelastingen.
Art. 17 lid 1 Richtlijn energiebelastingen.
Overweging 29 considerans Richtlijn energiebelastingen. Art. 17 lid 1 onderdeel b, art. 17 lid 2 jo.art. 2 en art. 4 lid 2 jo. art. 11 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 16 lid 7 Richtlijn energiebelastingen.
Overweging 32 van de considerans van de Richtlijn energiebelastingen.
Art. 16 lid 8 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 8 Structuurrichtlijn minerale oliën.
Art. 5 Tariefrichtlijn minerale oliën.
Art. 8 lid 2 en lid 3 Tariefrichtlijn minerale oliën.
Overweging 6 van de considerans van de Structuurrichtlijn minerale oliën.
HvJ EG 27 november 2003, nr. C-185/00, EC vs. Finland (huisbrandolie als motorbrandstof), Jur. 2003, p. I-14189, r.o. 97-108.
Art. 21 lid 6 Richtlijn energiebelastingen.
Als bedoeld in art. 2 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 16 lid 1 Richtlijn energiebelastingen.
Als bedoeld in art. 2 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 16 lid 1 slotzin Richtlijn energiebelastingen.
Als bedoeld in art. 4 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 16 lid 2 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 16 lid 3 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 16 lid 4 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 16 lid 5 eerste volzin Richtlijn energiebelastingen.
Art. 16 lid 5 tweede volzin Richtlijn energiebelastingen.
Art. 16 lid 6 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 16 lid 7 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 16 lid 8 Richtlijn energiebelastingen.
Het communautaire beleid inzake afgewerkte olie dateert uit de de ’70-er jaren van de 20e eeuw en strekt ertoe de schadelijke milieueffecten ervan te voorkomen.
EC, Thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling, COM(2005)666 van 21 december 2005.
COM(1999)752 van 10 januari 2000. COM(2003)250 van 11 juli 2003.
Art. 21 lid 5 Richtlijn energiebelastingen.
Kamerstukken II 2003/04, 29 207, nr. 3, p. 24.
Als bedoeld in art. 8 lid 2 onderdeel b en onderdeel c Richtlijn energiebelastingen.
Art. 17 lid 1 Richtlijn energiebelastingen.
Als bedoeld in art. 11 Richtlijn energiebelastingen.
Als bedoeld in art. 8 lid 2 onderdeel b en onderdeel c Richtlijn energiebelastingen.
Art. 17 lid 1 derde, vierde en vijfde volzin Richtlijn energiebelastingen.
Art. 17 lid 1 zesde volzin Richtlijn energiebelastingen.
Art. 17 lid 1 zevende volzin Richtlijn energiebelastingen.
Art. 17 lid 1 slotzin Richtlijn energiebelastingen.
Negenentwintigste overweging considerans Richtlijn energiebelastingen. Art. 17 lid 1 onderdeel b Richtlijn energiebelastingen.
Als bedoeld in art. 2 Richtlijn energiebelastingen.
Als bedoeld in art. 4 lid 1 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 17 lid 2 Richtlijn energiebelastingen.
Als bedoeld in art. 11 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 17 lid 3 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 17 lid 4 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 19 lid 1 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 19 lid 2 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 19 lid 3 Richtlijn energiebelastingen.
HvJ EG 1 maart 2007, nr. C-391/05, Jan de Nul NV vs. Hauptzollamt Oldenburg, (PbEg 2006, C 10), r.o. 24-25.
Art. 2 Richtlijn lid 4 energiebelastingen.
Convention on International Civil Aviation, Stb. 1947, H 165. Recueil des traités des Nations unies, deel 15, p. 295.
Andere luchtvaart dan particuliere plezierluchtvaart. Onder particuliere plezierluchtvaart wordt verstaan: het gebruik van een luchtvaartuig door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties. Art. 14 lid 1 onderdeel b Richtlijn energiebelastingen.
Art. 8 lid 1 van het voorstel van de EC voor een richtlijn van de Raad betreffende de harmonisatie van de structuren van de accijnzen op minerale oliën (PbEg 1990, C 322/18) noemde bij de omschrijving van de verplichting van de lidstaten om de betrokken producten vrij te stellen, niet uitdrukkelijk de daarin bedoelde accijnzen.
GN-code 2710 19 21. Art. 14 lid 1 derde volzin Richtlijn energiebelastingen.
Voor dit standpunt kan ook steun worden gevonden in art. 19 van de Richtlijn energiebelastingen en de voorganger van dit art., art. 8 lid 4 Structuurrichtlijn minerale oliën. Het bevat een algemene bepaling, volgens welke de Raad de lidstaten kan toestaan verdere vrijstellingen in te voeren. Zie beschikking 96/418/EG van de Raad van 27 juni 1996 waarbij aan een lidstaat toestemming wordt verleend, overeenkomstig art. 19 Richtlijn energiebelastingen, om verlaagde accijnstarieven of vrijstellingen van accijnzen te blijven toepassen op bepaalde energieproducten die voor bijzondere doeleinden worden gebruikt (PbEg 1996, L 172/22).
Brandstof met de GN-code 2710 19 21. Art. 14 lid 1 derde volzin Richtlijn energiebelastingen. Art. 66 lid 1 onderdeel b Wa.
Kamerstukken II 2004/05, 29 667, nr. 2, p. 4.
Art. 14 lid 1 onderdeel c en slotzin Richtlijn energiebelastingen. Energieproducten voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen zijn gewoon belast. Onder particuliere pleziervaartuigen worden verstaan: vaartuigen die worden gebruikt door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties.
Art. 14 lid 1 onderdeel c en slotzin Richtlijn energiebelastingen. Energieproducten voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen zijn gewoon belast. Onder particuliere pleziervaartuigen worden verstaan: vaartuigen die worden gebruikt door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van per sonen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties.
Art. 14 lid 2 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 8 lid 1 onderdeel c Structuurrichtlijn minerale oliën, thans: art. 14 lid 1 onderdeel c Richtlijn energiebelastingen.
HvJ EG 1 april 2004, nr. C-389/02, Deutsche See-Bestattungs-Genossenschaft eG vs. Hauptzollamt Kiel (teraardebestelling op volle zee), Jur. 2004, p. I-3537.
HvJ EG 1 maart 2007, nr. C-391/05, Jan de Nul NV vs. Hauptzollamt Oldenburg, (PbEg 2006, C 10), r.o. 38-39.
Art. 14 lid 1 onderdeel c Richtlijn energiebelastingen.
Art. 15 lid 1 onderdeel k Richtlijn energiebelastingen.
HvJ EG 1 maart 2007, nr. C-391/05, Jan de Nul NV vs. Hauptzollamt Oldenburg, (PbEg 2006, C 10), r.o. 29.
Art. 14 lid 1 onderdeel c Richtlijn energiebelastingen. HvJ EG 1 maart 2007, nr. C-391/05, Jan de Nul NV vs. Hauptzollamt Oldenburg, (PbEg 2006, C 10), r.o. 40.
Art. 14 lid 1 aanhef en onderdeel a Richtlijn energiebelastingen.
Als bedoeld in art. 10 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 14 lid 1 Richtlijn energiebelastingen. Voorheen art. 8 lid 1, onderdeel b Structuurrichtlijn minerale oliën. HvJ EG 27 november 2003, nr. C-185/00, EC vs. Finland, Jur. 2003, p. I-14189, r.o. 99-100.
Als bedoeld in art. 10 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 14 lid 1 tweede en derde volzin Richtlijn energiebelastingen.
COM(1996)549 van 14 november 1996. COM(2000)678 van 15 november 2000.
Art. 14 lid 1 slotzin Richtlijn energiebelastingen.
Art. 14 lid 2 Richtlijn energiebelastingen.
Overweging 23 considerans Richtlijn energiebelastingen.
Art. 21 lid 3 Richtlijn energiebelastingen. Vgl. art. 2 lid 2 en lid 4 Wa. Kamerstukken II 1992/93, 22 6 97, nr. 6, p. 27.
Art. 6c lid 1 en lid 6 UB Accijns.
Art. 6c lid 2, lid 3 en lid 4 UB Accijns. Art. 3b lid 1 en lid 2 UR Accijns.
Art. 6c lid 5 UB Accijns.
Besluit van de staatssecretaris van 5 september 2003, CPP2003/2055M.
Paragraaf 13.11 LA.
Art. 14 lid 1 onderdeel a Richtlijn energiebelastingen.
Als bedoeld in art. 26 lid 3 onderscheidenlijk lid 4 en lid 5 Wa.
Art. 69a Wa. Art. 23a UB Accijns. Art. 35i UR Accijns.
Kamerstukken II 2003/04, 29 207, nr. 3, p. 24.
Art. 21 lid 5 tweede volzin Richtlijn energiebelastingen.
Art. 64 Wbm.
Art. 44 Wbm.
Art. 14 lid 1 onderdeel b en onderdeel c Richtlijn energiebelastingen. Art. 66 Wa.
Art. 70 lid 1 onderdeel b en onderdeel c en lid 3 Wa.
Art. 71d lid 1 Wa.
Art. 18 lid 1 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting op energieproducten en elektriciteit, (PbEg 2003, L 283).
Art. 71d lid 2 Wa.
Art. 71d lid 3 Wa. Art. 3.3 lid 1 Wet luchtvaart.
Kamerstukken II 2002/03, 28 608, nr. 5, p. 15 Art. 35 f en 35h UR Accijns.
4.9.10.1 Minimumtarieven en nationale tarieven
De lidstaten heffen accijnzen van energieproducten en elektriciteit overeenkomstig de regels van de Accijnsrichtlijn en de Richtlijn energiebelastingen. De nationale tarieven die de lidstaten daarbij toepassen1, mogen evenmin als bij de andere communautaire accijnzen onder de voorgeschreven minimumbelastingniveaus liggen. Onder het begrip belastingniveau wordt verstaan: het totaal van alle geheven indirecte belastingen (de btw uitgezonderd), rechtstreeks of niet-rechtstreeks berekend over de hoeveelheid energieproducten en elektriciteit op het tijdstip van uitslag tot verbruik.2
De verschuldigdheid van de EB van elektriciteit ontstaat op het moment van levering.
Dat is het moment waarop aan het minimumtarief moet worden voldaan. Dit betekent dat iedere geleverde kWh ten minste moet zijn belast naar het minimumtarief.3
De minimumtarieven vormen een afspiegeling van de concurrentiepositie van de verschillende energieproducten en elektriciteit. Daarom worden deze voor de nietwegvervoerbrandstoffen en elektriciteit zo veel mogelijk berekend op grond van energie-inhoud. Voor de wegvervoerbrandstoffen is dit criterium niet geschikt.4 Energieproducten voor niet-wegvervoertoepassingen, zoals voor bepaalde industriële en handelsdoeleinden en voor verwarming, worden gewoonlijk lager belast dan energieproducten die voor voortbeweging moeten zorgen.5 Dit uitgangspunt wordt toegepast op de minimumtarieven voor energieproducten die als motorbrandstof worden gebruikt in de land- en tuinbouw, visteelt of bosbouw, voor stationaire motoren, voor installaties en machines die worden gebruikt in de bouw, de weg- en waterbouw en voor openbare werken, alsmede voor voertuigen bestemd om buiten de openbare weg te worden gebruikt of waarvoor geen vergunning is verleend voor overwegend gebruik op de openbare weg6, en voor verwarmingsbrandstoffen.7
De Richtlijn energiebelastingen bevat tevens enkele verplichte uitzonderingen op de normale regels en een reeks facultatieve bepalingen die de lidstaten de mogelijkheid bieden voor bepaalde beleidsdoeleinden belastingverlaging of -vrijstelling te verlenen. Daarnaast zijn in de bijlagen II en III bij de richtlijn – naar telling van de EC – nog eens 127 derogaties ofwel afwijkingen opgenomen waarbij lidstaten bevoegd zijn met betrekking tot diverse energieproducten en elektriciteit en doeleinden gedifferentieerde tarieven toe te passen of vrijstellingen te verlenen.8 Een aantal hiervan is al door tijdsverloop vervallen. Op 31 december 2006 zijn – ook naar telling van de EC – 111 uitzonderingen vervallen.9 Bij wijziging van één of meer tarieven kunnen reeds tot verbruik uitgeslagen voorraden energieproducten aan een belastingverhoging of belastingverlaging worden onderworpen.10
De meeste specifieke, dat wil zeggen op lidstaten afzonderlijk gerichte derogaties in bijlage II bij de Richtlijn energiebelastingen, zijn terug te voeren op de per 1 januari 2004 vervallen Structuurrichtlijn minerale oliën.11 Deze zijn in 2001 voor het laatst verlengd en met kleine aanpassingen in de Richtlijn energiebelastingen opgenomen om in de meeste gevallen ultimo 2006 te vervallen.12 De Structuurrichtlijn minerale oliën voorzag slechts in een beperkt aantal facultatieve vrijstellingen en verlagingen.
De lidstaten konden specifieke beleidsdoelstellingen uitsluitend via specifieke derogaties realiseren.13 Het meest kansrijk waren derogaties op het gebied van duurzame ontwikkeling. Met de komst van de Richtlijn energiebelastingen, die zelf ruime armslag biedt voor vrijstellingen en gedifferentieerde tarieven ten behoeve van specifieke beleidsdoelstellingen is daarin verandering gekomen.
Voor de EU10 is met bijlage III bij de richtlijn in een soortgelijke regeling voorzien.14 Voor de twee lidstaten die per 1 januari 2007 tot de Gemeenschap zijn toegetreden, is met Bijlage VI en Bijlage VII bij het Protocol van de Toetredingsakte voorzien in overgangsmaatregelen.15
Zoals gezegd, moeten de lidstaten de minimumtarieven tot uitgangspunt nemen bij de vaststelling van hun nationale tarieven. De wijze waarop de lidstaten de armslag die de minimumtarieven en de mogelijkheden tot toepassing van verlaagde tarieven en vrijstellingen bieden, hebben benut, geeft het navolgende onrustige beeld, dat nog allesbehalve in een interne markt past (cijfers 2006):
Afbeelding 1
Afbeelding 2
Afbeelding 3
Twaalf lidstaten mogen gedurende aangewezen overgangsperiodes op benzine nationale tarieven toepassen beneden de gemeenschappelijke minimumtarieven om geleidelijk naar en boven die minimumtarieven toe en uit te groeien.16 Gelode benzine is in Finland, Letland, Luxemburg, Malta en Nederland niet meer op de markt; in het VK alleen nog voor houders van een specifieke vergunning. In Luxemburg is nog wel gelode benzine voor vliegtuigen op de markt. Voor ongelode benzine geldt in Letland een verlaagd tarief van € 261,46 per 1.000 liter wanneer daaraan ten minste 4,5% tot 5,0% ethanol dan wel ten minste 10% tot 12% ETBE is toegevoegd. In Luxemburg geldt een verlaagd tarief voor ongelode benzine met bio-ethanol van € 429,1946 per 1.000 liter.
België, Denemarken, Duitsland, Finland, Hongarije, Italië, Hongarije, Ierland, Luxemburg, Oostenrijk, Polen, het VK en Zweden sturen nog met gedifferentieerde tarieven op het zwavelgehalte in ongelode benzine, diesel en andere gasolie, kerosine en zware stookolie. Hongarije kent een teruggaafregeling voor accijns voldaan voor bio-ethanol in ETBE die ten minste voor 15% deel uitmaakt van ongelode benzine. De Finse en de Zweedse benzineaccijns omvat ook een CO2-element. Voor bio-ethanol en biodiesel voor het wegverkeer geldt in het VK een verlaagd tarief van € 398,53 per 1.000 liter.
Negen lidstaten (Bulgarije, Cyprus, Estland, Griekenland, Letland, Litouwen, Luxemburg, Roemenië en Spanje) passen op diesel (dat wil zeggen gasolie als brandstof voor het wegverkeer) gedurende aangewezen overgangsperiodes nationale tarieven toe beneden de gemeenschappelijke minimumtarieven om geleidelijk naar en boven die minimumtarieven toe en uit te groeien.17 Spanje moet per 1 januari 2007 zijn derogatie hebben beëindigd en het minimumtarief voor diesel van € 302 toepassen.18 Litouwen belast diesel voor stationaire en mobiele machinerieën als enige beneden het gemeenschappelijk minimumtarief van € 21.19 Drie lidstaten (België, Letland en Luxemburg) passen op gasolie bestemd voor verwarming gedurende aangewezen overgangsperiodes nationale tarieven toe beneden de gemeenschappelijke minimumtarieven om geleidelijk naar en boven die minimumtarieven toe en uit te groeien.20
De Deense, Finse, Sloveense en Zweedse accijnzen van gasolie, kerosine en van zware stookolie omvat ook een CO2-element. Cyprus en Griekenland passen een verlaagd tarief toe op gasolie en kerosine voor verwarming in de winter, gedefinieerd als de periode van 15 oktober tot en met 30 april; het normale Griekse tarief bedraagt € voor alle doeleinden. Griekenland hanteert een teruggaaf van € 125 voor diesel voor gebruik als brandstof voor stationaire en mobiele machines onder fiscaal toezicht.
Italië heeft een verlaagd tarief. Agrarisch gebruik van gasolie is op Cyprus en in Luxemburg en Oostenrijk vrijgesteld. In Hongarije, Letland en Luxemburg gelden verlaagde tarieven voor gasolie waaraan biodiesel is toegevoegd. Malta past verlaagde tarieven van € 142,09 en € 67,78 toe op verbruik van gasolie voor een reeks handelingen gerelateerd aan zijn maritieme ligging. Het nultarief is toepasselijk op het verbruik van gasolie voor de visserij, internationale reizen met pleziervaartuigen en de opwekking van elektriciteit. Oostenrijk verleent teruggaaf voor het goederen- en personenvervoer per trein en warmtekrachtkoppeling ter grootte van het verschil tussen het algemene tarief en het verlaagd tarief voor gemerkte gasolie. Zweden belast diesel naar drie milieuklassen. Diesel en kerosine voor ander gebruik dan voor het wegverkeer, industrieel en agrarisch gebruik wordt belast met het verlaagd tarief van € 59,17 per m3. Diesel, kerosine en zware stookolie aangewend voor de aandrijving van tractoren en stationaire en mobiele machinerieën in de land- en tuinbouw, worden in Zweden belast naar het verlaagde tarief van € 176,74. In België geldt een nultarief voor gasolie, kerosine, zware stookolie, LPG, aardgas en elektriciteit bestemd voor energieintensieve bedrijven met een milieuconvenant; voor aardgas geldt voor de toepassing van het nultarief een jaarlijks maximum verbruik van 271,37 GJ. Voor gasolie, kerosine, zware stookolie, LPG, aardgas en elektriciteit bestemd voor verbruik door andere bedrijven met een milieuconvenant geldt een tarief van respectievelijk € 10,50 per 1.000 liter, € 10,50 per 1.000 liter, € 7,50 per 1.000 kilogram, € 20,50 per 1.000 kilogram, € 0,5795 bij een jaarlijks verbruik van ten hoogste 271,37 GJ en € 0,9544 per MWh; voor butaan € 8,5523 per 1.000 kilogram en voor propaan € 8,6762 per 1.000 kilogram.
Voor gasolie voor zakelijk gebruik voor verwarmingsdoeleinden door deze bedrijven geldt een naar zwavelgehalte gedifferentieerd verlaagd tarief van € 9,2427 (meer dan 50 mg/kg) en € 8,5511 (minder dan 50 mg/kg); voor kerosine voor zakelijk gebruik voor verwarmingsdoeleinden door deze bedrijven geldt een tarief van € 8,9738.
Luxemburg heft van gasolie en kerosine voor verwarming een controleretributie van €10 per 1.000 liter.21 Duitsland past het nultarief toe op gasolie, zware stookolie, LPG en aardgas aangewend voor WKK met een nuttige aanwending van meer dan 70% en voor gasturbines met een energetisch rendement van ten minste 57,5%. Het tarief bedraagt voor gasolie € 40,90 per 1.000 liter, voor LPG € 25,56 per 1.000 kilogram en voor aardgas € 0,51 per GJ bij een nuttige aanwending van WKK van meer dan 60%.
Zes lidstaten (Bulgarije, Cyprus, Griekenland, Letland, Litouwen en Malta) passen op kerosine gedurende aangewezen overgangsperiodes nationale tarieven toe beneden de gemeenschappelijke minimumtarieven om geleidelijk naar en boven die minimumtarieven toe en uit te groeien.22 In België geldt het nultarief voor kerosine en zware stookolie bestemd voor energie-intensieve bedrijven met een milieuconvenant.
Malta past op kerosine een verlaagd tarief van € 31 toe op vluchten tussen Malta en Gozo, en het nultarief op internationale reizen met pleziervaartuigen. In Nederland is kerosine voor binnenlandse vluchten belast met € 206,28 per 1.000 liter.
Vijf lidstaten (Bulgarije, Letland, Malta, Roemenië en Spanje) passen op zware stookolie gedurende aangewezen overgangsperiodes nationale tarieven toe beneden de gemeenschappelijke minimumtarieven om geleidelijk naar en boven die minimumtarieven toe en uit te groeien.23 In Malta is het tarief nihil voor zware stookolie voor elektriciteitsopwekking.
Dertien lidstaten (België, Cyprus, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Letland, Luxemburg, Malta, Nederland, Portugal en het VK) passen op LPG gedurende aangewezen overgangsperiodes nationale tarieven toe beneden de gemeenschappelijke minimumtarieven om geleidelijk naar en boven die minimumtarieven toe en uit te groeien.24 In Nederland bedraagt het tarief voor LPG aangewend voor autobussen, vuilniswagens, kolkenzuigers en straatveegwagens € 49,43. In Oostenrijk is LPG gebruikt voor lokaal openbaar vervoer en de productie van elektriciteit vrijgesteld.25 De Sloveense accijns van LPG omvat ook een CO2-element. LPG, aardgas en elektriciteit aangewend voor stationaire en mobiele machinerieën in de land- en tuinbouw, wordt in Zweden belast naar verlaagde tarieven van respectievelijk € 62,24 per 1.000 kilogram, € 44,33 per m3 en € 0,54 per MWh. In het VK worden LPG en aardgas alleen belast als brandstof voor het wegverkeer; het tarief bedraagt € 132,35 per 1.000 kilogram.
Met betrekking tot aardgas passen 2126 van de EU27 nationale tarieven toe beneden de gemeenschappelijke minimumtarieven om geleidelijk naar en boven die minimumtarieven toe en uit te groeien.27 België heft van aardgas € 0,3219 per GJ voor zover het jaarlijks verbruik niet meer bedraagt dan 271,37 GJ. In Estland, Griekenland en in Ierland is aardgas van accijnsheffing vrijgesteld, omdat het aandeel aardgas in het totale energieverbruik in 2000 minder bedroeg dan 15%.28 In Hongarije is aardgas ten behoeve van particuliere huishoudens vrijgesteld. Op Malta wordt geen aardgas voor het wegverkeer aangeboden. De Finse en de Sloveense accijnzen van aardgas, kolen en cokes omvat ook een CO2-element.
Met betrekking tot kolen, cokes en bruinkool passen 15 lidstaten29 en met betrekking tot elektriciteit passen 21 lidstaten30 van de EU27 nationale tarieven toe beneden de gemeenschappelijke minimumtarieven om geleidelijk naar en boven die minimumtarieven toe en uit te groeien (2006).31 Een aantal van deze lidstaten heeft een belastingstelsel met een inputbelasting op elektriciteit, dat vóór 1 januari 2010 moet zijn omgezet in een stelsel met een outputbelasting op elektriciteit. Tegen Polen, dat na 31 december 2005 de EB is blijven toepassen als een inputbelasting, heeft de EC (2007) een inbreukprocedure aanhangig gemaakt.32 België hanteert het nultarief voor de levering van elektriciteit aan een eindverbruiker verbonden aan een transport- of distributienetwerk met een normale spanning van meer dan 1 kV. Het tarief ter zake van de levering van elektriciteit aan een eindverbruiker in een transport- of distributienetwerk met een normale spanning van 1 kV of lager bedraagt € 1,9088. Luxemburg past een tarief van €0,10 per MWh toe op elektriciteit ten behoeve van chemische reductie en elektrolytische en metallurgische procedés. Nederland hanteert voor grootverbruik van elektriciteit een degressief tarief. In het noorden van Zweden geldt een verlaagd tarief van €21,59 per MWh (ten opzichte van het algemene tarief van € 28,04 per MWh).
4.9.10.2 Algemene differentiaties energiebelasting
De impressie hierboven van de tarieven van de lidstaten laat al zien, dat de lidstaten bij de vaststelling van hun tarieven zich niet alleen richten op de gemeenschappelijke minimumtarieven, maar ook gebruik maken verlaagde tarieven, vrijstellingen en andere differentiaties, ook wel derogaties genoemd. Uitgangspunt is dat de lidstaten de derogaties alleen mogen toepassen, als deze de goede werking van de interne markt niet belemmeren, niet tot concurrentieverstoringen leiden, niet leiden tot onderschrijding van de minimumtarieven en verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht (met name met het beleid van duurzame ontwikkeling).33 Dit sluit aan bij de doelstellingen van de Richtlijn energiebelastingen, die erin bestaan de werking van de interne markt verder te verbeteren en duurzame ontwikkeling te bevorderen.34 De algemene bepalingen van de richtlijn moeten tegen deze achtergrond worden bezien. De omstandigheid dat bepaalde economische of sociale beleidsdoelen uit nationaal oogpunt een belastingdifferentiatie kunnen rechtvaardigen, betekent geenszins dat internemarkt- en duurzameontwikkelingsdoelen hun belang hebben verloren.35
Hierna worden de derogaties van de Richtlijn energiebelastingen behandeld.
Onverminderd andere communautaire bepalingen, kunnen de lidstaten verlaagde
tarieven of vrijstellingen toepassen:
1 wanneer een verlaagd tarief of vrijstelling direct kan worden gerelateerd aan een specifiek productkenmerk of productieproces36;
2 wanneer een verlaagd tarief afhankelijk is gesteld van hoeveelheden verbruikte energieproducten en elektriciteit voor verwarming37;
3 ten behoeve van plaatselijk openbaar personenvervoer, afvalinzameling, de strijdkrachten en overheidsadministraties, gehandicapten en ziekenvervoer38; en
4 om onderscheid te kunnen maken tussen zakelijk en niet-zakelijk gebruik van energieproducten en elektriciteit.39
Ad 1. Deze bepaling dient om rekening te kunnen houden met variaties in milieuvriendelijke kenmerken van producten en de procedés waarmee producten worden voortgebracht, waarbij het aldus vastgestelde nationale verlaagd tarief boven het toepasselijke minimumtarief moet liggen.40
Ad 3. Op basis van deze bepaling komen voertuigen voor plaatselijk openbaar personenvervoer (waaronder taxi’s), ziekenauto’s en voertuigen gebruikt door de strijdkrachten, overheden en gehandicapten, en voertuigen voor afvalinzameling in aanmerking voor continuering van verlaagde tarieven die de lidstaten daarvoor al toepasten, mits deze verlaagde tarieven boven de gemeenschappelijke minimumtarieven liggen.41 Wat het openbaar vervoer betreft, bevat de Richtlijn energiebelastingen bepalingen met behulp waarvan milieu- en anticongestievoordelen van openbaar vervoer kunnen worden bevorderd, rekening houdend met het milieueffect van de verschillende vervoermiddelen. Zo kunnen gedifferentieerde tarieven worden toegepast ten aanzien van motorbrandstoffen voor voertuigen voor plaatselijk openbaar personenvervoer, waaronder taxi’s. Er kan volledige accijnsvrijstelling worden verleend voor energieproducten en elektriciteit die worden verbruikt voor het personen- en goederenvervoer per trein, metro, tram en bus.42 Ook bestaat de mogelijkheid om onder voorwaarden tariefsverschil te maken tussen diesel voor commerciële en voor niet-commerciële doeleinden43 en daarmee de concurrentiepositie van openbaar vervoer ten opzichte van particulier vervoer te verbeteren.44
Ad 4. De Richtlijn energiebelastingen schrijft een duidelijk onderscheid voor tussen zakelijk en niet-zakelijk gebruik van energieproducten en elektriciteit.45 Onder zakelijk gebruik wordt verstaan: het gebruik door een zakelijke eenheid, die zelfstandig, ongeacht op welke plaats, leveringen van goederen en diensten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die economische activiteiten. Die economische activiteiten omvatten alle werkzaamheden van een producent, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije beroepen. Staten, lokale en regionale overheden en andere publiekrechtelijke lichamen worden niet als zakelijke eenheid aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten. Wanneer deze lichamen evenwel zodanige werkzaamheden of handelingen verrichten, worden zij daarvoor als zakelijke eenheid aangemerkt, indien een behandeling als niet-zakelijke eenheid tot concurrentieverstoringen van enige betekenis zou leiden. Een zakelijke eenheid kan niet worden beschouwd als kleiner dan een afdeling van een zakelijke eenheid of een juridische entiteit die uit organisatorisch oogpunt een onafhankelijke exploitatie vormt, dat wil zeggen een eenheid die op eigen kracht kan functioneren. Waar gemengd gebruik plaatsvindt, wordt de energiebelasting geheven naar evenredigheid van elk type gebruik.
Indien het zakelijk of het niet-zakelijk gebruik van weinig belang is, kan het evenwel als nihil worden behandeld. De lidstaten kunnen het toepassingsgebied van het verlaagd tarief voor zakelijk gebruik beperken.46
De derogaties van de Structuurrichtlijn minerale oliën betroffen in veel gevallen belastingverlagingen of -vrijstellingen voor productieve bestedingen; het verbruik van in beginsel belaste waren door de industrie of het bedrijfsleven. Deze uitzonderingen zijn overgebracht in de Richtlijn energiebelastingen, die daarmee talrijke bepalingen bevat op grond waarvan de lidstaten het bedrijfsleven zo nodig gunstige faciliteiten kan verlenen. Zo staat het de lidstaten vrij het bedrijfsmatig verbruik van verwarmingsbrandstoffen milder te belasten dan het particuliere verbruik. Wat het verbruik als brandstof voor wegvoertuigen betreft, mag de dieselaccijns worden gedifferentieerd, maar niet lager vastgesteld dan het op 1 januari 2003 geldende nationale tarief en ook niet lager dan het gemeenschappelijke minimumtarief, onverminderd de in de Richtlijn energiebelastingen bepaalde afwijkingen voor dit verbruik.47 Aanzienlijk lagere tarieven gelden voor motorbrandstoffen die worden verbruikt voor landbouw- en industriële doeleinden. Verder staat het de lidstaten vrij een gehele of gedeeltelijke accijnsvrijstelling te verlenen aan energie-intensieve bedrijven en aan bedrijven waarmee de overheid energie-efficiëntieconvenanten heeft gesloten.48 Voor bepaalde zeer specifieke vormen van bedrijfsmatig verbruik van energieproducten en elektriciteit zijn bijzondere bepalingen opgenomen, waaronder de raffinaderijvrijstelling.49
Zoals gezegd, vallen warmte, brandhout, houtskool, energieproducten en elektriciteit voor andere doeleinden dan als motor- of verwarmingsbrandstof of voor duaal gebruik, zoals industriële verwerking waarbij energieproducten en elektriciteit niet als brandstof worden aangewend, buiten de grondslag van de energieaccijns.50
De Richtlijn energiebelastingen bevat voorts diverse bepalingen die de lidstaten de mogelijkheid bieden bepaalde energieproducten om bepaalde redenen een gunstige fiscale behandeling te verlenen, bijvoorbeeld ter vestiging van de biobased economy.51 In de biobased economy worden in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen non-food toepassingen uit groene grondstoffen oftewel biomassa vervaardigd. Zodra biomassa in belangrijke mate wordt ingezet in verschillende sectoren van de economie, ontstaat de biobased economy. Het gaat om toepassingen als transportbrandstoffen, chemicaliën, materialen en energie (elektriciteit en warmte).
De ontwikkeling van de biobased economy is mede onder druk van klimaatverandering, de afhankelijkheid van politiek instabiele regio’s en sterke prijsfluctuaties voor fossiele brandstoffen wereldwijd in een versnelling geraakt.
Vaak zijn deze bepalingen van de Richtlijn energiebelastingen tot verlening van een gunstige fiscale behandeling aan voorwaarden gebonden en gelden deze slechts voor een specifieke vorm van verbruik. Voorts biedt de Richtlijn energiebelastingen diverse mogelijkheden voor een gunstiger fiscale behandeling van aardgas voor verwarmingsdoeleinden, gegeven het feit dat aardgas onder de Structuurrichtlijn minerale oliën niet belast was. Dezelfde mogelijkheden gelden voor andere energieproducten die sedert 2004 ook in de heffing zijn betrokken, zoals elektriciteit, kolen en vaste brandstoffen.
Deze bepalingen zijn ook bedoeld voor gevallen waarin de lidstaten problemen zouden hebben om zich aan de uitvoering van de nieuwe Richtlijn energiebelastingen aan te passen. Wat biobrandstoffen, andere brandstofmengsels met milieuvoordelen, biomassa en hernieuwbare brandstoffen in het algemeen betreft, voorzien ten slotte de Richtlijn energiebelastingen en de Richtlijn biobrandstoffen in een alomvattend kader waarbij aan deze energieproducten een gunstige fiscale behandeling kan worden verleend.52 Volgens de Richtlijn biobrandstoffen wordt onder biobrandstoffen verstaan: vloeibare of gasvormige transportbrandstoffen gewonnen uit biomassa; onder biomassa wordt verstaan: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval; onder andere hernieuwbare brandstoffen wordt verstaan: andere hernieuwbare brandstoffen dan biobrandstoffen, afkomstig van hernieuwbare energiebronnen.
Binnen vorengenoemde kaders kunnen vrijstellingen of verlaagde tarieven worden toegepast op53:
1 energieproducten waarvoor een tarief is vastgesteld die worden gebruikt bij proefprojecten voor de technologische ontwikkeling van milieuvriendelijker energieproducten of met betrekking tot brandstoffen uit hernieuwbare bronnen;
2 elektriciteit afkomstig van zon, wind, golven, getijden of aardwarmte, afkomstig van waterkracht, welke wordt opgewekt in waterkrachtcentrales, uit biomassa of uit van biomassa afkomstige producten, opgewekt uit methaan dat vrijkomt in verlaten kolenmijnen, of opgewekt uit brandstofcellen;
3 energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor WKK;
4 elektriciteit, opgewekt uit WKK, op voorwaarde dat de installaties voor WKK milieuvriendelijk zijn;
5 energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor het vervoer van goederen en personen per spoor, metro, tram en bus;
6 energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de vaart op binnenwateren (met inbegrip van visserij) en niet voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen, en aan boord van een vaartuig opgewekte elektriciteit;
7 aardgas in lidstaten waar het aandeel van aardgas in 2000 minder dan 15% van het uiteindelijke energieverbruik bedroeg;
8 elektriciteit, aardgas, kolen en vaste brandstoffen die worden gebruikt door huishoudens en/of door organisaties welke door de betrokken lidstaat als liefdadige instellingen worden erkend;
9 aardgas en LPG die worden gebruikt voor voortbeweging;
10 motorbrandstoffen die worden gebruikt bij de vervaardiging, de ontwikkeling, het testen en het onderhoud van luchtvaartuigen en schepen;
11 motorbrandstoffen die worden gebruikt bij baggerwerken in bevaarbare waterlopen en in havens; en
12 steenkoolgas, watergas, generatorgas en dergelijke gassen, andere dan aardgas en andere gasvormige koolwaterstoffen (GN-code 2705) die worden gebruikt voor verwarmingsdoeleinden.
De lidstaten kunnen een verlaagd tarief of nultarief toepassen op energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de land- en tuinbouw, de visteelt en de bosbouw.
De Raad beziet, op basis van een voorstel van de EC vóór 1 januari 2008 of de toepassing van dit nultarief moet worden ingetrokken.54
De vrijstellingen en verlaagde tarieven genoemd onder (1) tot en met (7) kunnen van toepassing zijn gedurende een periode van ten hoogste tien jaar vanaf de inwerkingtreding van de Richtlijn energiebelastingen, dan wel totdat het nationale aandeel van aardgas 25% van het totale energieverbruik bedraagt. Zodra het nationale aandeel aardgas 20% bedraagt, moet een zodanig reëel en jaarlijks te verhogen tarief worden toegepast gehanteerd dat aan het einde van de periode van tien jaar ten minste het minimumtarief zal hebben bereikt.
Ad 1. Niet voor alle proefprojecten voor de ontwikkeling van milieuvriendelijker producten mag accijnsvrijstelling worden verleend. Vereist is, dat dergelijke projecten betrekking hebben op de technologische ontwikkeling van die producten, waardoor het soort proefprojecten dat onder de werkingssfeer van het begrip proefproject valt, beperkt is. Een programma om op industriële schaal de economische en industriële haalbaarheid van de productie van ETBE in bestaande productie-eenheden voor biobrandstoffen aan te tonen, is geen proefproject voor de technologische ontwikkeling van milieuvriendelijker producten.55
Het begrip proefproject wordt overigens nergens gedefinieerd, zodat er dus een zekere armslag bestaat om te beoordelen wat daaronder moet worden verstaan. De EC moet met die marge rekening houden bij de beoordeling of een nationale accijnsvrijstelling verenigbaar is met de richtlijn.56 Volgens de EC moet een proefproject niet worden beoordeeld aan de hand van de hoeveelheid geproduceerd product of verworven marktaandelen, maar vanuit het blikveld van eventuele verstoring van de mededinging die het betrokken project mocht veroorzaken.57 Volgens het HvJ EG heeft het begrip proefproject een meer beperkte betekenis. Het ziet op de technologische ontwikkeling van duurzame producten, waardoor het soort proefprojecten dat onder de werkingssfeer ervan kan vallen beperkt is. Zoals gezegd, wordt door middel van harmonisatie van de accijnzen van energieproducten en elektriciteit beoogd het vrije verkeer van de betrokken goederen te verwezenlijken en daarmee de goede werking van de interne markt te bevorderen. Afwijkingen van dergelijke fundamentele communautaire beginselen moeten strikt worden uitgelegd en toegepast.58 Een project dat volledig is gericht op industriële productie is geen proefproject.59 De enig mogelijke afwijking daarvoor is een eenparig besluit van de Raad.60 Een proefproject is dus van beperkte omvang en gericht op de technologische ontwikkeling van duurzame producten en wordt beoordeeld met inachtneming van de mededingingsverstoringen die de uitvoering van het project kan veroorzaken.61
Ad 2. De lidstaten kunnen de accijns die de verbruiker heeft betaald voor de elektriciteit opgewekt uit biomassa, methaan of brandstofcellen, door middel van een teruggaafregeling aan de producent restitueren.62
Ad 4. WKK komt in aanmerking voor een bevoorrechte behandeling.63 De lidstaten mogen nationale definities van milieuvriendelijke WKK of WKK met hoog rendement toepassen totdat de Raad op basis van een verslag en een voorstel van de EC een gemeenschappelijke definitie heeft aangenomen.64 Op 11 februari 2004 is de Richtlijn warmtekrachtkoppeling vastgesteld, voorzien van een gemeenschappelijke definitie.65
Ad 6. Energieproducten die worden geleverd voor verbruik als brandstof voor de vaart op communautaire wateren zijn verplicht vrijgesteld; die voor verbruik op de binnenwateren zijn facultatief vrijgesteld, dat wil zeggen dat die vrijstelling afhankelijk is van een aan de nationale autoriteiten voorbehouden discretionaire bevoegdheid.
De richtlijn bevat geen definities en dus geen onderlinge afbakening van de beide begrippen. Volgens het HvJ EG in het Deutsche See-arrest (2004) moeten de onder de Richtlijn energiebelastingen vallende goederen en diensten en de daarvoor geldende vrijstellingen, waaronder de begrippen binnenwateren66 en communautaire wateren 67, autonoom worden bepaald en uitgelegd op basis van de bewoordingen van de betrokken bepalingen en de doelstellingen van de richtlijn.68 De communautaire regimes voor de visserij en de binnenvaart bieden aanknopingspunten voor handzame definities. Onder het begrip communautaire wateren moet volgens het HvJ EG in het arrest-Jan De Nul (2007) worden verstaan: alle wateren die toegankelijk zijn voor alle voor de zeehandelsscheepvaart geschikte zeeschepen, met inbegrip van die met de grootste capaciteit; anders gezegd: de territoriale zeeën van de lidstaten en alle waterlopen waarover de zeehavens vanaf zee door zeehandelsschepen kunnen worden bereikt, ook al liggen die zeehavens niet aan de kust. Deze definitie van communautaire wateren waarborgt dat dezelfde economische omstandigheden gelden voor de zeehavens binnen de Gemeenschap van waaruit de zeehandelsvaart wordt verricht, ongeacht de geografische ligging ervan ten opzichte van de dichtstbijgelegen kust.69
De binnenwateren als bedoeld in de Richtlijn energiebelastingen zijn de waterlopen, niet zijnde de communautaire wateren. De facultatieve vrijstelling van energieproducten voor de vaart over de binnenwateren kan slechts gelden op die wateren waar geen zeehandelsscheepvaart mogelijk is.70 Als hulpmiddel voor de afbakening van binnenwateren en communautaire wateren kan dienen de richtlijn technische voorschriften voor binnenschepen.71
Ad 8. Wanneer het gaat om liefdadige organisaties kunnen de lidstaten de vrijstelling of verlaging beperken tot het niet-zakelijk gebruik. Indien gemengd gebruik plaatsvindt, wordt de belasting geheven naar evenredigheid van elk type gebruik.
Wanneer een gebruik van weinig belang is, kan het als nihil worden behandeld.
Ad 9. Op basis van de Structuurrichtlijn minerale oliën was aardgas alleen aan accijns onderworpen bij gebruik als brandstof voor voertuigen voor het wegverkeer.
Voor dat gebruik gold het tarief van de overeenkomstige motorbrandstof: LPG. Verschillende lidstaten mochten evenwel voor aardgas of LPG van deze bepaling in de Structuurrichtlijn minerale oliën afwijken. Daarom is in de Richtlijn energiebelastingen de algemene bepaling opgenomen op grond waarvan op ‘aardgas en LPG die worden gebruikt voor voortbeweging’ differentiaties kunnen worden toegepast. Methaan, dat in diverse derogaties is opgenomen72, meestal in de context van gebruik als brandstof voor voortbeweging, is niet in deze bepaling opgenomen, maar valt onder die inzake samengestelde energieproducten en de differentiaties die daarop onder de gestelde voorwaarden kunnen worden toegepast.73
De vrijstellingen en verlaagde tarieven kunnen van toepassing zijn gedurende een periode van ten hoogste tien jaar na de inwerkingtreding van de Richtlijn energiebelastingen, of totdat het nationale aandeel van aardgas 25% van het finale energieverbruik bedraagt, indien dat zich het eerst voordoet. Zodra het nationale aandeel van aardgas evenwel 20% van het finale energieverbruik bedraagt, hanteren de betrokken lidstaten een strikt positief belastingniveau, dat jaarlijks wordt verhoogd, opdat het aan het einde van bovengenoemde periode ten minste het minimumtarief bereikt. Het VK mag de vrijstellingen of verlaagde tarieven voor aardgas afzonderlijk toepassen voor Noord-Ierland.
Verder biedt de Richtlijn energiebelastingen de lidstaten ruimte voor speciale toepassingen van energieproducten en elektriciteit, zoals voor gasolie voor het wegvervoer (diesel). Deze ruimte kan worden benut om desgewenst het verschil tussen de belastingheffing op particulier verbruik van diesel in het wegverkeer en van benzine kleiner te maken.74 Met gedifferentieerde tarieven mag onderscheid worden gemaakt tussen bedrijfsmatig en particulier verbruik van energieproducten en elektriciteit75
waarbij het tarief voor bedrijfsmatig verbruik kan worden beperkt76, zulks op voorwaarde dat niet van de communautaire minimumtarieven wordt afgeweken en het accijnstarief voor bedrijfsmatig verbruik van diesel niet onder het op 1 januari 2003 geldende nationale tarief daalt, ongeacht de gestelde beperkingen aan dit verbruik.77
Lidstaten die een heffingssysteem bezitten voor het weggebruik van motorvoertuigen of samenstellen van voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor het goederenvervoer over de weg, mogen op door dergelijke voertuigen gebruikte diesel een verlaagd tarief toepassen.78 Waar gemengd verbruik plaatsvindt, wordt de EB geheven naar evenredigheid van elk type verbruik.79
Met betrekking tot energieproducten die uit een of meer bepaalde aangewezen stoffen zijn samengesteld of deze bevatten mag vrijstelling worden verleend of een verlaagd tarief worden toegepast. Het betreft plantaardige oliën en vetten, emulgeermiddelen voor vetstoffen, mengsels van aminen verkregen uit gedimeriseerde vetzuren en mengsels van methylesters van plantaardige oliën en vetten, wat hun van biomassa afkomstige bestanddelen betreft, ethylalcohol en gedistilleerde dranken, gedenatureerd, ongeacht het gehalte en methanol (methylalcohol) die niet van synthetische oorsprong zijn, producten afkomstig van biomassa, inclusief brandhout en houtskool.80 Een verlaagd tarief mag worden toegepast op energieproducten die water81
bevatten.82
4.9.10.3 Specifieke differentiaties energiebelasting
De meeste derogaties in bijlage II en bijlage III bij de Richtlijn energiebelastingen betreft doelstellingen waaraan de algemene bepalingen van de richtlijn niet tegemoet kunnen komen, omdat deze doelstellingen verband houden met specifieke beleidsoverwegingen van bepaalde lidstaten. Op weg naar het geharmoniseerde communautaire rechtskader kan niet steeds volledig worden tegemoet gekomen aan specifieke wensen van lidstaten. Daarom zijn tijdelijke afwijkingen noodzakelijk om de betrokken lidstaten in staat te stellen zich geleidelijk aan het gemeenschapsrecht aan te passen. Sommige specifieke derogaties zijn te vatten onder de algemene derogaties van de Richtlijn energiebelastingen. Zo kunnen de lidstaten volgens een zeer algemene regel in de Richtlijn energiebelastingen gedifferentieerde tarieven toepassen83, mits deze verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht en de bij de richtlijn voorgeschreven minimumtarieven in acht worden genomen. Ook kunnen de lidstaten volgens algemene regels van de Richtlijn energiebelastingen verlaagde tarieven en vrijstellingen toepassen voor het productief verbruik van in beginsel belaste energieproducten en elektriciteit.
Voorts kunnen de lidstaten door de Raad worden gemachtigd om uit specifieke beleidsoverwegingen voor specifieke doelen (doorgaans duurzame ontwikkeling) niet in de Richtlijn energiebelastingen geregelde belastingvrijstellingen of verlaagde tarieven toe te passen.84 Dergelijke voorzieningen worden eerst getoetst op hun verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht met betrekking tot de goede werking van de interne markt, de noodzaak eerlijke mededinging te waarborgen en het gemeenschappelijk gezondheids-, milieu-, energie- en vervoersbeleid.
Diverse lidstaten zijn op basis van de Richtlijn energiebelastingen gemachtigd om in bepaalde regio’s vrijstellingen of verlaagde tarieven toe te passen in verband met de economische ontwikkeling, geografische ligging en klimatologische overwegingen.85
Zo hebben Frankrijk en Ierland accijnsvrijstellingen voor de productie van aluminiumoxide in de Gardanne en in Shannon en mogen Portugal op de Azoren en Madeira en Griekenland op Lesbos, Chios, Samos, de Dodekanesos, de Cycladen, Thassos, de noordelijke Sporaden, Samothraki en Skiros energieaccijnzen heffen met tarieven beneden de communautaire minimumtarieven. Ook is een aantal regionale regelingen opgezet om het binnengrensoverschrijdend tanken te ontmoedigen. Dergelijke afwijkingen zijn op een binnenmarkt concurrentieverstorend en passen niet in een interne markt.
Voor regionale structuurversterkingen zijn andere instrumenten, zoals het cohesiebeleid, meer geschikt. Terecht is de EC van opvatting dat deze derogaties niet mogen worden verlengd.86
4.9.10.4 Energie-intensieve bedrijven
Ten aanzien van energie-intensieve bedrijven87 mogen, op voorwaarde dat de minimumtarieven gemiddeld voor elk bedrijf worden toegepast, belastingverminderingen worden toegepast op het verbruik van energieproducten voor verwarming, voor stationaire en mobiele werktuigen88 en op elektriciteit.89 Daarvoor is vereist dat de overheid convenanten aangaat met ondernemingen of ondernemersverenigingen, of regelingen inzake verhandelbare vergunningen of gelijkwaardige regelingen opstelt en toepast, die leiden tot de realisering van milieubeschermingsdoelstellingen of verbeteringen in energie-efficiency.90
De lidstaten zenden de EC jaarlijks een lijst toe van de toegepaste vrijstellingen en verminderingen.91 Alle belastingmaatregelen die staatssteun kunnen vormen dienen vooraf bij de EC te worden aangemeld zodat zij aan de staatssteunregels kunnen worden getoetst.92 Meer in het algemeen geldt dat fiscale instrumenten in overeenstemming dienen te zijn met alle relevante bepalingen van het EG-verdrag. Uiterlijk 31 december 2009 brengt de EC de Raad verslag uit over de fiscale, economische, landbouw-, energie-, industriële en milieuaspecten van de vrijstellingen en verminderingen.93
Finland heeft na zijn toetreding tot de Gemeenschap ten onrechte de mogelijkheid laten voortbestaan om minder zwaar belaste gasolie als motorbrandstof te gebruiken.
Deze situatie kon niet worden geacht te sporen met de Structuurrichtlijn minerale oliën94 en de Tariefrichtlijn minerale oliën.95 In Finland verkochten tankstations minder zwaar belaste gasolie zonder enige belastingcontrole, terwijl het aantal controles op de weg (3.923 in 1999) dat jaarlijks wordt verricht op het niveau van de eindverbruiker onvoldoende is gelet op het aantal voertuigen met dieselmotor (755.377 in 1999). De Finse regeling inzake het verbruik van gasolie als motorbrandstof berust op twee pijlers. Enerzijds zijn de eigenaren of houders van motorvoertuigen verplicht vooraf bij de fiscale autoriteiten aangifte te doen van hun voornemen om huisbrandolie te gebruiken als motorbrandstof en een heffingstoeslag ofwel brandstofheffing te voldoen. Anderzijds ziet de fiscale autoriteit toe op de eerbiediging van die voorwaarden door middel van controles op de weg. Bij gebreke van een aangifte kan het bedrag van de heffingstoeslag worden verdrievoudigd, terwijl het bedrag van de brandstofheffing in die gevallen altijd wordt vermenigvuldigd met drie, volgens de Finse regering hoog genoeg voor een gedragseffect.
Wegens de ontoereikende controle in Finland had Zweden wetgeving ontworpen waarbij werd bepaald, dat het verbod om Zweedse huisbrandolie als motorbrandstof te gebruiken, ook voor Finse huisbrandolie gold. Omdat douanecontroles aan de grens tussen Zweden en Finland wegens de lengte daarvan en het geringe aantal douanekantoren nagenoeg onmogelijk zijn, werd Finse huisbrandolie gemakkelijk clandestien in Zweden ingevoerd zonder dat accijns is geheven en daarna verkocht als motorbrandstof.
Het HvJ EG heeft in het Finse gasolie-arrest (2003) beslist, dat de heffingstoeslag en de brandstofheffing geen betalingen zijn die recht geven op het verbruik van huisbrandolie als motorbrandstof, noch vervoersbelastingen of accijnzen zijn, doch gedragscorrigerende fiscale sancties om misbruik tegen te gaan. Zelfs een perfecte belastingcontrole kan hoe dan ook niet wegnemen dat de Finse wetgeving op dit punt in strijd is met de Tariefrichtlijn minerale oliën, die vereist dat op de als motorbrandstof gebruikte gasolie het voorgeschreven minimumaccijnstarief wordt toegepast. De Tariefrichtlijn minerale oliën verplicht de lidstaten te garanderen dat als motorbrandstof gebruikte minerale oliën ten minste worden belast naar het minimumaccijnstarief voor motorbrandstoffen. De in de Tariefrichtlijn minerale oliën genoemde gedifferentieerde tarieven voor minerale oliën voor specifieke doeleinden, zoals voor huisbrandolie, mogen worden toegepast, mits daarop adequaat toezicht is georganiseerd.96
Vrijstellingen en verlaagde tarieven mogen immers geen verstoring van de mededinging tot gevolg hebben.97 Het HvJ EG achtte de Finse controle ontoereikend, onderstreept door de omvang van de belastingfraude in Zweden als gevolg van de clandestiene invoer van huisbrandolie uit Finland. Het Finse stelsel belette niet dat voor specifieke toepassingen bestemde en derhalve minder zwaar belaste minerale oliën toch als motorbrandstof worden gebruikt, en waarborgde niet dat van gasolie die als motorbrandstof wordt gebruikt, daadwerkelijk de voorziene minimumaccijns wordt toegepast.98
4.9.10.5 Facultatieve vrijstellingen
Als productie van energieproducten behoeven de lidstaten niet te beschouwen99:
1 handelingen waarbij kleine hoeveelheden energieproduct als bijproduct worden verkregen;
2 handelingen waardoor de gebruiker van een energieproduct hergebruik daarvan in zijn eigen onderneming mogelijk maakt, mits de op dat product reeds betaalde belasting niet lager is dan de belasting die verschuldigd zou zijn indien het hergebruikte energieproduct opnieuw aan belasting werd onderworpen;
3 een handeling die bestaat in het mengen, buiten een productiebedrijf of een belastingentrepot, van energieproducten met andere energieproducten of andere stoffen, mits (i) tevoren op de bestanddelen belasting is betaald en (ii) het betaalde bedrag niet lager is dan het bedrag aan belasting dat op het mengsel verschuldigd ware.
De onder 3 (i) bedoelde voorwaarde is niet van toepassing wanneer het mengsel voor een specifiek gebruik is vrijgesteld.
4.9.10.6 Vrijstellingen samengestelde energieproducten
De lidstaten kunnen vrijstelling verlenen of een verlaagd tarief toepassen voor belastbare energieproducten100 die zijn samengesteld uit een of meer van onderstaande producten, of deze bevatten101:
1 plantaardige oliën en vetten (de producten van de GN-codes 1507 t/m 1518);
2 emulgeermiddelen voor vetstoffen (GN-code 3824 90 55), mengsels van aminen verkregen uit gedimeriseerde vetzuren en mengsels van methylesters van plantaardige oliën en vetten (GN-codes 3824 90 80 t/m 3824 90 99), wat hun van biomassa afkomstige bestanddelen betreft;
3 ethylalcohol en gedistilleerde dranken, gedenatureerd, ongeacht het gehalte (GNcodes 2207 20 00) en methanol (methylalcohol) (GN-code 2905 11 00) die niet van synthetische oorsprong zijn;
4 producten afkomstig van biomassa, inclusief brandhout (GN-code 4401) en houtskool (GN-code 4402).
De lidstaten kunnen een verlaagd tarief toepassen voor energieproducten102 die water bevatten (GN-codes 2201 (natuurlijk of kunstmatig mineraalwater of spuitwater zonder toegevoegde zoetstoffen, niet gearomatiseerd; ijs en sneeuw) en 2851 00 10 (gedistilleerd water, conductometrisch zuiver water)).
Ad 4. Onder het begrip biomassa wordt verstaan: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen uit de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en stedelijk afval.103
De vrijstelling of belastingvermindering mag niet meer bedragen dan het bedrag dat aan belasting verschuldigd zou zijn ter zake van het volume van de onder 1 t/m 4 bedoelde producten als bestanddeel in de voor vrijstelling of belastingvermindering in aanmerking komende producten. De door de lidstaten gehanteerde tarieven voor de producten die zijn samengesteld uit onder 1 t/m 4 bedoelde producten of deze bevatten, mogen beneden de minimumtarieven104 liggen.105
De door de lidstaten toegepaste vrijstellingen en verlaagde tarieven worden aangepast naargelang van de ontwikkeling van de grondstofprijzen, teneinde overcompensatie van de hogere productiekosten van de onder 1 t/m 4 bedoelde producten te vermijden.106
Tot en met 31 december 2003 kunnen de lidstaten vrijstelling verlenen of blijven verlenen voor producten die uitsluitend of vrijwel uitsluitend bestaan uit de onder 1 t/m 4 bedoelde producten.107
De vrijstelling of vermindering voor de onder 1 t/m 4 bedoelde producten kan in het kader van een meerjarenprogramma door een overheidsinstantie aan een marktdeelnemer worden toegekend door middel van een vergunning die langer dan één kalenderjaar geldig is. De toegestane vrijstelling of vermindering mag niet langer dan zes opeenvolgende jaren worden toegepast. Deze termijn kan worden verlengd.108
In het kader van een meerjarenprogramma waarvoor een overheidsinstantie vóór 31 december 2012 toestemming heeft verleend, kunnen de lidstaten de vrijstelling of vermindering na 31 december 2012 blijven toepassen tot dit meerjarenprogramma afloopt. De vrijstelling of verjaring kan niet meer worden verlengd.109
Indien de lidstaten op grond van het gemeenschapsrecht gedwongen worden tot nakoming van juridisch bindende verplichtingen om een minimumaandeel van de onder 1 t/m 4 bedoelde producten in de handel te brengen, is de vrijstelling of de vermindering niet meer van toepassing vanaf de datum waarop die verplichtingen voor de lidstaten bindend worden.110
De lidstaten zenden de EC om de twaalf maanden een lijst toe van de toegepaste vrijstellingen en verminderingen.111 Uiterlijk 31 december 2009 brengt de EC de Raad verslag uit over de fiscale, economische, landbouw-, energie-, industriële en milieuaspecten van de vrijstellingen en verminderingen.112
4.9.10.7 Afgewerkte olie
Afgewerkte olie is een verzamelnaam van gebruikte smeermiddelen voor voertuigen en motoren en gebruikte hydraulische olie. Omdat dit stoffen zijn met de eigenschap de leefomgeving duurzaam te kunnen vervuilen, moeten deze op de meest zorgvuldige manier worden ingezameld en verwerkt.113 Verwerking vindt in het algemeen plaats door middel van aanwending als energiebron en als grondstof. Bij de methode als energiebron krijgt afgewerkte olie dezelfde fiscale behandeling als andere minerale oliën en wordt afgewerkte olie daarom vanaf 1993 in de communautaire accijnsheffing betrokken.
Elf lidstaten zijn evenwel in de loop der jaren door de EC en de Raad gemachtigd om uit specifieke beleidsoverwegingen accijnsvrijstelling te verlenen voor afgewerkte olie die direct of na een recyclingproces wordt hergebruikt als brandstof, met als ratio dat deze vrijstellingen de inzameling van afgewerkte olie bevorderen en dat onvoldoende afgewerkte olie voorhanden is voor economische levensvatbaarheid van inzameling en regeneratie. Ook voorkomt de vrijstelling dat afgewerkte olie garandeert in het milieu wordt gedumpt.
De EC is van opvatting dat deze overwegingen geen valabele reden meer zijn om een vorm van gebruik van een grondstof fiscaal te bevoordelen boven andere vormen van gebruik en die van andere energieproducten. Een van de hoofddoelstellingen van de Richtlijn energiebelastingen is een gelijke behandeling van de verschillende concurrerende energieproducten om verstoringen op de interne markt te voorkomen. Aan bepaalde energieproducten kan slechts een gunstiger fiscale behandeling worden toegekend als dat bijvoorbeeld uit milieuoverwegingen wenselijk is. Dit geldt niet meer voor afgewerkte olie. De gunstiger fiscale behandeling houdt een bevoordeling in van afgewerkte olie ten opzichte van alternatieve rechtstreeks concurrerende energieproducten.
Het is verplicht afgewerkte olie in te zamelen en in een gecontroleerde installatie te verwerken met inachtneming van de in de communautaire wetgeving vastgestelde emissiegrenzen, zodat die inzameling niet meer behoeft te worden gestimuleerd.114 Gebleken is dat de accijnsvrijstelling de inzameling niet bevordert, maar de vrijstelling ten voordele van de twee algemene verwerkingsmethoden werkt.115 Afgewerkte olie wordt met de accijnsvrijstelling steeds aantrekkelijker als voordelig alternatief voor andere energieproducten. Overigens vallen de meeste toepassingen waarbij afgewerkte olie als brandstof wordt gebruikt, zoals in cementovens, kalkfabrieken, ijzer- en staalfabrieken, mijnen, buiten de reikwijdte van de Richtlijn energiebelastingen.
4.9.10.8 Kleine elektriciteitsproducenten
De lidstaten kunnen kleine elektriciteitsproducenten vrijstelling verlenen, mits zij accijns heffen van de voor de productie van die elektriciteit gebruikte energieproducten.116 Nederland heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt voor de elektriciteit die in kleinere generatoren wordt opgewekt, die niet belast wordt omdat dat is uitvoeringstechnisch vrijwel onmogelijk is. Veelal worden minerale oliën als grondstof gebruikt voor de opwekking van elektriciteit met behulp van (kleinere) generatoren.
Deze voor die opwekking gebruikte brandstoffen dienen dan wel in de heffing te worden betrokken117
4.9.10.9 Belastingvermindering bij minimumdruk op bedrijfsniveau
Op voorwaarde dat de voorgeschreven minimumtarieven gemiddeld voor elk bedrijf worden toegepast, kunnen de lidstaten in de navolgende gevallen belastingverminderingen toepassen op het verbruik van energieproducten die worden gebruikt voor verwarming en voor stationaire en mobiele werktuigen118 en op elektriciteit119:
1 ten voordele van energie-intensieve bedrijven;
2 indien overeenkomsten zijn aangegaan met ondernemingen of ondernemersverenigingen, of indien regelingen inzake verhandelbare vergunningen of gelijkwaardige regelingen worden toegepast, voor zover deze leiden tot de verwezenlijking van milieubeschermingsdoelstellingen of verbeteringen in energie-efficiëntie.
Ad 1. Onder het begrip energie-intensief bedrijf wordt verstaan: een bedrijf, een zakelijke eenheid die zelfstandig, ongeacht op welke plaats, leveringen van goederen en diensten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die economische activiteiten 120, waar de aankoop van energieproducten en elektriciteit ten minste 3,0% van de productiewaarde uitmaakt, of de verschuldigde nationale energiebelasting ten minste 0,5% van de toegevoegde waarde bedraagt. Binnen deze definitie kunnen de lidstaten meer restrictieve concepten toepassen, waaronder definities van omzetwaarde, proces en sector.
Onder het begrip kosten van de aankoop van energieproducten en elektriciteit wordt verstaan: de feitelijke kosten van de door het bedrijf aangekochte of gegenereerde energie. Hieronder vallen alleen de kosten van elektriciteit, verwarming en de energieproducten die worden gebruikt voor verwarmingsdoeleinden of voor stationaire of mobiele werktuigen.121 De kosten omvatten alle belastingen, uitgezonderd verrekenbare btw.122
Onder het begrip productiewaarde wordt verstaan: de omzet inclusief rechtstreeks aan de prijs van het product gekoppelde subsidies, vermeerderd of verminderd met de veranderingen in voorraden gereed product, onderhanden werk en goederen en diensten, ingekocht voor wederverkoop, en verminderd met de aankoop van goederen en diensten voor wederverkoop.123
Onder toegevoegde waarde wordt verstaan de totale aan btw onderworpen omzet inclusief uitvoer, verminderd met de totale aan btw onderworpen inkoop inclusief invoer.124
De lidstaten die ultimo 2003 nationale energiebelastingstelsels bezitten waarbij energie-intensieve bedrijven worden gedefinieerd aan de hand van andere criteria dan de energiekosten in vergelijking met de productiewaarde en de verschuldigde nationale energiebelasting in vergelijking met de toegevoegde waarde, is een overgangsperiode tot uiterlijk 1 januari 2007 toegestaan om zich aan te passen aan de definitie van energie-intensief bedrijf.125
Ad 2. Ondernemingen die met de overheid convenanten sluiten met het oog op bevordering van duurzame ontwikkeling en verbetering van energie-efficiëntie verdienen een specifieke behandeling (convenantenregeling).126
In afwijking van het gebod dat de tarieven die de lidstaten op energieproducten en elektriciteit127 toepassen niet lager mogen zijn dan de bij de Richtlijn energiebelastingen voorgeschreven minimumtarieven128, kunnen de lidstaten een verlaagd tarief of het nihiltarief toepassen op energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt door energie-intensieve bedrijven.129 In afwijking van hetzelfde gebod kunnen de lidstaten een tot 50% van de minimumtarieven verlaagd tarief toepassen op energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt door bedrijven, zijnde zakelijke eenheden die zelfstandig, ongeacht op welke plaats, leveringen van goederen en diensten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die economische activiteiten130, die niet energie-intensief zijn.131
Bedrijven die van deze mogelijkheden gebruik maken, gaan overeenkomsten, regelingen inzake verhandelbare vergunningen, gelijkwaardige regelingen of convenanten met de overheid aan. De overeenkomsten, regelingen inzake verhandelbare vergunningen, gelijkwaardige regelingen of convenanten moeten bijdragen tot de verwezenlijking van milieubeschermingsdoelstellingen of een grotere energie-efficiëntie die grosso modo gelijkwaardig zijn aan wat zou zijn bereikt indien de communautaire minimumbelastingniveaus gehanteerd waren.132
4.9.10.10 Vrijstellingen en verminderingen uit specifieke beleidsoverwegingen
De Raad kan op voorstel van de EC met eenparigheid van stemmen besluiten dat een lidstaat uit specifieke beleidsoverwegingen wordt gemachtigd verdere vrijstellingen of verlagingen in te voeren. Een lidstaat die een dergelijke maatregel wenst in te voeren, stelt de EC daarvan in kennis en verstrekt haar tevens alle relevante en benodigde gegevens. De EC onderzoekt het verzoek met inachtneming van, onder andere, de goede werking van de interne markt, de noodzaak eerlijke mededinging te verzekeren en het communautair gezondheids-, milieu-, energie- en vervoersbeleid. Binnen drie maanden nadat de EC alle relevante en benodigde gegevens heeft ontvangen dient zij een voorstel in voor een beschikking waarbij de Raad de lidstaat in kwestie tot het nemen van een dergelijke maatregel machtigt of deelt zij de Raad de redenen mee waarom zij een dergelijke beschikking niet heeft voorgesteld.133 Een machtiging wordt voor ten hoogste zes jaar verleend, met de mogelijkheid tot verlenging volgens de vorengenoemde reguliere verzoek procedure.134 Op deze derogatieregeling rusten talrijke specifieke vrijstellingen in de lidstaten.
Indien de EC van oordeel is dat de vrijstellingen of verminderingen niet langer aanvaardbaar zijn, met name uit het oogpunt van eerlijke mededinging, verstoring van de werking van de interne markt, of het communautaire gezondheids-, milieu-, energieen vervoersbeleid, dient zij bij de Raad passende voorstellen in. De Raad moet daarover unaniem besluiten.135
4.9.10.11 Verplichte vrijstellingen
De Europese regelgeving en internationale verdragen verzetten zich tegen accijnsheffing van het internationale vliegverkeer. De gemeenschapswetgever heeft voor de EB enkele verplichte vrijstellingen op communautair niveau willen vastleggen, zij het dat deze daarvoor geen ratio’s aandraagt. Volgens het HvJ EG in het arrest-Jan De Nul (2007) is met de verplichte vrijstelling voor minerale oliën die worden gebruikt als brandstof voor de vaart op de communautaire wateren beoogd het intracommunautaire handelsverkeer te vergemakkelijken, met name het goederenverkeer en het vrij verrichten van diensten die op die wateren kunnen plaatsvinden. Met deze vrijstellingen heeft de communautaire wetgever op een aantal punten meer gelijkheid willen brengen in de fiscale behandeling van vervoers- en andere dienstverlenende ondernemingen die van de communautaire waterwegen gebruikmaken.136
Hoewel vereist is, dat energieproducten die als motorbrandstof worden gebruikt, onderworpen zijn aan het communautaire minimumtarief137, is vanwege bestaande internationale verplichtingen, zoals die van het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart van 7 december 1944 en de bilaterale luchtvaartovereenkomsten tussen staten138, en vanwege het behoud van concurrentieposities van het communautaire bedrijfsleven een vrijstelling voorgeschreven voor energieproducten die als brandstof worden gebruikt in de commerciële luchtvaart, althans de nietrecreatieve luchtvaart.139 Met de verplichting om energieproducten voor dit doel vrij te stellen, welke vrijstelling door de Raad aan het oorspronkelijke EC-voorstel voor de Structuurrichtlijn minerale oliën (1992) was toegevoegd, was niet bedoeld om de lidstaten een minder ruime verplichting op te leggen dan door de EC was voorgesteld.140 De Raad kan zeer wel door het Verdrag van Chicago zijn beïnvloed toen hij de verplichte vrijstelling voor brandstoffen voor de luchtvaart opnam. Hij besloot evenwel de vrijstelling gelijkelijk voor zowel de internationale als de nationale commerciële luchtvaart toe te passen, maar stond de lidstaten uitdrukkelijk toe, de vrijstelling voor brandstof voor luchtvaart te beperken tot bepaalde leveringen van reactiemotorbrandstof.141 Uit het feit dat de Raad deze vrijstelling heeft ingevoerd, kan a contrario worden afgeleid, dat geen andere vrijstelling werd voorzien.142 Deze vrijstelling kan worden beperkt tot reactiemotorbrandstof voor de voortstuwing van luchtvaartuigen 143 en tot het internationale en het intracommunautaire vervoer. Slechts ter zake van nationale vluchten is een accijnsheffing zonder meer mogelijk.144 Nederland heeft, zoals gezegd, gebruik gemaakt van die mogelijkheid en sinds 1 januari 2005 wordt de vliegtuigbrandstof die wordt gebruikt voor binnenlandse vluchten belast met accijns.
De accijnsrichtlijnen bieden overigens ook de mogelijkheid om ter zake van vluchten tussen twee lidstaten accijns over de brandstof te heffen indien beide lidstaten in een bilateraal verdrag dit overeenkomen. Voor zover bekend zijn dergelijke verdragen binnen de EU niet tot stand gekomen.
Voorts zijn verplicht vrijgesteld145:
1 energieproducten ten behoeve van de koopvaardij en visserij op communautaire wateren; alsmede
2 elektriciteit die aan boord van een vaartuig is opgewekt.146
Bestaande internationale verplichtingen en het behoud van de concurrentieposities in de zeescheepvaart en zeevisserij maken het noodzakelijk de vrijstelling ten behoeve van de niet-recreatieve zeescheepvaart te laten voortbestaan.
Deze vrijstellingen voor de lucht- en zeevaart mogen de lidstaten beperken tot het internationale en het intracommunautaire vervoer. Lidstaten die met elkaar bilaterale overeenkomsten hebben gesloten, kunnen de vrijstellingen opschorten. In dergelijke gevallen kunnen de lidstaten een lager belastingniveau dan het in deze richtlijn vastgestelde minimumniveau toepassen.147
De Deutsche See-Bestattungs-Genossenschaft eG verzorgt teraardebestellingen op volle zee. Zij deed een beroep op de accijnsvrijstelling voor minerale oliën voor de handelszeescheepvaart met het argument dat haar schepen niet vallen onder het begrip particuliere pleziervaartuigen, omdat zij worden gebruikt voor handelsdoeleinden, namelijk het vervoer van passagiers en het verrichten van diensten onder bezwarende titel. De vrijstelling werd Deutsche See geweigerd door het Hauptzollamt Kiel, dat begrafenissen kennelijk als pleziertrips beschouwt. In het Deutsche See-arrest (2004) overweegt het HvJ EG dat energieproducten die worden geleverd voor verbruik als brandstof voor de vaart op communautaire wateren (met inbegrip van visserij) zijn vrijgesteld van accijns, en dat hierop slechts in één uitzondering bestaat, die inhoudt, dat de vrijstelling niet geldt voor energieproducten voor verbruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen. Het begrip particuliere pleziervaartuigen is gedefinieerd als vaartuigen die voor andere dan handelsdoeleinden worden gebruikt.148 Hieruit leidt het HvJ EG af, dat alle zeescheepvaart voor handelsdoeleinden, dus niet alleen het vervoer van personen of goederen, maar ook het verrichten van diensten onder bezwarende titel, zoals begrafenisdiensten op zee en de diensten van een hopperzuiger die zich zelfstandig kan verplaatsen, binnen de werkingssfeer van de vrijstelling vallen. De accijnsvrijstelling maakt geen onderscheid naar het doel van de betrokken handelsscheepvaart.
De verstoringen van de mededinging die de bepalingen van de richtlijn beogen te voorkomen, kunnen immers optreden ongeacht het soort handelsscheepvaart.
Verder overweegt het HvJ EG dat als de gemeenschapswetgever, naast de scheepvaart met particuliere pleziervaartuigen, bepaalde soorten scheepvaart met een handelskarakter van de betrokken vrijstelling had willen uitsluiten, hij een dergelijke beperking van deze vrijstelling expliciet in de richtlijn had moeten opnemen. De formulering tussen haakjes met inbegrip van visserij moet, aldus het HvJ EG, slechts worden opgevat als een specificatie van de doelstelling van de voor de handelsscheepvaart voorziene vrijstelling. Ten slotte beslist het HvJ EG, dat, nu niet wordt betwist dat de door Deutsche See verrichte scheepvaartactiviteiten dienstverrichtingen onder bezwarende titel vormen, wegens het commerciële karakter ervan deze begrafenisscheepvaart niet onder de uitzondering voor particuliere pleziervaartuigen valt, zodat zij door de vrijstelling is gedekt.149 De hopperzuiger van Jan De Nul heeft een aandrijfsysteem waarmee die zich zelfstandig kan verplaatsen, beschikt daarmee dus over de nodige technische mogelijkheden om te varen op de communautaire wateren en aldus om baggerdiensten op die wateren te kunnen verrichten, zodat het verbruik van energieproducten voor de vaart van de hopperzuiger verplicht is vrijgesteld.150 Het HvJ EG laat in het arrest-Jan De Nul (2007) bij de afbakening tussen communautaire wateren en (nationale) binnenwateren de communautair werkende verplichte vrijstelling voor de vaart op communautaire wateren in het communautaire belang van gelijke concurrentievoorwaarden voor de bedrijvigheid in de zeehandelsscheepvaart en de zeehavens kennelijk prevaleren boven de diversiteit aan nationale belangen van de lidstaten om facultatief vrijstelling te verlenen voor de vaart op de binnenwateren. De verplichte vrijstelling151 gaat voor op de facultatieve vrijstelling voor baggerwerken in bevaarbare waterlopen en in havens152, omdat de bevoegdheid van de lidstaten om die facultatieve vrijstelling te verlenen geen invloed kan hebben op de communautaire draagwijdte van de verplichte vrijstelling voor de communautaire wateren.153 De manoeuvres van een zelfstandig varende hopperzuiger tijdens het opbaggeren en storten van de specie, dat wil zeggen de verplaatsingen die inherent zijn aan de uitvoering van baggerwerkzaamheden worden gerangschikt onder het begrip vaart in de zin van de Richtlijn energiebelastingen.154
Ten slotte zijn verplicht vrijgesteld energieproducten en elektriciteit ten behoeve van de elektriciteitsproductie en elektriciteit ten behoeve van de instandhouding van het elektriciteitsproductievermogen.155 Deze verplichte inputvrijstelling omvat naast aardgas ook andere energieproducten ten behoeve van de elektriciteitsproductie. De lidstaten kunnen ervoor kiezen deze energieproducten uit milieubeleidsoverwegingen toch te belasten zonder de minimumtarieven in acht te nemen. De belastingdruk die dat oplevert wordt niet meegeteld bij de berekening van de minimale belastingdruk op elektriciteit.156
4.9.10.12 Verplichte vrijstellingen elektriciteitsproductie, lucht- en scheepvaart
Naast de algemene bepalingen van de Accijnsrichtlijn verlenen de lidstaten voor de navolgende energieproducten vrijstelling van belasting, op voorwaarden die zij vaststellen met het doel een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen157:
1 energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit en elektriciteit die wordt gebruikt tot instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren (inputvrijstelling);
2 energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor andere luchtvaart dan particuliere plezierluchtvaart;
3 energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de vaart op communautaire wateren (met inbegrip van visserij) en niet voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen, en aan boord van een vaartuig opgewekte elektriciteit.
Ad 1. Deze zogenoemde inputvrijstelling omvat naast aardgas ook andere energieproducten ten behoeve van de elektriciteitsproductie. De lidstaten kunnen ervoor kiezen deze producten uit milieubeleidsoverwegingen niet vrij te stellen en aan belasting onderwerpen zonder inachtneming van de minimumtarieven. In dat geval wordt de op deze energieproducten geheven belasting niet in aanmerking genomen voor de inachtneming van het minimumtarief voor elektriciteit.158
Ad 2. Onder het begrip particuliere plezierluchtvaart wordt verstaan: het gebruik van een luchtvaartuig door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan handelsdoeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties. De lidstaten kunnen deze vrijstelling beperken tot leveringen van reactiemotorbrandstof (GN-code 2710 19 21).159
De particuliere plezierluchtvaart valt buiten de verplichte vrijstelling voor de bedrijfsmatige luchtvaart en komt niet in aanmerking voor andere faciliteiten uit hoofde van de Structuurrichtlijn minerale oliën of de Richtlijn energiebelastingen. Tien lidstaten (België, Denemarken, Frankrijk, Finland, Ierland, Italië, Malta, Portugal, het VK en Zweden) zijn echter door de Raad geautoriseerd omwille van specifieke beleidsoverwegingen van de gemeenschappelijk gebaande regels af te wijken. Deze toestemmingen zijn ter gelegenheid van de invoering van de Richtlijn energiebelastingen helaas niet vervallen maar juist gecodificeerd, in bijlage II en bijlage III van de Richtlijn energiebelastingen.
Om samenhang te brengen in het communautaire vervoers-, milieu- en belastingbeleid, heeft de EC al in 1996 voorgesteld om deze derogaties te doen vervallen en in 2000 aanzetten gegeven deze met de inwerkingtreding van de Richtlijn energiebelastingen te beëindigen.160 De EC wijzigt haar standpunt niet; deze derogaties creëren immers verstoringen in de interne markt, geven geen goede weergave van de negatieve externe kosten van transport en zijn in tegenspraak met de keuzes van de Raad die bij de vaststelling van de Richtlijn energiebelastingen zijn gemaakt. Het vervallen van de derogatie stuit bij de tien lidstaten op bezwaren: hoge administratieve lasten voor de sector (nieuwe infrastructuur om ervoor te zorgen dat belaste en vrijgestelde brandstof gescheiden worden verkocht) ter voorkoming van fraude (gebruik van brandstof voor zowel verwarmingsdoeleinden als voortbeweging), tanktoerisme en een negatief effect op de particuliere plezierluchtvaart. Dit zijn toch wel benedenmaatse bezwaren. Belastingheffing geeft altijd enige administratieve lasten, heeft altijd een effect en grensoverschrijdend winkelen is van alle tijden en plaatsen. De omstandigheid dat slechts tien van EU27 de uitzondering toepassen speelt het tanktoerisme juist in de kaart in plaats van dergelijk gedrag op een binnenmarkt onnodig te maken. De brandstof die door de particuliere plezierluchtvaart wordt gebruikt, is sedert 1993 aan accijns onderworpen. De tien lidstaten hebben daarom voldoende tijd gehad om in te spelen op de zich ontwikkelende opvattingen omtrent de tarieven. De invoering van belastingheffing zou geen bijzondere problemen mogen opleveren, omdat kleine lichte vliegtuigen een andere brandstof gebruiken dan straal- of passagiersvliegtuigen.
Derogaties hebben tot doel moeilijkheden die zich in het begin bij de tenuitvoerlegging van nieuwe wetgeving voordoen, het hoofd te bieden en als eigenschap in de tijd beperkt te zijn. Deze uitzonderingen zijn onvoldoende gemotiveerd en de instandhouding ervan is in strijd met het internemarktbeginsel.
Ad 3. Onder het begrip particuliere pleziervaartuigen wordt verstaan: vaartuigen die worden gebruikt door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan handelsdoeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties.161
Van oudsher kunnen de lidstaten deze vrijstelling ook van toepassing verklaren op de vaart op binnenwateren. De particuliere pleziervaart is evenwel uitdrukkelijk uitgesloten van de vrijstelling. Zes lidstaten (België, Frankrijk, Finland, Ierland, Malta en het VK) zijn gemachtigd om uit specifieke beleidsoverwegingen een belastingverlaging of -vrijstelling te verlenen voor brandstof voor de particuliere pleziervaart. Met haar evaluatie van de derogaties (2000) heeft de EC de aanzet gegeven tot de geleidelijke beëindiging van vijf van deze derogaties. De bovenstaande argumentatie tegen faciliëring van de particuliere plezierluchtvaart is naar analogie van toepassing op de particuliere pleziervaart. Het fraudegevaar bestaat in alle sectoren wanneer een enkele persoon één soort brandstof gebruikt voor uiteenlopende doeleinden waarvoor een verschillend accijnstarief geldt, zoals in de bouw en de land- en tuinbouw. Stekelig, maar terecht merkt de EC op dat de ervaringen van 21 lidstaten die op dit gebied niet van derogatie gebruik hebben gemaakt, zeer nuttig kan zijn.
Ad 2 en 3. De lidstaten kunnen deze vrijstellingen beperken tot het internationale en het intracommunautaire vervoer. Daarnaast kan een lidstaat die met een andere lidstaat een bilaterale overeenkomst heeft gesloten, de vrijstellingen opschorten. In dergelijke gevallen kunnen de lidstaten een lager belastingniveau dan het in deze richtlijn vastgestelde minimumniveau toepassen.162
Bestaande internationale verplichtingen en het behoud van de concurrentieposities van het communautaire bedrijfsleven maken het noodzakelijk de faciliteiten ten behoeve van de niet-recreatieve luchtvaart en -zeescheepvaart te laten voorbestaan.
Niettemin hebben de lidstaten zelf de mogelijkheid om deze te beperken.163
4.9.10.13 Raffinaderijvrijstelling
Het verbruik van energieproducten binnen een bedrijf dat energieproducten produceert, vormt geen belastbaar feit, indien dat verbruik bestaat uit binnen het bedrijf geproduceerde energieproducten (raffinaderijvrijstelling).164
Het verbruik van energieproducten als brandstof voor het vervaardigen van energieproducten moet blijken uit de administratie. Van dit verbruik moet opgave worden gedaan bij de accijnsaangifte.165
Als verbruik als brandstof voor het vervaardigen van minerale oliën wordt aangemerkt het verbruik voor de energielevering aan bijeenbehorende productie-installaties waar, anders dan door vermenging, ten minste 30% van de vervaardigde producten minerale oliën zijn. De inspecteur bepaalt na overleg met de vergunninghouder welke productie-eenheden tot een productielocatie kunnen worden gerekend. De als brandstof voor de energielevering ingezette minerale oliën kunnen bij voorrang worden toegerekend aan de energieafname van de bijeenbehorende productie-installaties.
Voor die toerekening wordt uitgegaan van een energiebalans per maand per productielocatie.
Een productielocatie kan zowel de afdeling minerale oliën als de petrochemische afdeling omvatten. Op basis van in overleg met de inspecteur te bepalen energie-equivalenten wordt een energiebalans opgesteld.166 In de energiebalans worden opgenomen de binnen de productielocatie opgewekte hoeveelheid energie en de hoeveelheid en de soort van de daartoe aangewende brandstoffen, alsmede de hoeveelheid afgegeven energie en alle productie-eenheden waaraan de energie is afgegeven, onderscheiden in die waarin in enigszins betekenende mate minerale oliën worden vervaardigd en andere productie-eenheden.167
De periode waarover moet worden beoordeeld of ten minste 30% van de in een bijeenbehorende productie-installatie vervaardigde producten bestaat uit minerale oliën, is het tijdvak waarover de accijns op aangifte moet worden voldaan. De opgave van de hoeveelheid als brandstof verbruikte minerale oliën moet plaatsvinden bij de aangifte van de in een tijdvak verschuldigde accijns. Om te kunnen vaststellen of deze hoeveelheid minerale oliën terecht niet wordt aangemerkt als uitslag, wordt het aangiftetijdvak genomen voor de beoordeling van het 30%-criterium.168
Vrijgesteld zijn ook minerale oliën die worden gebruikt voor de verwarming van opslagtanks waarin grondstoffen worden opgeslagen ten behoeve van de vervaardiging van minerale oliën. Deze uitzondering geldt nadrukkelijk niet voor minerale oliën die worden gebruikt voor de verwarming van opslagtanks waarin de vervaardigde minerale oliën worden opgeslagen, tenzij deze minerale oliën op zich weer dienen als grondstof voor de vervaardiging van andere minerale oliën. Ook geldt de uitzondering niet voor minerale oliën die binnen het belastingentrepot worden gebruikt voor de verwarming van gebouwen en werkplaatsen, of als motorbrandstof voor voertuigen op het terrein van het belastingentrepot.169
4.9.10.14 Opwekking elektriciteit
Voor energieproducten die worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit geldt een vrijstelling.170 Daartoe voorzien de Richtlijn energiebelastingen, de Wa en de Wbm door middel van een teruggaafregeling in een vrijstelling van accijns voor de relevante minerale oliën die worden ingezet voor de productie van elektriciteit: halfzware olie, gasolie en zware stookolie.171 Ingevolge de systematiek van de Wa strekt een vrijstelling van accijns voor – in dit geval fossiele – minerale oliën zich eveneens uit tot biobrandstoffen en andere plantaardige oliën, ook al worden deze niet expressis verbis genoemd. Brandstoffen waarvoor in de Wa geen tarief is vastgesteld, zoals bijvoorbeeld biobrandstoffen en andere plantaardige oliën, worden, wanneer deze als motor- of als verwarmingsbrandstof worden gebruikt, belast overeenkomstig de gelijkwaardige brandstof waarvoor wel een tarief is vastgesteld. Indien voor die gelijkwaardige brandstof een vrijstelling van toepassing is, is deze vrijstelling daardoor ook van toepassing op de biobrandstof. Indien voor de opwekking een gelijkwaardige biobrandstof wordt gebruikt, is deze dus eveneens vrijgesteld van accijns.
Teruggaaf van accijns wordt op verzoek verleend aan de elektriciteitsproducent, dat wil zeggen degene die de halfzware olie, gasolie en zware stookolie heeft gebruikt voor het opwekken van elektriciteit in een installatie met een vermogen van ten minste 20 MW, mits dit gebruik blijkt uit de administratie van de gebruiker.172
De ratio van deze vrijstelling is, dat het uiteindelijke energieproduct, in dit geval de opgewekte elektriciteit (de output), wordt belast en dat de energieproducten die worden gebruikt voor de vervaardiging van de elektriciteit, doorgaans aangeduid als de opwekking daarvan (de input) moeten worden vrijgesteld. Gerelateerd hieraan is ook het beginsel dat geen vrijstelling wordt verleend voor de input ingeval de elektriciteit niet wordt belast.173 De Richtlijn energiebelastingen bepaalt immers ook, dat de lidstaten kleine producenten van elektriciteit mogen vrijstellen van energiebelasting op elektriciteit op voorwaarde dat dan het energieproduct dat is gebruikt voor de opwekking wordt belast.174
Voorts geldt de teruggaafregeling voor de accijnzen van aardgas, elektriciteit en kolen gebruikt voor het opwekken van elektriciteit in een installatie met een elektrisch rendement van minimaal 30% en met een vermogen van ten minste 60 kW.175 Deze rendementseis is gelijkgesteld aan een gemiddeld gebruik van maximaal 12 megajoule per opgewekt kilowattuur. De rendementseis strekt ertoe alleen installaties met een enigszins serieuze elektriciteitsproductie in aanmerking te laten komen voor de teruggaaf ter vermijding van oneigenlijk gebruik. Voorts wordt voor kolen vrijstelling verleend ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die zodanig worden ingezet dat andere functies dan de brandstoffunctie aan de orde zijn. Bij andere functies kan gedacht worden aan de grondstoffunctie en de reductiefunctie. Ook is duaal gebruik van kolen vrijgesteld.176
4.9.10.15 Voortstuwing schepen en luchtvaartuigen
Teruggaaf van accijns wordt verleend voor de levering van energieproducten waarvoor aanspraak op een vrijstelling zou bestaan wegens gebruik voor de aandrijving van schepen, gebruik als scheepsbehoeften aan boord van schepen of gebruik voor de voortstuwing van luchtvaartuigen.177
De teruggaaf geschiedt aan degene die de levering heeft verricht.178
Voor luchtvaartuigen betreft het specifiek andere minerale oliën dan halfzware olie als bedoeld in GN-code 2710 19 21 (kerosine, reactiemotorbrandstof), als die olie is afgeleverd in de brandstoftanks van en is gebruikt voor de voortstuwing van luchtvaartuigen, andere dan plezierluchtvaartuigen.179 Geen teruggaaf wordt verleend voor minerale oliën die in Nederland in de brandstoftanks van luchtvaartuigen, niet zijnde militaire luchtvaartuigen180, zijn afgeleverd en die worden gebruikt voor de voortstuwing van die luchtvaartuigen gedurende een binnenlandse vlucht. Onder binnenlandse vlucht wordt verstaan een vlucht die begint en eindigt binnen Nederland zonder dat een luchthaven buiten Nederland wordt aangedaan.181 Hierbij gaat het voornamelijk om lichte olie (aviation gasoline) voor gebruik in kleinere propellervliegtuigen en LPG in de ballonvaart. Het karakter van de vluchten met deze luchtvaartuigen loopt uiteen. Voor deze brandstoffen geldt alleen de teruggaafregeling en geen vrijstelling zoals voor kerosine, omdat deze brandstoffen in tegenstelling tot kerosine veelvuldig wordt gebruikt voor pleziervluchten en binnenlandse vluchten, terwijl op het moment van levering van de brandstof daarover niet altijd duidelijkheid kan worden verkregen.
De teruggaaf houdt in, dat bij de uitslag uit het belastingentrepot de accijns volledig wordt geheven, maar dat degene op wiens naam het luchtvaartuig is geregistreerd deze accijns terug kan vragen als de brandstof is verbruikt voor andere doeleinden dan een pleziervlucht of binnenlandse vlucht.
De teruggaaf wordt op verzoek verleend aan de gebruiker, degene op wiens naam het luchtvaartuig is geregistreerd in het register voor burgerluchtvaartuigen.182 Teruggaaf van accijns wordt verleend indien en voor zover wordt aangetoond dat de brandstof is verbruikt voor een niet-binnenlandse vlucht of vlucht die een ander karakter heeft dan een pleziervlucht.183