Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/3.3.5:3.3.5 De termijn voor het doen van aangifte
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/3.3.5
3.3.5 De termijn voor het doen van aangifte
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS441133:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit betreft een uitstelregeling voor belastingconsulenten. Om hier ten behoeve van hun cliënten gebruik van te kunnen maken, moeten zij zich bij de Belastingdienst laten registeren. Zie: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/intermediairs/aangifte_doen/uitstelregeling_belastingconsulenten/uitstelregeling_belastingconsulenten.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de onderlinge vergelijking van de heffingsmethoden kan verder worden gekeken naar de termijnen die gelden voor het doen van aangifte. Voor de aanslagbelastingen is dit geregeld in artikel 9, lid 1, AWR. Dit bepaalt dat de aangifte binnen een door de inspecteur gestelde termijn moet worden gedaan. Het gaat daarbij al sinds de invoering van de AWR in 1959 om een wettelijke termijn van ten minste een maand na het uitnodigen tot het doen van aangifte.
Voor de aangiftebelastingen ligt de basis voor de termijn voor het doen van aangifte in artikel 10, lid 2, AWR. Daarbij moet formeel onderscheid worden gemaakt tussen over een tijdvak verschuldigd geworden belastingen en op een tijdstip verschuldigd geworden belastingen. Dat laat onverlet dat zowel in het geval van een zogenoemde tijdvakbelasting of een tijdstipbelasting binnen een termijn van ten minste één maand na het desbetreffende tijdvak dan wel tijdstip aangifte moet worden gedaan. Dat geldt al zo sinds de invoering van de AWR (destijds artikel 10, lid 2, AWR juncto 19, leden 1 en 3, AWR).
Als het een belastingplichtige niet lukt om de aangifte binnen de door de Belastingdienst gestelde termijn in te dienen, kan hij uitstel aanvragen (artikel 9, lid 2, AWR en artikel 10, lid 3, AWR). Deze mogelijkheid bestaat voor beide heffingsmethoden al sinds de invoering van de AWR. De belastingplichtige moet dit uitstel aanvragen vóór de uiterste datum (door de Belastingdienst gesteld) waarop de aangifte moet zijn ingeleverd. Dat kan digitaal, telefonisch en schriftelijk. De AWR schrijft niet voor hoeveel uitstel wordt verleend, dat is aan de Belastingdienst om te bepalen. De algemene werkwijze daaromtrent is te vinden op de website van de Belastingdienst. Voor de inkomsten- en de vennootschapsbelasting wordt in de regel uitstel verleend voor een periode van vijf maanden. Voor de aangifte omzetbelasting en de aangifte loonheffing kan een belastingplichtige alleen in uitzonderlijke situaties uitstel krijgen. Er moet dan sprake zijn van een ernstige calamiteit.1 Naast de mogelijkheid voor belastingplichtigen om uitstel aan te vragen, bestaat er nog een speciale uitstelregeling voor fiscaal adviseurs (de zogenoemde BECON-regeling).2 Zij kunnen de aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting van hun cliënten gespreid over het jaar inleveren aan de hand van een door de Belastingdienst vastgesteld inleverschema.