Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.3.8.2
8.3.8.2 De bescherming van een verkrijger tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS412263:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Salomons 1997, p. 332.
HR 9 november 1951, NJ 1952/558 en HR 25 september 1953, NJ 1954/190.
HR 24 november 1967, NJ 1968/74.
HR 29 juni 1979, NJ 1980/133 (Hoogovens/Matex) m.nt. W.M. Kleijn.
HR 29 juni 1979, NJ 1980/133 (Hoogovens/Matex) m.nt. W.M. Kleijn.
De verkrijger wordt niet alleen beschermd om billijkheidsredenen, maar ook ten behoeve van het rechtsverkeer. Zie: Nieskens & Van der Putt 2002, p. 15.
Hoewel de verzekerde vordering hoger kon zijn dan de koopprijs, was de zekerheidseigenaar er zich van bewust dat de zaak in executie nooit meer op zou leveren dan deze koopprijs bij een onderhandse verkoop. Zijn belang ten aanzien van de zaak was dan ook niet groter dan de koopprijs.
Om die reden wordt een verkrijger die een zaak verkrijgt in een normale bedrijfsuitoefening beschermd tegen het stille pandrecht in de Draft Common Frame of Reference IX. – 6:102(2), zonder dat de kennis van de verkrijger over het bestaan van het pandrecht ertoe doet.
Deze problematiek heb ik eerder besproken in Van Hoof 2013.
Vgl. Reehuis 1987, nr. 227; Nieskens & Van der Putt 2002, p. 15; Van Hoof 2011, p. 639.
Artikel 2014 beschermde verkrijgers tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder en luidde: ‘Met betrekking tot roerende goederen (…) geldt het bezit als volkomen titel.’ Ten tijde van de opkomst van de zekerheidsoverdracht met levering constituto possessorio leidde men in de literatuur en rechtspraak uit dit artikel af dat een verkrijger direct eigendom van een beschikkingsonbevoegde kreeg, mits hij te goeder trouw was.1 Wanneer was een verkrijger te goeder trouw?
Een verkrijger werd beschermd als hij de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder niet kende of behoorde te kennen. Een verkrijger om baat mocht in beginsel aannemen dat zijn wederpartij beschikkingsbevoegd was, maar als hij gegronde redenen had om te twijfelen aan diens beschikkingsbevoegdheid, rustte op hem een onderzoeksplicht.2 Zo moest de verkrijger van een auto de autopapieren inzien.3 Zekerheidseigendom bleek in beginsel niet naar buiten en een verkrijger die geen reden had om aan de beschikkingsbevoegdheid van zijn wederpartij te twijfelen, werd snel beschermd.
Een verkrijger die kon vermoeden dat zijn wederpartij haar zaken tot zekerheid had overgedragen, voldeed in beginsel niet aan de objectieve goede trouw. De Hoge Raad heeft in het arrest Hoogovens/Matex echter geoordeeld dat een verkrijger die de beschikkingsonbevoegdheid van zijn wederpartij kon vermoeden, toch te goeder trouw kon zijn.4 In deze zaak had Hoogovens stalen platen onder eigendomsvoorbehoud geleverd aan Swarttouw. Vervolgens droeg Swarttouw de platen over aan Matex. Matex wist dat Hoogovens de platen aan haar wederpartij had geleverd, maar stelde zich op het standpunt dat zij het eigendomsvoorbehoud niet kende. De rechtbank oordeelde echter dat Matex rekening diende te houden met de mogelijkheid, dat Swarttouw het staal onder eigendomsvoorbehoud geleverd kreeg en derhalve met de mogelijkheid, dat Swarttouw tot de overdracht daarvan niet bevoegd was. Ten slotte oordeelde de rechtbank: ‘Matex heeft in dit verband nog betoogd, dat zij geen reden had te twijfelen aan het normaal tot afwikkeling komen van de koopovereenkomsten tussen NVW (Hoogovens, VvH) en Swarttouw, doch zulks vermag in de omstandigheden van het onderhavige geval het gebrek aan goede trouw van Matex niet op te heffen.’ Het Hof hechtte aan deze verwachting van Matex gewicht en de Hoge Raad oordeelde ten slotte:
‘Ook heeft het Hof geen onjuiste maatstaf aangelegd door in dit verband betekenis toe te kennen aan het verkeersbelang dat bescherming vereist van hem die geen reden heeft te twijfelen aan het normaal tot afwikkeling komen van koopovereenkomsten als in het onderhavige geval door Swarttouw (vervreemder, VvH) met haar leveranciers waren gesloten, waarbij het Hof er kennelijk vanuit is gegaan dat bij een normale afwikkeling van zodanige koopovereenkomsten de koper, ondanks een eigendomsvoorbehoud, niet onbevoegd is tot doorlevering, hetzij omdat hij zijn leverancier tijdig heeft betaald, hetzij omdat de leverancier geen reden heeft zich te verzetten tegen een doorlevering, met het oog waarop, naar hij kon verwachten, de koopovereenkomst werd gesloten.’5
Een verkrijger was met andere woorden ook te goeder trouw als hij wist of kon vermoeden dat wederpartij slechts eigendom onder opschortende voorwaarde had en hij er onder de gegeven omstandigheden van uit mocht gaan dat de overeenkomst tussen zijn wederpartij en diens schuldeiser ‘normaal’ afgewikkeld zou worden. Hij werd snel beschermd, omdat de belangen van de verkrijger en de schuldeiser elkaar niet hoefden te bijten.6 Het belang van de zekerheidseigenaar was dat de vordering die hij op zijn schuldenaar had, werd nagekomen. Het behouden van het zekerheidsrecht was geen doel op zich.7 Het belang van de verkrijger was het verwerven van een onbezwaarde zaak waarvoor hij een koopprijs had betaald.8 In theorie kon de schuldenaar de schuldeiser betalen met de ontvangen koopprijs. De zekerheidseigendom van de zaak kwam weliswaar niet van rechtswege te rusten op de vordering tot betaling van de koopprijs, maar dat was niet problematisch in het geval de schuldenaar geen betalingsproblemen had en zijn schuldeisers telkens bleef betalen.9
Het is zelfs denkbaar dat een verkrijger er ook nog redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat de zekerheidseigenaar zich niet tegen onbezwaarde vervreemding verzette, als hij wel met betalingsmoeilijkheden van de vervreemder bekend was. Dit hangt samen met de kwaliteit van de zekerheidseigenaar. Een zekerheidseigenaar was vaak de huisbank van de schuldenaar en hij had ook alle toekomstige vorderingen van de schuldenaar bij voorbaat aan zich laten cederen. Als de koper van een fiduciair overgedragen zaak de koopprijs op de rekening-courant bij de huisbank betaalde, zal de bank deze vordering hebben verrekend met de vorderingen die hij op de schuldenaar had. Daardoor mocht een verkrijger ook in het geval de vervreemder in betalingsmoeilijkheden verkeerde, er sneller van uit gaan dat de schuldeiser zich niet tegen onbezwaarde overdracht verzette. Die indruk werd versterkt doordat de zekerheidseigenaar de schijn wekte dat hij zijn zekerheidsrecht niet zou uitoefenen door de zaken niet onder zich te nemen.10
Een verkrijger mocht er met andere woorden vanuit gaan dat een schuldeiser met zekerheidseigendom de betalingsmoeilijkheden van de vervreemder ook kende en onbezwaarde vervreemding toestond, zolang hij zijn stille zekerheidsrecht niet omzette in zekerheidseigendom met macht over de zaak. De invulling van de goede trouw onder het oude burgerlijk recht heeft voor de verkrijger de rol van het specialiteitsbeginsel nagenoeg overgenomen. Hoewel de verkrijger niet wist dat de zaak al eerder aan een ander tot zekerheid in eigendom was overgedragen, kon hij er op vertrouwen dat een zekerheidseigenaar hem niet zou lastigvallen indien hij een koopprijs betaalde.