Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.1.3.2
7.6.1.3.2 Toerusting voor kort verblijf
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291152:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 januari 2007, nr. 41.917, BNB 2007/153, m.nt. Bijl, r.o. 3.5.
Bijl, noot bij HR 26 januari 2007, nr. 41.917, BNB 2007/153.
HR 26 januari 2007, nr. 41.917, BNB 2007/153, m.nt. Bijl, r.o. 3.4 en 3.5.
Het woord ‘toerusten’ betekent: “voorzien van wat nodig is voor een bepaald doel” (Groot woordenboek van de Nederlandse taal, Dikke Van Dale online, geraadpleegd op 29 maart 2021).
De Hoge Raad heeft niet alleen duidelijk gemaakt dat voor de toepassing van art. 11 lid 1, onderdeel b, 2° Wet OB niet vereist is dat bijkomende diensten worden verstrekt (zie paragraaf 7.6.1.3.1). Hij heeft ook geoordeeld dat het redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is (lees: een acte clair) dat het gemeenschappelijke kenmerk van de in (thans) art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn bedoelde accommodaties veeleer hierin bestaat dat het gaat om ‘verblijfsruimten die zijn toegerust om daarin kort te verblijven zonder dat de tijdelijke bewoner is belast met de zorg voor de inventaris’. Indien zulke verblijfsruimten niet ter beschikking worden gesteld in het kader van het hotelbedrijf, maar wel in concurrentie wordt getreden met hotelbedrijven, dan is naar het oordeel van de Hoge Raad sprake van vergelijkbaarheid van een accommodatieverstrekking met die welke plaatsvindt in het hotelbedrijf.1
Bijl merkt op dat dit criterium niet veel anders betekent dan dat het gemeubileerde verblijfsruimte moet zijn.2 Voor die uitleg pleit dat de Hoge Raad niet spreekt van ‘verblijfsruimte om aldaar kort te verblijven’, maar van ‘verblijfsruimte om daarin kort te verblijven’. Ook het spreken over ‘het niet belast zijn van de tijdelijke bewoner met de zorg van de inventaris’ duidt op de door Bijl voorgestane uitleg. Toch betwijfel ik of de Hoge Raad die uitleg heeft bedoeld. Wordt van die uitleg uitgegaan dan zou het verhuren van een standplaats op een kampeerterrein niet onder art. 11 lid 1, onderdeel b, 2° Wet OB vallen, terwijl de Hoge Raad in dit arrest expliciet overweegt dat uit art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn volgt dat ‘het als het verstrekken van accommodatie aangemerkte verschaffen van verhuuraccommodatie op kampeerterreinen’ hieronder valt.3 Het criterium dat de Hoge Raad hanteert is naar mijn mening ook minder dwingend dan Bijl stelt. De Hoge Raad hanteert het woord ‘veeleer’. Dit doet de Hoge Raad na de afwijzing van het verstrekken van bijkomende diensten als gemeenschappelijk kenmerk van de in (thans) art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn bedoelde accommodaties. De Hoge Raad heeft naar mijn mening dan ook slechts duidelijk willen maken dat het een acte clair is dat het gemeenschappelijke kenmerk van de in art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn bedoelde accommodaties eerder ligt in de toerusting van de verblijfsruimte voor het kortdurende verblijf zonder dat de tijdelijke bewoner belast is met de zorg voor de inventaris dan in het verstrekken van bijkomende diensten.
Dat de verblijfsruimte voor het kortdurende verblijf toegerust moet zijn betekent op grond van het spraakgebruik dat de voorzieningen die nodig zijn voor het korte verblijf aanwezig zijn.4 Welke voorzieningen er nodig zijn, kan per accommodatie (aanzienlijk) verschillen. Voor het korte verblijf op een kampeerterrein zijn nu eenmaal andere (en veelal minder) voorzieningen nodig dan voor een kort verblijf in een hotel of appartement. Het is buiten kijf dat bij de verhuur van een standplaats op een kampeerterrein geen sprake is van ‘een verblijfsruimte die is toegerust om daarin kort te verblijven zonder dat de tijdelijke bewoner belast is met de zorg voor de inventaris’. Omdat de Hoge Raad niet heeft geoordeeld dat de in art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn bedoelde accommodatie aan dit gemeenschappelijke kenmerk moet voldoen, maar slechts heeft geoordeeld dat deze accommodaties eerder dit kenmerk gemeenschappelijk hebben dan het kenmerk bijkomende diensten, meen ik dat het oordeel van de Hoge Raad ruimte laat voor een richtlijnconforme uitleg van art. 11 lid 1, onderdeel b, 2° Wet OB. Op grond van die uitleg is het niet noodzakelijk dat sprake is van de verhuur van een gemeubileerde verblijfsruimte, maar is vereist dat de verblijfsruimte toegerust is voor het betreffende kortdurende verblijf. Hierdoor kan ook de verhuur van een standplaats op een kampeerterrein onder art. 11 lid 1, onderdeel b, 2° Wet OB gerangschikt worden. De mogelijkheid van een richtlijnconforme uitleg laat onverlet dat het door de Hoge Raad geformuleerde ‘gemeenschappelijke kenmerk van de in art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn bedoelde accommodaties’ aan duidelijkheid te wensen overlaat. Op grond van de rechtszekerheid acht ik het daarom wenselijk dat de Hoge Raad zijn formulering in voormelde zin verduidelijkt.