De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/4.4.3:4.3 Overleg
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/4.4.3
4.3 Overleg
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS384015:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 3, nr. 2.2.
Rood/Verburg p. 266. Slagter 1981 zag dit als een machteloze kreet van de Nederlandse wetgever, waarvan de buitenlandse bestuurder zich niets behoeft aan te trekken. Van Mierlo meent dat de wettelijke regeling over de aanwezigheid van commissarisssen van de ondernemer en van bestuurders van aandeelhouders ontoereikend is (Van Mierlo 2013, p. 156).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Nederlandse ondernemingsraad lijkt weinig juridische middelen te hebben om overleg met (vertegenwoordigers van) de leiding van het buitenlandse internationale concern te faciliteren of zelfs te forceren. In hoofdstuk 3 beschreef ik de aanwezigheidsplicht van commissarissen en bestuurders van de moedervennootschap bij overlegvergaderingen met de ondernemingsraad zoals onder meer geregeld in artikel 24 lid 2 WOR.1 Die plicht is in beginsel ook van toepassing op functionarissen van buitenlandse rechtspersonen, voor zover deze een positie bekleden die vergelijkbaar is met die van een Nederlandse commissaris of bestuurder.2 De wetgever heeft duidelijk gemaakt dat, indien de moedermaatschappij in het buitenland is gevestigd, bestuurders daarvan niet gedwongen kunnen worden op de overlegvergadering te verschijnen. Binnen buitenlandse concerns bestaat evenmin een praktijk waarin het gebruikelijk is de verhouding tussen de (strategische) besluitvorming van de concernleiding en de medezeggenschap in de Nederlandse dochtervennootschap te regelen in een convenant. In de praktijk is hier een verschil zichtbaar tussen vanuit Nederland geleide concerns (waar deze bereidheid vaak wel bestaat) en buitenlandse internationale concerns. De informatievoorziening vanuit de concernleiding is bij die laatste minder vastomlijnd en verloopt vaak aan de hand van concrete besluiten.
In de praktijk wordt door het bestuur van de Nederlandse dochter wel gepoogd een goede relatie met de ondernemingsraad op te bouwen, onder andere door hem met regelmaat te voorzien van de informatie over het concernbeleid (soms meer dan wettelijk verplicht is) en door het voeren van overleg daarover. Daarvoor is wel nodig dat het Nederlandse bestuur de concernstrategie voldoende kent en deze mag delen met de ondernemingsraad; dat is niet altijd het geval. In die situaties komt het voor dat het bestuur van de dochter een beroep doet op de Nederlandse medezeggenschapswetgeving om zo de concernleiding ertoe te bewegen de informatie te verschaffen die het mogelijk maakt om het overleg met de raad te voeren.
Een dergelijke benadering levert het bestuur van de dochter vooral wat op wanneer sprake is van een concreet strategisch besluit – zoals een reorganisatie of bezuinigingsoperatie – waarvan het bestuur zelf over onvoldoende gedetailleerde informatie beschikt, terwijl advies van de ondernemingsraad benodigd is. In die gevallen zal de buitenlandse concernleiding, daartoe aangespoord door extern juridisch advies, eerder genegen zijn het lokale bestuur te voorzien van de gegevens die nodig zijn om de strategie uit te leggen. De ondernemingsraad kan dit proces verscherpen door concrete vragen te stellen, bijvoorbeeld over het strategisch plan, de berekeningen en de prognoses die aan het besluit ten grondslag liggen. Zo lijken de medezeggenschapsrechten van werknemers vooral nut te hebben om het Nederlandse bestuur te voorzien van informatie over de internationale concernstrategie en de internationale leiding te dwingen na te denken over de beweegredenen achter haar beslissingen.
De waarde van de medezeggenschap voor de internationale concernleiding ligt in het kanaliseren van het overleg met de werknemers via de ondernemingsraad: hij neemt in wezen een besluit namens de achterban. Wanneer het om de sociale gevolgen van dat proces gaat, levert dit voor het concern soms wel een (vertragend) onderhandelingsproces op, maar voorkomt dit kostbare geschillen met individuele werknemers. Als een strategisch besluit in meer landen moet worden uitgevoerd, levert het overleg met werknemersvertegenwoordigers in de verschillende jurisdicties zo significante voordelen op. Dat heeft tot gevolg dat de internationale leiding – ook buiten het strikt juridisch noodzakelijke – bereid zal zijn het bestuur van de Nederlandse dochter in staat te stellen het overleg met de ondernemingsraad goed te voeren. Deze invloed is van belang, nu die ertoe kan leiden dat de raad betere sociale voorzieningen voor het personeel uitonderhandelt. Die invloed moet – anderzijds – niet worden overschat, omdat hij de kern van de strategische besluitvorming niet raakt: dat besluit blijft in dit scenario intact, de onderhandelingen vinden plaats aan het einde van het besluitvormingsproces en gaan over de verzachting van de personele consequenties ervan.