Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/1.2
1.2 Enkele voorbeelden van hoe de bij dode opgerichte stichting zich in de praktijk kan manifesteren
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232261:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het auteursrecht is overdraagbaar en vererfbaar, T&C Intellectuele Eigendom (D.W.F. Verkade), commentaar op artikel 2, aant. 1.
P.F. Veltman, ‘De familiestichting; zwaan of lelijk eendje?’, Tijdschrift voor Ondernemingsbestuur 2005/2. De afgelopen decennia is voor deze stichting vooral veel aandacht geweest in de fiscale literatuur, mede als gevolg van het rapport van de werkgroep Moltmaker, ‘De warme, de koude en de dode hand’ (zie 1.5.2). Zie ook F. Sonneveldt, De familiestichting. Een exposé over existentie en extinctie (Serie Estate Planning deel 2), Deventer: Kluwer 2002. Zie voor de familiestichting in Duitsland, Richter in v.Campenhausen/Richter 2014 § 13. Rn 1-161.
Of, zoals B. Schols hen aanduidt: ‘erfgenamen in economische zin’, Handboek Erfrecht, B.M.E.M. Schols 2015/XVI.9. Ook de term ‘materiële erfgenamen’ heb ik geleend van B.M.E.M. Schols. De materiële erfgenamen zijn in juridische zin legatarissen of lastbevoordeelden, zie ook Handboek Erfrecht, L.C.A. Verstappen 2015/XIII.1. Zie over bij dode opgerichte stichting ook T.F.H. Reijnen, ‘Bescherming tegen de schulden van de nalatenschap door gebruik te maken van een bij uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting’, WPNR 2016/7098.
L.C.A. Verstappen, ‘De stichting tot afwikkeling van een nalatenschap’, WPNR 1996/6245-6246.
W. Burgerhart, ‘Een stichting als erflaters laatste wil’, SV&V 2002/1.
J.B. Vegter, ‘Reactie naar aanleiding van het artikel van L.C.A. Verstappen, “De stichting tot afwikkeling van een nalatenschap”’, WPNR 1997/6260, met naschrift van L.C.A. Verstappen.
Zie hierover D.J.G. Visser, ‘Post Mortem Auctoris, Enkele aspecten van het auteursrecht na dode’, WPNR 1992/6044; Breemhaar 1992, nr. 296-300. Zie over de persoonlijkheidsrechten van kunstenaars ook E.J.H. Schrage, ‘Wie betaalt, bepaalt, of niet soms?’, Vermogensrechtelijke Analyses 2006/3.
Mede omdat de bescherming door de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden slechts beperkt is, zie L.A.G.M van der Geld, ‘Wat brengt de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden?’, TE 2018/2, waarin zij de jurisprudentie bespreekt. Zie ook de daar vermelde literatuur.
Het prototype van de stichting is voor velen nog steeds de klassieke stichting, de stichting als doelvermogen. Dit geldt ook voor de bij dode opgerichte stichting. In mijn onderzoek naar de bij dode opgerichte stichting ben ik in de jurisprudentie nagenoeg geen andere bij dode opgerichte stichtingen tegengekomen dan de klassieke stichting. Bij de klassieke stichting draait alles om het doel en het vermogen. Dit doel kan zeer gevarieerd zijn. De bekende doelen voor de klassieke stichting zijn gelegen op het gebied van gezondheidszorg, monumentenzorg, sociale en culturele activiteiten, religie en kerk, en het verstrekken van (studie)beurzen. Eveneens kan de stichting tot het bijeenhouden van bezittingen zoals landgoederen, ondernemingsvermogen en collecties of de exploitatie van auteursrechten als klassieke stichting worden gezien.1
Ook de familiestichting is een klassieke stichting. De familiestichting heeft tot doel het ondersteunen in het levensonderhoud of anderszins van leden van een bepaalde familie. Eventuele uitkeringen door een dergelijke stichting behoeven geen ideële of sociale strekking te hebben. De beschikkingsmacht ligt bij de stichting zelf.Het vermogen van de familiestichting is niet gecertificeerd.2
De bij dode opgerichte stichting kan ook een buitengewoon nuttige rechtspersoon zijn bij de afwikkeling van de nalatenschap van de erflater/oprichter. Deze stichting kan heilzaam werken indien animositeit bestaat tussen de erfgenamen, als deze niet te vinden zijn of als er zeer veel erfgenamen zijn. De bij dode opgerichte stichting zou dan tot enig erfgenaam kunnen worden benoemd onder de verplichting dat wat van de nalatenschap resteert na de voldoening van de schulden, te ‘verdelen’ onder de ‘materiële erfgenamen’.3 Het is Verstappen geweest die voor het eerst aandacht heeft gevraagd voor deze toepassingsmogelijkheid van de bij dode opgerichte stichting,4 maar ook Burgerhart5 en Vegter6 mogen niet ongenoemd blijven.
Een bij dode opgerichte stichting kan ook worden gebruikt voor constructies die de wet niet kent of verbiedt. Zo zou bijvoorbeeld een op een testamentair bewind gelijkende figuur kunnen worden gecreëerd zonder dat de vijfjaarstermijn van artikel 4:178 lid 2 BW van toepassing zou zijn. Hiermee betreed ik het gebied van wetsontduiking, waarop ik nader inga in 7.2.
Een erflater zou ook een bij dode opgerichte stichting kunnen benoemen tot executeur (artikel 4:142 lid 1 BW) of bewindvoerder (artikel 4:157 BW), of tot, bijvoorbeeld, bestuurder van een stichting-administratiekantoor. Dit is mogelijk omdat de bij dode opgerichte stichting benoembaar is in elke functie waarin ook een natuurlijk persoon benoembaar is, tenzij de wet7 of de buitenwettelijke regeling dat niet toestaat.
De bij dode opgerichte stichting kan ook haar diensten bewijzen bij het bewaken van niet-vermogensrechtelijke belangen van de erflater. Hierbij kan worden gedacht aan bescherming van een werk van de erflater tegen misvorming, verminking of andere aantasting. Vereist is dan uiteraard wel dat deze zogenoemde ‘persoonlijkheidsrechten’ vatbaar zijn voor overgang. Bekend zijn de persoonlijkheidsrechten uit artikel 25 lid 1 letters a tot en met d Aw 1912 en artikel 5 Wnr.8
Het laatste voorbeeld dat ik noem als verschijningsvorm van een bij dode opgerichte stichting, is de stichting als ‘bufferorganisatie’ ter bescherming van erfgenamen. De bescherming die een dergelijke bij dode opgerichte stichting aan erfgenamen tegen schulden van de erflater kan bieden, gaat veel verder dan de bescherming die de aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving van erflaters nalatenschap biedt.9 Een bij dode opgerichte stichting kan echter ook bescherming bieden tegen de schuldeisers van de erfgenamen en tegen aansprakelijkheid van de executeur voortvloeiende uit artikel 47 Inv. Wet 1990. De mogelijkheden die de bij dode opgerichte stichting bij de bescherming tegen schulden biedt, komt aan de orde in 7.4.
Uit het vorenstaande blijkt al dat de bij dode opgerichte stichting een zeer veelzijdig toe te passen rechtspersoon is.