De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/6.9:6.9 Wederrechtelijkheidsbeginsel
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/6.9
6.9 Wederrechtelijkheidsbeginsel
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS384980:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De volgende vraag is geformuleerd om aan dit beginsel te kunnen toetsen:1
• Behelst de verboden gedraging materieel wederrechtelijk gedrag?
Gedrag dat niet in strijd is met geschreven of ongeschreven rechtsregels, mag niet tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leiden. Bij het verwoorden van de delictsomschrijving dient de wederrechtelijkheid als aansprakelijkheidsvoorwaarde gestalte te krijgen. De beïnvloedingsmiddelen dwang, geweld, afpersing, fraude, misleiding en misbruik, het oogmerk van uitbuiting en het impliciete bestanddeel uitbuiting drukken onrechtmatigheid uit. Bij het middel ‘feitelijkheid’ is dit niet het geval. Tegelijkertijd zijn alleen die feitelijkheden relevant, die daadwerkelijk tot uitbuiting kunnen leiden. Ook dit deel van de strafbepaling verwoordt dan onrechtmatig gedrag.
In § 6.2 inzake het schadebeginsel is geconcludeerd dat de strafbaarstellingen van de handelaar, de exploitant en de importeur en exporteur van seksuele dienstverleners niet geheel in lijn zijn met het enge schadebeginsel. De handelaar die een slachtoffer werft door middel van ‘misbruik van omstandigheden’ of ‘een feitelijkheid’ met het oogmerk van uitbuiting – terwijl de uitbuiting geen vrijheidsbeperking inhoudt – veroorzaakt geen schade, het behelst geen setback of interests.2 Dat geldt evenzo voor de exploitant en de importeur en exporteur van seksuele dienstverleners die een slachtoffer brengen tot uitbuiting, niet zijnde harmful exploitation. Deze uitkomst komt dus niet overeen met de conclusie ten aanzien van het wederrechtelijkheidsbeginsel. Misbruik veroorzaakt wellicht geen schade, maar onderscheidt zich wel degelijk van ‘normaal’ gebruik. Het betreft ‘verkeerd’ gebruik hetgeen de verwerpelijkheid van het gedrag aantoont. Uitbuiting brengt mogelijk evenzo geen schade teweeg, maar is verschillend van uitbaten. Uitbaten duidt op het nor-maal benutten van arbeidskrachten, terwijl uitbuiten de oneerlijke profijttrekking van een ander betreft. Uitbuiting veronderstelt in die zin afkeurenswaardig gedrag. Wederrechtelijkheid is aldus een breder begrip dan ‘schade’ (uitgaande van een enge schadedefinitie). Gedrag dat op basis van het ene beginsel niet strafwaardig is, kan dat op basis van het andere beginsel wel zijn. Er dient dan uiteindelijk te worden afgewogen aan welke beginselen het meeste gewicht toekomt, het schadebeginsel of het wederrechtelijkheidsbeginsel. In hoofdstuk 8 komt dit aan de orde. De tussenconclusie in deze paragraaf is in ieder geval dat de strafbepaling van de mensenhandelaar verenigbaar is met het wederrechtelijkheidsbeginsel.
Indien zou worden uitgegaan van de tekstuele bepalingen in sub 4 en 3, zouden zich opnieuw moeilijkheden voordoen. Het een ander door middel van ‘een feitelijkheid’ bewegen tot arbeid, diensten of orgaandonatie (sub 4) ziet niet per definitie op onrechtmatig gedrag. Ook de importeur of exporteur die buitenlandse seksuele dienstverleners werft of medeneemt met diens goedvinden handelt niet per definitie onrechtmatig. Werven en medenemen zijn neutrale begrippen die niet per se duiden op verwerpelijk gedrag. Het gevolg – iemand die seksuele diensten gaat verrichten in een ander land – drukt evenzo niet noodzakelijk afkeurenswaardig handelen uit. De materiële begrenzing waarbij uitbuiting als impliciet bestanddeel wordt vereist, zorgt er dus voor dat de strafbaarstellingen toch wederrechtelijk gedrag betreffen.
De kinderhandelaar handelt met een oogmerk van uitbuiting. Dit duidt op onrechtmatig gedrag. De strafbaarstelling in sub 2 is dan ook te begrijpen vanuit het wederrechtelijkheidsbeginsel. De kinderuitbater in sub 5 brengt minderjarigen tot betaalde seksuele dienstverlening of betaalde orgaandonatie. Orgaandonatie en seksuele dienstverlening tegen betaling bij minderjarigen is verwerpelijk. Kennelijk gaat de wetgever daar ook van uit. De strafbepaling is dus verdedigbaar vanuit het wederrechtelijkheidsbeginsel.
Wat betreft de profiteur vertoont het antwoord op de vraag overlap met de beantwoording in § 6.8 inzake het daadstrafrechtbeginsel. De subleden 6 tot en met 9 vereisen allemaal dat de profiteur voordeel heeft getrokken, maar ze verschillen in hetgeen waarvan voordeel wordt getrokken. Het voordeeltrekken op zichzelf behelst geen wederrechtelijke gedraging. De manier waarop of hetgeen waarvan voordeel wordt behaald dient aldus doorslaggevend te zijn voor de strafwaardigheid van de gedraging.
In sub 6 wordt geprofiteerd van de uitbuiting van een ander. Uitbuiting impliceert wederrechtelijkheid. De strafbaarstelling is dan ook verenigbaar met dit beginsel.
Onderdeel 7 richt zich op de profijttrekking van orgaanverwijdering, terwijl die verwijdering onder de sub 1 bedoelde omstandigheden heeft plaatsgevonden. Als gezegd in de voorgaande paragrafen drukken de middelen dwang, geweld, dreiging, afpersing, fraude, misleiding en misbruik onrechtmatigheid uit. Voor zover de profijttrekking met deze beïnvloedingsmiddelen gepaard is gegaan, is de strafbaarstelling verdedigbaar vanuit het wederrechtelijkheidsbeginsel. Voor zover het middel ‘feitelijkheid’ is ingezet, is de onrechtmatigheid van het gedrag niet evident. Op dit punt levert de strafbaarstelling spanning op met het beginsel.
Sub 8 behelst het profiteren van de betaalde seksuele dienstverlening of orgaandonatie van minderjarigen. Als geoordeeld in § 6.5.9 gaat de wetgever ervan uit dat orgaandonatie en seksuele dienstverlening tegen betaling bij minderjarigen verwerpelijk is. De bepaling verwoordt aldus het wederrechtelijkheidsbeginsel.
Tot slot ziet sub 9 op de voordeeltrekking van betaalde seksuele dienstverlening en orgaandonatie van volwassenen. Het voordeeltrekken van betaalde seksuele dienstverlening of orgaandonatie is op zichzelf niet afkeurenswaardig. De manier waarop de profiteur voordeel trekt, moet aldus kenmerkend zijn voor het wederrechtelijkheidsbeginsel. Geen problemen rijzen ten aanzien van de beïnvloedingsmiddelen dwang, geweld, bedreiging, afpersing, fraude, misleiding en misbruik. Het beïnvloedingsmiddel ‘feitelijkheid’ in combinatie met het ‘bewegen’ van een ander zorgt wederom voor moeilijkheden. Deze gedraging als zodanig impliceert geen onrechtmatig gedrag en op dit punt is het onderdeel niet goed verenigbaar met het wederrechtelijkheidsbeginsel.