Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/6.4.1
6.4.1 Nieuw systeem
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS596742:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kosten zijn bijvoorbeeld de vaste kantoorkosten, telefoonkosten, reiskosten en kopieerkosten. Het ereloon betreft de gemaakte arbeidsuren.
Slechts een verwaarloosbare ' rechtsplegingsvergoeding' voor bepaalde materiële handelingen kon op grond van art. 1022 (oud) Gerechtelijk Wetboek verhaald worden (zie bijbehorend K.B. van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het gerechtelijk wetboekwaarin bedragen werden genoemd verhaald worden. Zie Sagaert & Samoy 2007, p. 675; landenrapport (Oxford; academic; Sagaert & Samoy) België, p. 6; Faure, Fernhout & Philipsen 2009, p. 40.
Sagaert & Samoy 2007, p. 1. In de eerste voetnoot staat een uitgebreid overzicht van literatuur over de aanleiding en totstandkoming van de nieuwe wet.
Hof van Cassatie 2 september 2004, RW 2004-2005, 535. Twee jaar later werd hetzelfde geoordeeld over advocatenkosten van gelaedeerden bij buitencontractuele aansprakelijkheid (Hof van Cassatie 16 november 2006, RW 2006-2007, 1128).
Dit is een vergelijkbare situatie als de Nederlandse vergoeding van buitengerechtelijke kosten conform art. 6:96 lid 2 sub b en c BW.
Grondwettelijk Hof 19 april 2006, RW2005-2006, 1614, en Grondwettelijk Hof 14 juni 2006, RW 2006-2007, 38. Zie voor een uitgebreide beschrijving van deze voorgeschiedenis Sagaert & Samoy 2007, p. 675-681.
Uiteindelijk heeft men voortgebouwd op het Wetsvoorstel betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (Parl. St. Senaat 2005-06, 3-1686), maar dit werd zo grondig geamendeerd dat van het oorspronkelijke voorstel weinig meer over is.
Zie met name het uitgebreide Verslag van de Senaat (Parl St. Senaat 2005-2006, 3-1686/5), waarin ook de adviezen van de Hoge Raad voor de Justitie en de Raad van State worden besproken.
K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, B.S. 9 november 2007, p. 56837.
Wel wordt rekening gehouden met verstek en met het direct inwilligen van een eis, zie artikel 1 en 6 van het Besluit.
Uitgezonderd de niet op geld waardeerbare vorderingen; daarbij liggen de bedragen verder uit elkaar.
Art. 1017 Ger.W. noemt overigens de uitzonderingen van de familiale band tussen partijen en het gedeelde ongelijk: net als in Nederland kan de rechter in die gevallen compenseren. In de overige gevallen wordt de partij met het ongelijk in beginsel in de kosten veroordeeld (al maakt het artikel een voorbehoud voor ' bijzondere wetten die anders bepalen' .
De andere factoren zijn de financiële draagkracht van de verliezende partij, de complexiteit van de zaak en de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij.
Vredegerecht Overijse-Zaventem 21 mei 2008, RW 2008-2009, 302.
Rechtbank van Koophandel Antwerpen 13 maart 2009, RW 2009-2010, 809.
O.a. Sagaert & Samoy 2007, p. 690-691.
Zie Dirix 2008, p. 41-42.
Dit verzoek werd overigens afgewezen, op sommigen punten op voorwaarde van een bepaalde wetsuitleg. Grondwettelijk Hof 18 december 2008, RW2008-2009, 29. Nadien heeft de wetgever nog enkele andere onduidelijkheden willen verhelpen, zoals de tarieven in het geval van pluraliteit van vorderingen en/of procespartijen. Zie Voet 2011 en daarin opgenomen verwijzingen naar de Belgische parlementaire voorbereidingen.
Zie overweging B.10.2.
Lamine, Schoenaerts & Vaes 2003, p. 183-200.
Lamine, Schoenaerts & Vaes 2003, p. 183. Zie ook Faure, Fernhout & Philipsen 2009, p. 41-42, over de niet-dekkende forfaitaire rechtsplegingsvergoeding en de toegang tot het recht.
Conform art. 780bis Ger.W. Vóór 2007 was een dergelijke boete alleen in hoger beroep mogelijk, op grond van het geschrapte 1072bis Ger.W., waarover ook Wagner 2007, p. 532 e.v.
Per 1 januari 2008 geldt bij onze zuiderburen een nieuwe wettelijke regeling, op grond waarvan de winnaar van de procedure recht heeft op een forfaitaire tegemoetkoming in de 'kosten en erelonen'1 van zijn advocaat, ten laste van de verliezer. Voor 2008 gold in België feitelijk de 'American rule', waarbij in beginsel alleen de gerechtskosten exclusief de erelonen voor vergoeding in aanmerking kwamen.2 Slechts bij een 'tergend of roekeloos geding', vergelijkbaar met het Nederlandse misbruik van procesrecht, kon de wederpartij een schadevergoeding krijgen waarin ook het ereloon van de advocaat werd meegenomen.3
Dit systeem ging op de helling nadat het Hof van Cassatie in 2004 oordeelde dat de noodzakelijk gemaakte advocatenkosten een onderdeel kunnen zijn van de schadevergoeding die verschuldigd is op grond van niet-nakoming van een contract.4 Daardoor zouden slechts de winnende eisers in aansprakelijkheids-zaken hun advocatenkosten vergoed krijgen, terwijl de winnende gedaagden in die zaken en partijen in andersoortige zaken daar geen recht op zouden hebben.5 Volgens de literatuur was dit in strijd met de beginselen van gelijkheid en nondiscriminatie en uiteindelijk oordeelde ook het Grondwettelijk Hof dat de wetgever deze situatie moest repareren wegens strijd met de artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet.6 De Belgische Senaat pikte dit snel op en er werden drie verschillende wetsvoorstellen opgesteld.7 In de parlementaire discussie over het nieuw te ontwerpen systeem was vrijwel iedereen het er over eens dat de vergoeding van advocatenkosten in het procesrecht moest worden vastgelegd (dus niet in het materiële, burgerlijke recht). Meer onenigheid was er over aspecten als toegang tot het recht, de afweging tussen voorspelbaarheid en billijk maatwerk, het voorkomen van geschillen binnen het geschil en over de rol die het proces-rechtsmisbruik en het tergende en roekeloze geding in het nieuwe systeem moesten gaan innemen.8
Uiteindelijk is de basis voor de vernieuwde rechtsplegingsvergoeding opgenomen in het Gerechtelijk Wetboek, tussen de bestaande kostenbepalingen. Dit artikel 1022 Ger.W. bepaalt dat de kosten van de advocaat conform een tarief-schaal worden berekend. Het artikel noemt die tarieven zelf niet, maar bepaalt dat deze worden vastgesteld bij Koninklijk besluit, na overleg met de verschillende Ordes van Advocaten.9 Dit levert een systeem op dat enigszins lijkt op het Nederlandse liquidatietarief.
Er zijn echter enkele relevante verschillen. Zo zijn de Belgische bedragen niet gekoppeld aan de soort en het aantal proceshandelingen (men kent dus geen tariefpunten), maar slechts aan de hoogte van de vordering.10 Ook is er geen verschil tussen de tarieven in eerste aanleg en in hoger beroep. Het Belgische tarief kent verder per categorie niet alleen een basisbedrag, maar ook een minimumbedrag en een maximumbedrag. Het maximumbedrag is meestal ongeveer het dubbele van het basisbedrag.11
In tabel 6.1 staan de bedragen zoals die volgen uit het besluit, na de indexatie op 1 maart 2011.
Zaaksbelang in euro's
Basis
Minimum
Maximum
< 250,00
€ 165
€ 82,50
€ 330
250,01 - 750,00
€ 220
€ 137,50
€ 550
750,01 - 2.500,00
€ 440
€ 220
€ 1.100
2.500,01 - 5.000,00
€ 715
€ 412,50
€ 1.650
5.000,01 - 10.000,00
€ 990
€ 550
€ 2.200
10.000,01 - 20.000,00
€ 1.210
€ 687,50
€ 2.550
20.000,01 - 40.000,00
€ 2.200
€ 1.100
€ 4.400
40.000,01 - 60.000,00
€ 2.750
€ 1.100
€ 5.500
60.000,01 - 100.000,00
€ 3.300
€ 1.100
€ 6.600
100.000,01 - 250.000,00
€ 5.500
€ 1.100
€ 11.000
250.000,01 - 500.000,00
€ 7.700
€ 1.100
€ 15.400
500.000,01 - 1.000.000,00
€ 11.000
€ 1.100
€ 22.000
> 1.000.000,01
€ 16.500
€ 1.100
€ 33.000
Niet op geld waardeerbaar
€ 1.320
€ 82,50
€ 11.000
Het is de bedoeling dat de rechter in beginsel het basisbedrag als rechtsplegingsvergoeding in rekening brengt aan de partij met het ongelijk,12 maar op grond van een viertal factoren die genoemd staan in artikel 1022 Ger.W. mag de rechter gemotiveerd naar beneden of boven afwijken, mits hij daarbij niet het vastgestelde minimum- of maximum overschrijdt.
Eén van die factoren is 'het kennelijk onredelijk karakter van de situatie'.13 Omdat deze norm tamelijk nieuw is, is deze nog niet helemaal uitgekristalliseerd in de rechtspraak, maar er is al wel een aantal keren een invulling aan gegeven. Zo wees het Vredegerecht te Overijse-Zaventem het maximumtarief toe in een zaak waarin een reisorganisator had nagelaten om eisers op de hoogte te stellen van een vervroegde terugvlucht. Toen eisers daarvoor een vergoeding vroegen, heeft de reisorganisatie geweigerd om op brieven te antwoorden en onduidelijkheid veroorzaakt over de vraag of nu de Nederlandse of de Belgische vestiging contractspartij was. De ' totaal klantonvriendelijke houding' gaf de rechter aanleiding om het maximumtarief toe te passen.14
In een andere zaak speelde een probleem dat ook in de interviews onder Nederlandse rechters soms naar voren kwam met betrekking tot de substantië-ringsplicht. In de dagvaarding wordt gesteld dat de wederpartij niet heeft geprotesteerd tegen de factuur en niet heeft gereageerd op ingebrekestellingen. Tijdens de procedure blijkt echter dat wel degelijk is geprotesteerd. De rechtbank straft dit af met het maximumtarief, want dit is 'kennelijk niet de houding van een normaal zorgvuldig eisende partij' .15
Na de inwerkingtreding was er op sommige punten nog onduidelijkheid. Een voorbeeld daarvan was de verhouding tussen de voormalige volledige vergoeding van advocatenkosten bij procesrechtsmisbruik (tergend en/of roekeloos geding) op grond van artikel 1382 Belgisch Burgerlijk Wetboek, het algemene artikel van de onrechtmatige daad, en de nieuwe rechtsplegingsvergoedingen met forfaitaire maxima. Sommige auteurs meenden dat slachtoffers van procesrechtsmisbruik bovenop het forfaitaire maximum op grond van artikel 1022 Ger.W. nog een aanvullende schadevergoeding konden eisen met artikel 1382 B.W. als grondslag, waarin ook de niet-vergoede advocatenkosten konden worden meegenomen.16 Andere auteurs meenden dat dit was uitgesloten.17 Het Grondwettelijk Hof hakte deze en andere knopen door in een zaak waarin enkele vakbonden en -organisaties verzochten om de gehele nieuwe kostenwet te vernietigen wegens inbreuken op onder andere de toegang tot de rechter en het recht op juridische bijstand.18 Met betrekking tot de samenloop van de forfaitaire rechtsplegingsvergoeding met schadevergoeding wegens procesrechtsmisbruik oordeelde het Hof dat het slachtoffer 'de vergoeding [kan] verkrijgen van alle elementen van zijn schade, waarbij alleen het deel daarvan dat overeenstemt met de kosten en erelonen van zijn advocaat, op forfaitaire wijze ten laste moet worden genomen. '19 Dit betekent dat een aanvullende vergoeding van advocatenkosten niet mogelijk is en het forfaitaire maximum dus het absolute plafond is.
De andere schade-elementen waar het Hof over spreekt zijn volgens de literatuur: het ereloon van de deskundige, tijdverlies, reis- en verplaatsingskosten, kopieer- en dossierkosten, immateriële schade ('morele schade') door de zorgen en aantasting van de goede naam die een proces meebrengen en de aantasting van de kredietwaardigheid.20 De betekenis van het procesrechtsmisbruik is dus niet helemaal verloren gegaan, maar het werkelijke ereloon van de advocaat was normaliter wel de grootste schadepost.21 Het Hof oordeelt echter dat proces-rechtsmisbruik voldoende afgeschrikt wordt door de andere schadeposten én door de mogelijkheid die de Belgische rechter heeft om een partij een geldboete van maximaal 2.500 euro op te leggen, wanneer 'die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden.'22