Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/6.7
6.7 Legaliteitsbeginsel
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS389795:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Dale (online woordenboek) 2015.
Hof Den Haag 25 augustus 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR5629 (Cocaïnesmokkel en telefoonabonnementen).
Zie ook § 3.4.4.
Hof ‘s-Hertogenbosch 17 september 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BN7215.
Hof ‘s-Hertogenbosch 17 september 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BN7215, par. B1.2-B4.
Zie daaromtrent § 3.4.5.
Zie ook Van Kempen & Fedorova 2015, p. 20 en Van Kempen & Van de Voort 2010, p. 19.
HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Buruma.
Zie § 4.7.
Zie voor arbeidsuitbuitingszaken bijvoorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 19 september 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:6563 het betrof in casu de uitbuiting van een Hongaar in de vleesverwerkingsindustrie. Bewezen verklaard is: ‘geweld en andere feitelijkheden en dreiging met geweld en misbruik van een kwetsbare positie’. En Rb Zeeland-West-Brabant 23 juli 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:4870 (Gedwongen afsluiten telefoonabonnementen) waarin is bewezen verklaard: ‘dwang en andere feitelijkheden en dreiging met geweld en afpersing en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’.
Rb Amsterdam 21 juni 2011, nr. 16/694008-10 (Telefoonabonnement en seksuele uitbuiting, niet gepubliceerd).
In § 4.7 is opgemerkt dat bij de toetsing aan dit beginsel met name het lex certa-principe van belang is. In dat kader zijn de volgende vragen geformuleerd:
• Welke begrippen worden gehanteerd in de strafbepaling en wat betekenen die begrippen?
Sub 1 gericht op de handelaar benoemt diverse wervingshandelingen, beïnvloedingsmiddelen en het oogmerk van uitbuiting. De wervingshandelingen kunnen bestaan uit: het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van personen. Een uiteenzetting van die termen is gegeven in § 3.4.3. De beïnvloedingsmiddelen betreffen dwang, geweld, een feitelijkheid, bedreiging, afpersing, misleiding, misbruik van overwicht of een kwetsbare situatie. Deze bestanddelen zijn eveneens in § 3.4.3 uitgewerkt. Een herhaling van die paragraaf voert te ver. Duidelijk is evenwel dat het beïnvloedingsmiddel ‘een feitelijkheid’ weinig omlijnd is. De reikwijdte van dit begrip is niet evident. Talloze handelingen kunnen worden aangemerkt als een feitelijkheid. Tegelijkertijd is het enkele werven van een ander door middel van een feitelijkheid niet strafbaar. Dat is alleen het geval als het gericht is op uitbuiting. Niet alle handelingen vallen aldus onder de bepaling. Het middel moet worden geplaatst in de gehele context. De wervingshandelingen en overige beïnvloedingsmiddelen worden tevens gebezigd in het normale spraakgebruik. Er is weliswaar enige interpretatieruimte: wanneer is bijvoorbeeld precies sprake van misbruik? Maar het is duidelijk dat misbruik wederrechtelijkheid verondersteld en dat het kan worden afgescheiden van gebruik. De betekenissen zijn wat dat betreft bestendig, afgebakend en niet aan hevige veranderingen onderhevig. De woorden zijn voorts niet dermate vaag of ingewikkeld dat burgers de inhoud niet zouden begrijpen. De taalkundige betekenissen van de diverse wervingshandelingen en beïnvloedingsmiddelen komen voorts in sterke mate overeen met de juridische uitleg die volgt uit de wet en de jurisprudentie. Dat laatste is niet evident het geval bij de term ‘uitbuiting’. De inhoud van het oogmerk van uitbuiting is reeds aan de orde gekomen in § 3.3. De Van Dale verwijst hierbij alleen naar oneerlijk economisch gewin, terwijl de wet en jurisprudentie ook duiden op een zekere mate van dwang. In hoeverre daadwerkelijk sprake dient te zijn van economisch gewin en/of dwang blijkt evenwel niet expliciet uit de wet. Lid 2 stelt enkel vast wat ten minste onder uitbuiting valt en bakent het begrip niet nader af. Het eerste deel van sub 4 betreft de exploitant die beïnvloedingsmiddelen inzet teneinde een ander te bewegen tot arbeid, diensten of orgaandonatie. Het tweede deel richt zich tot de exploitant die onder de omstandigheden van sub 1 enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een ander zich beschikbaar stelt tot arbeid, diensten of orgaandonatie. Hiervoor is al opgemerkt dat de middelen dwang, geweld, bedreiging, afpersing, misleiding, misbruik van overwicht of een kwetsbare situatie bestendig en afgebakend zijn. Deze betekenissen zijn niet vaag of onbeduidend. Dat ligt anders bij het middel ‘feitelijkheid’. De reikwijdte van deze term is groot.
De exploitant beweegt een ander tot arbeid, diensten of orgaandonatie. Orgaandonatie is een wat specifieker begrip. De woorden ‘arbeid’ en ‘diensten’ zijn algemener van aard. Arbeid omschrijft de Van Dale als ‘werk’ of ‘een inspanning van lichamelijke en/of geestelijke krachten om iets tot stand te brengen’. Een dienst wordt vertaald met ‘het verrichten van werkzaamheden’.1 Beide begrippen worden in het dagelijks spraakgebruik benut en hebben een heldere betekenis. Wel is het bereik van de termen ruim. Er kunnen heel diverse gedragingen worden aangemerkt als ‘arbeid en/of diensten’.
Wat betreft het tweede deel van sub 4 zijn de vereiste componenten niet precies duidelijk. Niet zeker is of de verdachte een handeling moet ondernemen bij een persoon die ‘is geworven door middel van een beïnvloedingsmiddel met het oogmerk van uitbuiting’ (dat wil zeggen dat drie componenten, te weten een wervingshandeling, een beïnvloedingsmiddel en het oogmerk van uitbuiting aanwezig dienen te zijn) of dat hij enkel een handeling moet ondernemen bij een persoon die enkel is beïnvloed met één van de middelen genoemd in sub 1 door een ander (slechts één vereist component: het beïnvloedingsmiddel). Het Hof Den Haag kiest voor deze laatste lezing.2 De bepaling dient dan zo gelezen te worden dat verdachte zich bewust is of redelijkerwijs bewust zou moeten zijn van de dwang- of beïnvloedingssituatie die hij niet zelf hoeft te hebben gecreëerd (immers dan is het eerste deel van sub 4 aan de orde), maar waar hij wel gebruik van maakt door ‘enige handeling te ondernemen’.3 De bepaling heeft dan een nog grotere reikwijdte dan het eerste deel van sub 4.
De importeur of exporteur van seksuele dienstverleners werft, neemt mede, of ontvoert iemand in het ene land met het oogmerk diegene in het andere land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Werven, medenemen en ontvoeren zijn alle drie heldere begrippen die in het normale spraakgebruik worden benut. Het gevolg: de betaalde seksuele dienstverlening laat ook geen misverstanden over de betekenis bestaan.
Sub 2 stelt strafbaar de kinderhandelaar die een minderjarige werft met het oogmerk van uitbuiting. Sub 5 stelt strafbaar de kinderuitbater die een minderjarige ertoe brengt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling of zijn organen tegen betaling ter beschikking te stellen dan wel enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de minderjarige zich hiertoe beschikbaar stelt.
Voor de toetsing van sub 2 aan dit beginsel kan worden verwezen naar de gevolgtrekking ten aanzien van de handelaar in sub 1, daar is immers dezelfde gedraging strafbaar gesteld, zij het dat in sub 2 geen beïnvloedingsmiddel is opgenomen. De wervingshandeling en het oogmerk van uitbuiting komen evenwel overeen. De diverse wervingshandelingen hebben een bestendige en afgebakende betekenis. De handelingen zijn niet dermate vaag of ingewikkeld dat burgers de inhoud niet zouden begrijpen. De inhoud van het oogmerk van uitbuiting brengt meer onzekerheid met zich. In hoeverre daadwerkelijk sprake dient te zijn van oneerlijk economisch gewin en/of dwang blijkt niet expliciet uit de wet.
Sub 5 is afgeleid van sub 4, maar ook hier ontbreken de beïnvloedingsmiddelen. Voorts is het artikel beperkt tot betaalde seksuele dienstverlening en orgaandonatie. Anders dan onderdeel 4 is het gevolg dus niet zo algemeen van aard dat het alle vormen van ‘arbeid’ en ‘diensten’ betreft. De bepaling is voorts enkel toegespitst op minderjarige slachtoffers. Onderdeel 5 laat open op welke manier de dader tot het bewegen van een minderjarige komt. Alleen het gevolg is van belang: de minderjarige stelt zich beschikbaar tot seksuele dienstverlening of orgaandonatie. Het eerste deel van sub 5 heeft betrekking op de dader die bewust handelt met het doel de minderjarige te bewegen. Dat is concreter dan het tweede deel van sub 5. Dit deel richt zich tot de dader die enige handeling onderneemt waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden dat een minderjarige zich beschikbaar stelt. Dit gedeelte van de bepaling heeft een veel ruimer bereik, maar vormt geen legaliteitsprobleem.
Tot slot de bepalingen in onderdeel 6 tot en met 9 gericht op de profiteur. Sub 6 stelt strafbaar het opzettelijk voordeel trekken van de uitbuiting van een ander. Het trekken van voordeel is een term die in het algemene spraakgebruik wordt benut. Dit kan geschieden op diverse manieren, maar duidelijk is in ieder geval dat de profiteur erop vooruit gaat. De term leidt wat dat betreft niet tot verwarring. Ten aanzien van het begrip uitbuiting kan wederom worden aangesloten op de conclusie hierboven. Lid 2 stelt enkel vast wat ten minste onder uitbuiting valt en bakent het begrip niet nader af. In hoeverre oneerlijk economisch gewin en/of dwang aan de orde moeten zijn, blijkt niet uit de wet.
Onderdeel 7 richt zich tot de dader die opzettelijk voordeel trekt van de orgaandonatie van een ander terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de orgaandonatie heeft plaatsgevonden onder de onder sub 1 genoemde omstandigheden. Niet helder is wat precies wordt bedoeld met ‘onder de omstandigheden van sub 1’. Betekent dit dat zowel een wervingscomponent, een beïnvloedingsmiddel en het oogmerk van uitbuiting aanwezig moet zijn? Of is, net zoals daar in de praktijk bij sub 4 tweede deel vanuit wordt gegaan, een beïnvloedingsmiddel voldoende? Het voordeel trekken zelf en de orgaandonatie zijn evenwel heldere begrippen.
Sub 8 betreft het voordeel trekken van seksuele handelingen tegen betaling dan wel orgaandonatie tegen betaling bij minderjarigen. De bepaling doet geen vragen rijzen omtrent de vereiste bestanddelen.
En als laatste stelt onderdeel 9 strafbaar degene die een ander met een in sub 1 genoemd beïnvloedingsmiddel dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van (vrijwillige) seksuele dienstverlening en orgaanverwijdering. De bepaling beschrijft een gedraging en een gevolg. Als gezegd zijn de beïnvloedingsmiddelen dwang, geweld, bedreiging, afpersing, misleiding, misbruik van overwicht of een kwetsbare situatie afgebakende begrippen. Het beïnvloedingsmiddel ‘een feitelijkheid’ is evenwel weinig omlijnd. Verder is helder dat sub 9 enkel de betaalde seksuele dienstverlening of betaalde orgaandonatie betreft.
• Maken de gehanteerde begrippen voldoende concreet duidelijk welke gedraging is verboden zodat de burger voldoende in staat wordt gesteld zijn gedrag daarop af te stemmen?
De formulering in sub 1 jegens de handelaar behelst zowel de oorzaak (het werven van een slachtoffer) als het doel (oogmerk van uitbuiting) en biedt in die zin meer houvast aan de normadressaat dan het geval zou zijn als de oorzaak of het doel niet zou zijn opgenomen. Tegelijkertijd is niet afgebakend wat onder ‘oogmerk van uitbuiting’ valt; lid 2 geeft enkel mogelijke uitbuitingsvormen aan. Staat de niet limitatieve opsomming in lid 2 nu op gespannen voet met het legaliteitsbeginsel? Die vraag is reeds aan de orde gekomen in de zaak-Chinese Horeca.4 Het Hof ’s-Hertogenbosch verwierp daarbij het verweer van de verdediging dat de omschrijving van uitbuiting niet voldeed aan het lex certa-criterium. De omstandigheid dat door de woorden ‘ten minste’ de reikwijdte van het begrip uitbuiting niet geheel duidelijk is en daaraan in de rechtspraak nader inhoud dient te worden gegeven, betekent niet zonder meer dat sprake is van strijd met het lex certa-beginsel. Het Hof merkt op dat aan het bestanddeel ‘oogmerk van uitbuiting’ tevens feitelijke betekenis toekomt en dat de Van Dale het woord uitbuiten (met betrekking tot een persoon) omschrijft als: ‘op ongunstige condities laten werken om er zoveel mogelijk aan te verdienen’. Daarnaast blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 273a (oud) Sr dat onder mensenhandel kort gezegd moet worden verstaan: het dwingen – in ruime zin – van mensen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (seksuele) diensten. En onder uitbuiting kan worden verstaan alle vormen van moderne slavernij, waarbij kan worden gedacht aan tewerkstelling onder dwang of het maken van misbruik van een afhankelijke positie van een persoon die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken. Als voorbeeld wordt door de wetgever genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden. En voorts is de totstandkomingsgeschiedenis en rechtspraak met betrekking tot artikel 250a (oud) Sr relevant aangezien dit artikel is geïncorporeerd in artikel 273a (oud) Sr. In die geschiedenis wordt het begrip ‘uitbuiting’ op vergelijkbare wijze omschreven. Gelet op deze factoren is het hof van oordeel dat het sublid voldoende concreet duidelijk maakt welk soort gedragingen strafbaar zijn.5 Die gedachtegang van het hof is niet onbegrijpelijk. De burger is op basis van de feitelijke betekenis van uitbuiting en de juridische achtergrond van de mensenhandelbepaling voldoende in staat om te weten wat sub 1 behelst en kan zijn gedrag daarop afstemmen.
Aangezien de delictsomschrijving in sub 2 jegens de kinderhandelaar dezelfde componenten bevat, is bovenstaande conclusie van overeenkomstige toepassing.
Wat betreft de exploitant is in sub 4 eerste deel zowel de gedraging (de inzet van het beïnvloedingsmiddel) als het gevolg (arbeid, diensten of orgaandonatie) opgenomen. Dit biedt meer houvast aan de burger dan het geval zou zijn als de gedraging of het gevolg niet zou zijn opgenomen.
Wel zijn de gevolgen ‘arbeid’ of ‘diensten’ algemeen van aard. Dat levert geen probleem op bij de beïnvloedingsmiddelen dwang, geweld, bedreiging, afpersing, misleiding, misbruik van overwicht of een kwetsbare situatie. Die perken immers de strafbepaling aanzienlijk in. Niet al het bewegen van een ander tot arbeid of diensten is strafbaar. Dat is alleen het geval als het gebeurt onder invloed van bepaalde – wederrechtelijke – gedragingen.
Het middel ‘feitelijkheid’ zorgt evenwel voor problemen. Iemand door middel van ‘een feitelijkheid’ bewegen tot ‘arbeid of diensten’ is zeer ruim. Daar kunnen onnoemelijk veel neutrale handelingen onder worden geschaard. Zoals bleek uit § 3.4.3 valt hier bijvoorbeeld onder het een ander laten tekenen van een contract waardoor iemand wordt bewogen tot het verrichten van arbeid. Deze bewoordingen maken dan ook niet voldoende concreet duidelijk welke gedraging verboden is en stellen de burger aldus on- voldoende bij machte zijn gedrag in overeenstemming met de wet te brengen.
In navolging op bovenstaand antwoord is het tweede deel van sub 4 voldoende duidelijk geformuleerd voor zover de beïnvloedingsmiddelen dwang, geweld, bedreiging, afpersing, misleiding, misbruik van overwicht of een kwetsbare situatie zijn ingezet ten aanzien van het slachtoffer. Waar het middel ‘feitelijkheid’ betreft, is de bepaling ruim, zeker indien de culpoze variant van de bepaling wordt toegepast. Een veroordeling voor de exploitant zou hier kunnen volgen zodra hij een ander een arbeidsvoorstel doet (‘enige handeling ondernemen’) en de andere persoon gaat daarop in omdat hij van iemand heeft gehoord dat het leuk werk is (‘beïnvloed door een ander door een feitelijkheid’) en de exploitant wist dit niet, maar had dit wel redelijkerwijs kunnen vermoeden. Op dit punt is de tekstuele bepaling te onbepaald en staat op gespannen voet met de nationale nulla poena-regel. De striktere lezing waarbij uitbuiting moet worden verondersteld, zorgt ervoor dat de bepaling voldoende is afgebakend.
Ten aanzien van de kinderuitbater in sub 5 is de reikwijdte van de bepaling minder groot dan sub 4. Het is helder wat wordt bedoeld met het werven van minderjarigen en ook het gevolg: het beschikbaar stellen tot seksuele dienstverlening of orgaandonatie is afgebakend. Wat dat betreft moet het de burger voldoende concreet kenbaar zijn wat strafbaar is. Het is minder duidelijk wat onder het tweede deel van sub 5 valt. Is de persoon strafbaar die tegen een minderjarige roept: ‘Prostitutie verdient erg goed!’? Immers door deze uiting zou de minderjarige op het idee kunnen worden gebracht om in de seksuele dienstverlening te gaan terwijl dat redelijkerwijs kan worden vermoed. De doleuze vorm verdient dan ook voorkeur boven de culpoze variant. Toch lijkt de culpoze bepaling niet strijdig met de nationale nulla poena-regel. De gedraging, het type slachtoffer en het gevolg perken de strafwaardige handeling afdoende in.
Sub 3 gericht tot de importeur en exporteur van seksuele dienstverleners bevat een gedraging (werven, medenemen, ontvoeren) en een gevolg (de seksuele dienstverlening in het buitenland). Weliswaar ziet de tekstuele strafbepaling niet per se op wederrechtelijk gedrag,6 het is ook niet zo dat iedere neutrale handeling onder de delictsomschrijving valt. De bewoordingen maken duidelijk dat het strafwaardige gedrag enkel het importeren en exporteren van seksuele dienstverleners betreft. De bepaling is aldus afgebakend en burgers zijn op basis hiervan in staat hun gedrag hierop af te stemmen.
En tot slot is de conclusie met betrekking tot de handelaar eveneens van toepassing op de profiteur die in sub 6 wordt aangesproken. De burger is op basis van de feitelijke betekenis van uitbuiting en de juridische achtergrond van de mensenhandelbepaling voldoende in staat om te weten wat uitbuiting inhoudt. Het is dan ook voldoende duidelijk wat onder ‘voordeel trekken van uitbuiting’ valt en de burger kan zijn gedrag daarop afstemmen.
Ten aanzien van onderdeel 7 kan aansluiting worden gezocht bij de conclusie ten aanzien van sub 4. Als enkel de beïnvloedingsmiddelen in sub 1 relevant zijn (en geen wervingshandeling of oogmerk van uitbuiting vereist is), zorgt het middel ‘feitelijkheid’ voor problemen. Zeker de culpoze variant in sub 7 heeft dan een ruime reikwijdte. De patiënt die snel een orgaan krijgt, en gelet op de schaarste van organen redelijkerwijs moet vermoeden dat de donateur onvrijwillig afstand heeft gedaan, zou strafbaar kunnen zijn op basis van deze bepaling. Tegelijkertijd is onderdeel 7 meer afgebakend dan onderdeel 4: het niet gaat om álle diverse vormen van ‘arbeid of diensten’, maar is enkel toegespitst op orgaandonatie. De profiteur die hier op een of andere manier voordeel uit behaalt, is strafbaar. Het verbod lijkt op basis van deze bewoordingen voldoende concreet en niet strijdig met het nationale legaliteitsbeginsel.
Sub 8 beperkt zich tot het profiteren van minderjarigen in de seks- en orgaanindustrie. Ook die bewoordingen lijken voldoende concreet. Het moet voor de dader helder zijn wat strafrechtelijk niet toelaatbaar is. Wel zou de prostituant die seksuele handelingen pleegt met een minderjarige onder de reikwijdte kunnen vallen. Zoals bleek uit § 3.4.7 is het in principe niet de bedoeling van de wetgever geweest de prostituant voor mensenhandel te vervolgen. Deze gedraging is strafbaar op grond van (onder meer) de artikelen 245 en 247 Sr. De vormgeving van de delictsomschrijving sluit strafbaarstelling theoretisch gezien evenwel niet uit.
Sub 9 zaait verwarring omtrent het bereik van de bepaling ten aanzien van het beïnvloedingsmiddel ‘feitelijkheid’ en het ‘bewegen’ van een ander. Degene die een ander ‘door middel van een feitelijkheid’ beweegt tot de afdracht van geld verdiend met prostitutie of orgaandonatie is strafbaar. Iedere pooier zou onder deze bepaling kunnen worden gebracht. Maar ook de partner die een relatie heeft met een prostituee dan wel donor en waarbij het verdiende geld in handen komt van de partner, bijvoorbeeld omdat de partner dit wil besteden aan huishoudelijke kosten, kan strafrechtelijk worden aangesproken. De termen ‘bewegen’ en ‘feitelijkheid’ zijn erg onbepaald en kunnen neutrale, niet wederrechtelijke handelingen behelzen. Het onderdeel verhoudt zich dan ook slecht tot het Nederlandse legaliteitsbeginsel.
• Is de burger op basis van het recht (de strafbepaling en hiermee verband houdende rechtspraak) voldoende in staat te voorzien welke gedraging tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leidt?
Zoals opgemerkt in § 4.7 ligt het niet voor de hand dat strafwetgeving reeds op zichzelf in strijd komt met het lex certa-beginsel in artikel 7 EVRM. Het EHRM zal veeleer in het specifieke geval beoordelen of voldoende voorzienbaar was dat verdachte strafrechtelijk aansprakelijk gesteld zou worden. Het Hof zal niet snel expliciete kwaliteitseisen stellen aan de manier van waarop de strafwetgeving zelf dient te worden vormgegeven.7 In dit geval geldt evenzeer hetgeen is opgemerkt bij de vorige vraag: de wetgever heeft enige uitleg gegeven aan de betekenis van uitbuiting in de wetsgeschiedenis en voorts is in de rechtspraak het begrip verder uitgekristalliseerd. Zo heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 27 oktober 2009 geoordeeld dat niet in algemene termen is te beantwoorden of uitbuiting aan de orde is, maar dit sterk is verweven met de omstandigheden van het geval. Hierbij komt in ieder geval betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengen en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.8 Al met al blijft enige interpretatieruimte bestaan omtrent het begrip (oogmerk van) uitbuiting, maar open normen zijn tegelijkertijd onvermijdelijk in de rechtspraktijk. Het EHRM erkent dit ook.9 Het ligt daarom niet voor de hand dat het EHRM het begrip uitbuiting – rekening houdend met de uitleg in de wetsgeschiedenis en jurisprudentie – in strijd acht met artikel 7 EVRM. De burger is aldus voldoende in staat de strafbepalingen jegens de handelaar, de exploitant, de importeur en exporteur van seksuele dienstverleners en de kinderhandelaar en kinderuitbater te overzien.
Wat betreft de exploitant werd in § 3.4.3 duidelijk dat het middel ‘feitelijkheid’ meestal in combinatie met andere beïnvloedingsmiddelen bewezen wordt verklaard (zowel bij arbeidsuitbuiting als bij seksuele uitbuiting).10 Een goed voorbeeld betreft de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 21 juni 2011. In deze zaak ging het zowel om seksuele als overige uitbuiting. De feitelijkheid betrof het aanleggen van een relatie met het slachtoffer, het verschaffen van onderdak aan haar, het brengen tot prostitutie, het in de gaten houden en het haar laten afsluiten van telefoonabonnementen.11 Deze feite-lijkheden gingen gepaard met het tevens bewezen verklaarde middel ‘bedreiging’. Eigenlijk paste dergelijke beïnvloeding beter onder de middelen ‘misbruik van een kwetsbare positie’ dan wel ‘misbruik van een overmachtssituatie’. Het had hier meer voor de hand gelegen te volstaan met een bewezenverklaring van de middelen bedreiging en misbruik. Hoe dit ook zij, in de praktijk blijkt niet dat het middel ‘feitelijkheid’ wordt ingezet bij zaken waar de burger strafrechtelijke aansprakelijkheid niet had kunnen verwachten. Nu de middelen bovendien moeten worden ingezet tegen de achtergrond van een uitbuitingssituatie, is al helemaal onaannemelijk dat dit het geval is.
Ten aanzien van de profiteur kan worden verwezen naar de beantwoording van voorgaande vraag. De subleden 6, 7 en 8 zijn niet strijdig met het nationale legaliteitsbeginsel, en zijn dat dan al helemaal niet op basis van het legaliteitsbeginsel in artikel 7 EVRM. Wat betreft sub 9 brengt het middel ‘feitelijkheid’ onduidelijkheid met zich. Als gesteld houdt het EHRM ten aanzien van de voorzienbaarheidsvraag echter ook rekening met de uitleg van een bepaalde bepaling in de rechtspraak en oordeelt niet snel dat strafwetgeving als zodanig in strijd is met artikel 7 EVRM. In de praktijk blijkt vooralsnog niet dat het middel ‘feitelijkheid’ wordt ingezet bij zaken waar de burger strafrechtelijke aansprakelijkheid niet had kunnen verwachten. Bij voorbaat kan dan ook niet gesteld worden dat de strafbaarstelling van de profiteur strijdig is met artikel 7 EVRM.