Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/6.2.2
6.2.2 De veelzijdigheid van beginselen
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715435:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld §4.3.3 en ook voetnoot 2198 en voetnoot 1164.
Zie bijvoorbeeld de uitbreiding van de samenspanningsregeling en het werven voor de gewapende strijd in 2004 (Kamerstukken II 2003/04, 28463, nr. 10, p. 3), de strafbaarstelling van voorbereiding van geweldpleging (artikel 141a Sr; Kamerstukken II 2008/09, 31467, nr. 23; Kamerstukken I 2008/09, 31467, A) en het wetsvoorstel om onder deelneming aan een criminele of terroristische organisatie ook het verlenen van stoffelijke en geldelijke steun te verstaan (Kamerstukken II 2001/02, 28463, nr. 2; Kamerstukken II 2003/04, 28463, nr. 7, p. 1). Ook het schrappen van het verenigingsvereiste bij voorbereiding geschiedde bij nota van wijziging (Kamerstukken II 2001/02, 28031, nr. 5, p. 4; Kamerstukken II 2001/02, 28031, nr. 6, p. 1). In vergelijkbare zin heeft de Werkgroep Van Veen niet kunnen reflecteren op de voor- en nadelen van de beslissing van de minister om – in afwijking van haar advies – tot een algemene strafbaarstelling van voorbereiding te komen.
Van der Woude 2010, p. 359-360; Keulen 2009a, p. 55-57; Van der Wilt 2007, p. 156-157; Prakken & Roef 2004, p. 216-217; Buruma 2003, p. 84. De Raad van State lijkt zich soms ook enigszins gepasseerd te voelen. De Raad van State merkte bijvoorbeeld in zijn advies over de strafbaarstelling van voorbereiding van geweldpleging (artikel 141a Sr) – dat pas door de regering werd aangevraagd na herhaaldelijk aandringen van de Eerste Kamer (Kamerstukken I 2008/09, 31467, D, p. 2; Kamerstukken I 2009/10, 31467, E, p. 1) – ten overvloede op “dat de regering tijdens de behandeling van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer kennelijk geen aanleiding heeft gezien om de amendementen aan hem voor te leggen” (bijlage bij Kamerstukken I 2009/10, 31467, G).
Hoewel, zoals hiervoor is gebleken, het raamwerk van Ferrajoli behulpzaam is bij het inzichtelijk maken van de verhoudingen tussen verschillende beginselen, zegt het maar in beperkte mate iets over de precieze inhoud van de individuele beginselen. De in dit boek besproken beginselen worden in de praktijk zeer uiteenlopend uitgelegd. Er bestaat weliswaar doorgaans een oppervlakkige overeenstemming over de gelding van (het uitgangspunt van) het beginsel in abstracto, maar daaronder blijken bij nadere beschouwing zeer uiteenlopende opvattingen schuil te gaan als het op de concrete operationalisering aankomt. Deze opvattingen zijn mijns inziens ten minste ten dele terug te leiden tot rechtspolitieke en rechtsfilosofische meningsverschillen over de grenzen van legitiem overheidsingrijpen. Om de verschillende opvattingen over de gelding, interpretatie en reikwijdte van beginselen te kunnen begrijpen, is het daarom nuttig om beginselen te interpreteren vanuit meerdere rechtspolitieke en rechtsfilosofische perspectieven. Deze perspectieven leggen de rechtspolitieke achtergrond van beginselen bloot, werpen vanuit meerdere kanten licht op beginselen en brengen zodoende een diversiteit aan relevante aspecten aan bod. Zo benadrukt het liberale perspectief het belang van individuele vrijheid en de bescherming van burgers tegen de machtige overheid. Het communitaristische perspectief wijst daarentegen bijvoorbeeld veel meer op de rol die fenomenen als onrust, groepsopvattingen over immoraliteit en in- en uitsluiting in gemeenschappen spelen. Het functionalistische perspectief onderstreept tot slot allerlei praktische, empirische grenzen waar ieder rechtssysteem noodzakelijkerwijs ook rekening mee moet houden.
Deze veelzijdigheid van beginselen is tegelijkertijd een kracht en een zwakte. Het is een kracht, omdat een beginsel zo voor uiteenlopende groepen een overtuigende, gemeenschappelijke basis kan bieden om over het recht te denken. Het is echter ook een zwakte, omdat binnen dat beginsel voor ieder van die groepen iets volstrekt anders centraal kan staan, zodat toetsing aan een beginsel voor twee verschillende auteurs tot twee volstrekt verschillende conclusies kan leiden. In de voorgaande hoofdstukken bleek dat diverse beginselen in de voorfase in toenemende mate zeer ruim worden uitgelegd en dat soms zelfs de gelding van het beginsel ter discussie wordt gesteld. Er lijkt – mogelijk in relatie daarmee – steeds minder aandacht te zijn voor de dogmatische gevolgen van wetswijzigingen op het gebied van strafbaarstellingen in de voorfase. Illustratief daarvoor is de wijze waarop de wetgever omgaat met adviezen van de Raad van State en rechtsgeleerde kritiek.1 Typerend is namelijk dat de uitbreiding van de reikwijdte van het strafrecht in de voorfase meermaals bij amendement is geschied.2 Dat brengt het risico met zich dat een dogmatische discussie niet van de grond komt, niet in de laatste plaats omdat een toevoeging in een laat stadium ertoe kan leiden dat de Raad van State de facto gepasseerd wordt en geen advies uitbrengt over de voorgestelde wetswijziging.3 Zowel voor het ultimum remedium-beginsel als voor het daadstrafrechtbeginsel geldt inmiddels zelfs dat openlijk de vraag wordt gesteld of de wetgever en juridische auteurs niet slechts lippendienst bewijzen aan deze beginselen, terwijl ze inhoudelijk steeds verder worden uitgekleed. Juist daarom is het van groot belang dat steeds duidelijk wordt gemaakt wat een bepaald beginsel voor een bepaalde auteur inhoudt. Dat maakt immers niet alleen uit voor de reikwijdte van dat beginsel, maar ook voor de vraag hoe het beginsel zich verhoudt tot andere beginselen. Blijft te onduidelijk wat een bepaald beginsel voorschrijft, dan rijst al snel de verdenking dat beginselen voor subjectieve en politieke doeleinden worden misbruikt, wat de overtuigingskracht van een beroep op beginselen bij bijvoorbeeld de wetgever kan ondermijnen. Het gevaar bestaat dat als gevolg daarvan het kind met het badwater wordt weggegooid. Hiervoor bleek immers reeds dat toetsing aan beginselen, zeker in combinatie met een benadering waarbij die beginselen vanuit meerdere perspectieven worden belicht (of op zijn minst expliciet wordt onderkend dat er meerdere perspectieven mogelijk zijn), waardevol en nuttig kan zijn.