Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.4.2.3
2.4.2.3 De verkrijging van rechtspersoonlijkheid
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232258:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Pia Lavrysen, ‘De private stichting: een volwaardig alternatief voor de Nederlandse stichting-administratiekantoor?’, RDC-TBH 2002, p. 667-697, nr. 27.
Tot 1 november 2018 was dit de rechtbank van koophandel, Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, B.S. 27 april 2018.
Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV), Wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, in werking getreden op 1 mei 2019, B.S. 4 april 2019. Op vennootschappen, verenigingen en stichtingen die bestaan op 1 mei 2019 is het nieuwe WVV voor het eerst van toepassing per 1 januari 2020, artikel 39 § 1 Wet tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen. De WVV houdt voor de stichting geen materiële wijzigingen in ten opzichte van de V&S-Wet, Parl. St. Kamer, DOC 54 3119/001, p. 21 (memorie van toelichting Wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen).
Parl. St. Kamer, DOC 54 3119/001, p. 21 (memorie van toelichting Wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen).
Zie ook Omzendbrief openbaarmaking akten en stukken van vzw’s, ivzw’s en stichtingen, van 8 juni 2005, dossiernummer 2005-06-02/30: ‘De griffie moet de wettigheid van statutaire clausules of van de inhoud van uittreksels uit notulen van algemene vergaderingen of van raden van bestuur niet nagaan. Zij kan de aandacht van de vereniging of van de stichting vestigen op eventuele onjuistheden, maar kan de neerlegging niet weigeren wanneer alle formele voorwaarden nageleefd werden. Enkel de steller is verantwoordelijk voor het gegeven dat de grondvoorwaarden van de wet niet nageleefd werden. De griffie is niet bevoegd om de grond van akten die haar voorgelegd worden te onderzoeken. De griffie moet de wettigheid van statutaire clausules of van de inhoud van uittreksels uit notulen van algemene vergaderingen of van raden van bestuur niet nagaan.’
Van Boven 2011, nr. 186-187.
R. Van Boven, ‘De Programmawet van 27 december 2004 Quid novi sub soli?’ IAB-info 05/01/2005.
Van Boven 2011, nr. 35. Artikel 29 § 3 V&S-wet, de voorganger van artikel 2:2 WVV, kende nog een zesmaandstermijn.
Zie hierover Handboek NV en BV 2013/150.1. De Nederlandse wet kent een dergelijke bepaling niet voor de stichting. Overeenkomstige toepassing van artikel 2:93/2:203 lid 2 BW, ligt in de rede. Zie Asser/Rensen 2-III 2017/39 en de daar vermelde literatuur en jurisprudentie.
In België heeft zowel de private stichting als de stichting van openbaar nut rechtspersoonlijkheid, zo bleek hiervoor. Ook is het mogelijk beide vormen van de stichting bij dode op te richten. Toch wordt rechtspersoonlijkheid niet op dezelfde wijze verkregen. De private stichting bezit rechtspersoonlijkheid vanaf de dag dat haar statuten en − voor het geval de bestuurders niet zijn benoemd bij de oprichtingsakte – de akten betreffende de benoeming van de bestuurders worden neergelegd in het speciaal daartoe ten behoeve van elke stichting gehouden stichtingsdossier bij de griffie van de ondernemingsrechtbank van de zetel van de stichting (artikel 2:6 § 4 WVV in verbinding met artikel 2:7 § 1 WVV en artikel 2:11 § 1 WVV). Dit wordt het systeem van de ‘constitutieve nederlegging’ genoemd.1
Onder de oude V&S-wet schreef de griffier de private stichting in bij de ondernemingsrechtbank als aan de formele oprichtingsvoorwaarden werd voldaan.2 Inmiddels is de V&S-wet op 1 mei 2019 vervangen door de Wet op vennootschappen en verenigingen.3 Omdat deze nieuwe wet geen materiele wijzigingen beoogd, moet worden aangenomen dat dit ook onder de huidige wet het geval is, ook al zwijgt de wet hierover.4 De taak van de griffier is louter formeel, zo mag hij de inhoud van de oprichtingsakte niet beoordelen.5
Voor de stichting van openbaar nut geldt een afwijkende regeling. Artikel 2:6 § 4 WVV bepaalt dat de statuten van een stichting van openbaar nut worden meegedeeld aan de minister van Justitie met het verzoek rechtspersoonlijkheid te verlenen en de statuten goed te keuren. De stichting van openbaar nut verkrijgt rechtspersoonlijkheid per de datum van het koninklijk besluit waarbij zij wordt erkend. De wet bepaalt uitdrukkelijk dat de stichting van openbaar nut kan worden erkend als zij is gericht op werkzaamheden van filantropische, levensbeschouwelijke, religieuze, wetenschappelijke, artistieke, pedagogische of culturele aard (artikel 2:6 § 4 WVV in verbinding met artikel 11:1 lid 1 WVV) en daarmee voldoet aan de eisen voor een stichting van openbaar nut.6 Dit geldt ook voor de bij uiterste wil opgerichte stichting van openbaar nut. Bij de erkenning heeft de minister dus geen discretionaire bevoegdheden.7
Tussen het tijdstip van het verlijden van de oprichtingsakte en het tijdstip van het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid kan de stichting al rechtshandelingen verrichten (artikel 2:2 WVV). De voorwaarden hiervoor zijn:
de constitutieve nederlegging heeft plaatsgevonden binnen twee jaar na het verrichten van de rechtshandeling;
de rechtshandeling wordt binnen drie maanden na de constitutieve nederlegging door de stichting overgenomen.8
Deze regeling heeft daardoor veel weg van de Nederlandse regeling voor rechtshandelingen verricht vóór de oprichting bij de NV en BV (artikel 2:93/203 BW).9