Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/6.5.2
6.5.2 De strekking van het uitkooprecht per soort
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS598858:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 3, p. 48-49.
Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en Raad betreffende het openbaar overnamebod, Brussel 2 oktober 2002, COM (2002) 534, p. 4; Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 3, p. 48.
Commissie-Winter (2002a), p. 501.
Gower/Davies (2012), p. 1091; Dignam/Lowry (2012), nr. 5.23; Mayson/French/Ryan (2012), p. 241.
Anders Hermans (2002), p. 501; Norbruis (2005), p. 51; Olden (2008a), p. 841. Hermans noemt de invoering van het uitkooprecht per soort een ‘grote verbetering’. De praktijk heeft hier volgens hem behoefte aan, mede omdat een bieder niet altijd alle soorten aandelen in een vennootschap wil verkrijgen. Daarnaast kan de bieder in het geval van een vijandig bod direct een uitkoopprocedure starten, zonder eerst de beslechting van de beschermingsmaatregel in de vorm van preferente aandelen te moeten afwachten. Zoals gezegd, acht ik dit argument onvoldoende voor de rechtvaardiging van de gedwongen overdracht van aandelen.
De dertiende EG-richtlijn geeft de lidstaten in art. 15 lid 3 de keuze om binnen hun rechtssysteem het uitkooprecht per soort aandeel in te voeren. De Nederlandse wetgever motiveert niet waarom zij voor de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt.1
Het uitkooprecht per soort is mede op aanbeveling van de commissie-Winter in de richtlijn opgenomen.2 Het is volgens de commissie bedoeld voor een meer proportionele toepassing van de uitkoopregeling. Zij acht het onwenselijk dat een meerderheidsaandeelhouder die enkel de houders van een bepaalde soort wil uitkopen, hiervoor ten aanzien van het gehele kapitaal aan de uitkoopdrempel moet voldoen.
De commissie beschouwt het evenmin wenselijk indien de minderheid binnen een afzonderlijk soort, waarvan de meerderheidsaandeelhouder niet aan het kapitaal-vereiste voldoet, uitgekocht kan worden.3 Anders gezegd, het uitkooprecht per soort maakt het eenvoudiger om alle aandelen van een bepaalde soort te verkrijgen, zonder dat dit ten koste gaat van de rechten van de houders van andere soorten aandelen.
Aan het uitkooprecht per soort in het Verenigd Koninkrijk ligt een vergelijkbare gedachte ten grondslag. De uitkoopregeling heeft, anders dan in Nederland, voornamelijk tot doel om overnames te vereenvoudigen.4 De bieder kan na een geslaagd bod relatief eenvoudig de resterende aandelen verkrijgen. Om deze reden is voor toepassing van de regeling ook een voorafgaand bod vereist en is de ontvankelijkheidsdrempel gekoppeld aan de acceptatiegraad van dat bod. Het uitkooprecht per soort past goed binnen dit systeem. Het Verenigd Koninkrijk kent mede om deze reden een lagere uitkoopdrempel dan Nederland (§ 6.3.2 sub a).
De Nederlandse uitkoopregeling kent een ander uitgangspunt, waardoor een uitkooprecht per soort naar mijn mening niet gerechtvaardigd is. De regeling is bedoeld om de nadelen van een aanwezige minderheid weg te nemen. Hierin ligt ook de rechtvaardiging van de gedwongen overdracht van aandelen (§ 4.2.2). Deze nadelen blijven echter bestaan indien de uitkoper slechts alle aandelen van een bepaalde soort verkrijgt. Het enkele argument om overnames te vereenvoudigen, is niet voldoende zwaarwegend om een minderheid zijn aandelen te ontnemen. Ook het argument over bescherming van de minderheid, acht ik niet sterk. De minderheidsaandeelhouder geniet reeds voldoende bescherming doordat de uitkoopdrempel op een percentage van 95 ligt. Het uitkooprecht per soort zorgt niet voor wezenlijk meer bescherming. De wetgever dient de bepaling in art. 2:359c lid 2 BW dan ook te schrappen.5