De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/6.10:6.10 Schuldbeginsel
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/6.10
6.10 Schuldbeginsel
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS387430:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De volgende vraag is in het kader van het schuldbeginsel van belang:1
• Behelst de verboden gedraging een strafrechtelijk verwijt en is voldoende concreet duidelijk waaraan de dader schuld heeft?
De mensenhandelaar werft een ander door middel van dwang, geweld of een andere feitelijkheid, dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, of misbruik met het oogmerk van uitbuiting. Al die middelen vereisen impliciet opzet. En het oogmerk op uitbuiting vereist de zwaarste opzetvorm. Hoewel opzet geen verwijtbaarheid impliceert, kan bij de afwezigheid van schulduitsluitingsgronden de verwijtbaarheid worden verondersteld. In § 6.7 inzake het legaliteitsbeginsel is voorts geoordeeld dat sub 1 voldoende concreet is. In het verlengde daarvan kan gesteld worden dat het sublid voldoende duidelijk maakt in welk opzicht het handelen van de handelaar verwijtbaar is: het heeft betrekking op de uitbuiting van een ander. Op wetgevingsniveau is daarmee voldaan aan het schuldbeginsel: er ligt een concreet strafrechtelijk verwijt aan de delictsomschrijving ten grondslag waarbij duidelijk is waaraan de dader schuld heeft. De rechter dient vervolgens te toetsen of geen schulduitsluitingsgronden aanwezig zijn.
Hetzelfde geldt voor de bepalingen jegens de exploitant, de importeur en exporteur van seksuele dienstverleners en de kinderhandelaar en kinderuitbater. Deze bepalingen hebben inhoudelijk betrekking op uitbuiting. De bepalingen zijn gelet op de bevindingen in § 6.7 helder genoeg. In het verlengde daarvan is voldoende duidelijk welk gedrag verwijtbaar is en wanneer schuld aan de orde is. De bepalingen zijn dan ook verenigbaar met het schuldbeginsel.
De tekstuele bepaling in sub 4 vertoont spanning met het schuldbeginsel wat betreft het beïnvloedingsmiddel ‘feitelijkheid’. Iemand door middel van ‘een feitelijkheid’ bewegen tot ‘arbeid of diensten’ is zeer ruim. Zoals bleek uit § 3.4.3 valt hier bijvoorbeeld onder het een ander laten tekenen van een contract waardoor iemand wordt bewogen tot het verrichten van arbeid. Het onvoldoende expliciteren van de strafbare gedraging heeft tevens consequenties ten aanzien van het schuldbeginsel. Immers het is dan eveneens niet helder waaraan de dader schuld heeft. Het strafrechtelijk verwijt komt dan onvoldoende tot uitdrukking. Het is dus ook vanuit dit beginsel goed dat de bepaling strikter wordt gelezen.
Wat betreft de profiteur vereist sub 6 opzet op het voordeel trekken uit de uitbuiting. Voor sub 7 is nodig opzet of culpa op het voordeel trekken uit de onvrijwillige orgaanverwijdering. En sub 8 vereist opzet op het voordeel trekken uit de betaalde seksuele dienstverlening of orgaandonatie van een minderjarige. De bepalingen bevatten dus alle subjectieve elementen (opzet en culpa), maar dat impliceert niet automatisch dat recht is gedaan aan het schuldbeginsel. Het moet inzichtelijk zijn welk gedrag verwijtbaar is en wanneer sprake is van schuld. In § 6.7 is geoordeeld dat de subleden 6, 7 en 8 voldoende uiteenzetten wat strafbaar is. Dat betekent dat eveneens helder is welk gedrag verwijtbaar is en wanneer schuld aan de orde is. De bepaling is aldus verenigbaar met het schuldbeginsel.
Ten aanzien van onderdeel 9 rijzen problemen bij de begrippen ‘feitelijkheid’ en ‘bewegen van een ander’. Degene die een ander ‘door middel van een feitelijkheid’ beweegt tot de afdracht van geld verdiend met prostitutie of orgaandonatie is strafbaar. Welk gedrag nu precies verwijtbaar is en wanneer sprake is van schuld, is evenwel niet evident. Valt iedere pooier nu onder deze bepaling? En degene die een relatie heeft met een prostituee en deelt in het verdiende geld?2 Nadere concretisering is gewenst, ook op basis van het schuldbeginsel.