Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/3.3.6
3.3.6 De verzwaring van de bewijslast
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS446019:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De vereiste aangifte is niet gedaan als de belastingplichtige de aan hem opgelegde aangifteverplichting niet nakomt. Daarnaast is geen sprake van de vereiste aangifte als de aangifte op formeel onjuiste wijze is ingevuld (bijvoorbeeld niet ondertekenen of niet alle vragen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud invullen). Van de vereiste aangifte is ook geen sprake als deze wezenlijke inhoudelijke gebreken vertoont. Voor de inkomstenbelasting betekent dat bijvoorbeeld dat als wordt vastgesteld (op basis van de normale regels van stelplicht en bewijslast) dat sprake is van een of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Daarnaast is vereist dat het bedrag dat als gevolg van de hiervoor genoemde gebreken niet zou zijn geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven (vergelijk HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47). Bij de beoordeling van een en ander moet worden uitgegaan van het te betalen bedrag aan belasting na verrekening van eventuele voorheffingen en heffingskortingen (vergelijk HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:17, BNB 2015/52).
Niet van belang is of de informatiebeschikking is genomen vanwege een schending van de inlichtingenverplichtingen of in verband met een schending van de administratieplicht. Uit de jurisprudentie komt wel naar voren dat rechters bij een administratie waaraan zodanig ernstige gebreken kleven dat dit niet meer kan worden hersteld, zij geen nieuwe termijn geven voor het alsnog voldoen aan de in de informatiebeschikking bedoelde verplichtingen. Bij een schending van de inlichtingenverplichtingen wordt een dergelijke termijn in de regel wel gegeven.
Zie in dit verband ook de conclusie van Advocaat-Generaal IJzerman, 8 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:231, V-N 2018/20.4, onderdeel 5.14, waarin hij erop wijst dat de vereisten voor het niet-doen van de vereiste aangifte gelden voor zowel aanslag- als aangiftebelastingen.
Het huidige artikel 25, lid 3, en artikel 27e, lid 1, AWR bevatten een processuele sanctie die inhoudt dat de aanslag in bezwaar en beroep wordt gehandhaafd, tenzij blijkt (de belastingplichtige moet dit dus overtuigend aantonen) dat de aanslag onjuist is. Ten tijde van de invoering van de AWR was dit geregeld in artikel 25, lid 3 en artikel 29, lid 2, AWR. De processuele sanctie wordt toegepast als (1) de vereiste aangifte1 niet is gedaan of als (2) sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, AWR.2 De omkering en verzwaring van de bewijslast wordt toegepast in geval sprake is van een aantal in de wet genoemde gevallen (bezwaar tegen een aanslag, een navorderingsaanslag, een naheffingsaanslag of een beschikking). Op dit punt is er aldus geen verschil tussen de heffingsmethoden.3