Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.5.2.1
7.5.2.1 Onderscheid tussen passieve(re) verhuur, actieve(re) verhuur en verhuur plus
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291567:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-326/99, BNB 2002/396, m.nt. Bijl, r.o. 52 (Stichting Goed Wonen I) en HvJ EG 18 november 2004, zaak C-284/03, V-N 2005/21.22, r.o. 20 (Temco Europe). Het onderscheid tussen passieve en actieve exploitatie lijkt te zijn ontleend aan de conclusie van A-G Jacobs van 25 september 1997, zaak C-346/95, ECLI:EU:C:1997:432, punten 15 en 16 (Blasi). Zie: M.D.J. van der Wulp, ‘Btw-vrijstelling verhuur in corrigerend licht’, BtwBrief 2014/57, p. 4.
M.D.J. van der Wulp, ‘Btw-vrijstelling verhuur in corrigerend licht’, BtwBrief 2014/57, p. 4.
Anders: W.A.P. Nieuwenhuizen, ‘Is het huur of iets anders?’, Vastgoed Fiscaal & Civiel 2006/5-6, p. 22 en W.A.P. Nieuwenhuizen, ‘Wat is verhuur?’, Belastingbrief 2007/4-4.
HvJ EG 12 februari 1998, zaak C-346/95, V-N 1998/28.24, r.o. 19 (Blasi) en HvJ EG 3 februari 2000, zaak C-12/98, ECLI:EU:C:2000:62, r.o. 10 en 14 (M. Amengual Far/J. Amengual Far).
Zie voor deze redenering: Redactie V-N, aantekening bij HvJ EU 19 december 2018, zaak C-17/18, V-N 2019/7.14 (Mailat), Cornielje, noot bij HvJ EU 19 december 2018, zaak C-17/18, FED 2019/106 (Mailat) en Merkx, noot bij HvJ EU 19 december 2018, zaak C-17/18, BNB 2019/48 (Mailat).
Met het element tijdsduur in de definitie van het uniebegrip verhuur is, zoals in paragraaf 7.4.3.3 is aangegeven, door het Hof van Justitie beoogd om een onderscheid te maken tussen de verhuur van onroerend goed, dat in de regel een betrekkelijk passieve activiteit is, die enkel verband houdt met het tijdsverloop en geen toegevoegde waarde van betekenis oplevert, en andere activiteiten die ofwel een zakelijk-industrieel en commercieel karakter hebben, zoals de uitzonderingen van art. 135 lid 2 Btw-richtlijn (zie paragraaf 7.6), ofwel een activiteit tot voorwerp hebben dat beter wordt gekarakteriseerd door het verrichten van een andere prestaties dan de enkele terbeschikkingstelling van een onroerend goed (verhuur plus).1 In wezen betreft dit een onderscheid tussen (verhuur)activiteiten van beleggers enerzijds en ondernemers anderzijds.2 Of anders gezegd: een onderscheid tussen bedrijfsmatige en niet-bedrijfsmatige verhuur van onroerend goed.
Uit het door het Hof gemaakte onderscheid tussen de passieve(re) verhuur van onroerend goed enerzijds en de actievere exploitatie van onroerend goed als bedoeld in art. 135 lid 2 Btw-richtlijn volgt naar mijn mening niet dat laatstgenoemde diensten geen verhuurdiensten zijn.3 Het zijn wel verhuurdiensten, maar met een ander, actiever karakter dan de betrekkelijk passieve verhuur van onroerend goed door een belegger waarvoor de vrijstelling volgens het Hof van Justitie is bedoeld (zie paragraaf 7.3). Het zou immers zinledig zijn om deze diensten in art. 135 lid 2 Btw-richtlijn uit te zonderen van de ‘verhuurvrijstelling’ indien deze diensten geen verhuurdiensten zouden zijn. Ook het Hof van Justitie beschouwt de in art. 135 lid 2 Btw-richtlijn genoemde diensten als diensten die van de verhuurvrijstelling uitgezonderd zijn.4 Het is naar mijn mening daarom niet zuiver – want een a contrario redenering – om uit de kwalificatie als een verhuurdienst te concluderen dat sprake is van een passieve(re) verhuurdienst.5 Het voorgaande betekent dat het Hof van Justitie in zijn jurisprudentie drie situaties onderscheidt: passieve(re) verhuur, actieve(re) verhuur en verhuur plus. In onderstaande figuur is dit schematisch weergegeven.