Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/5.2.3
5.2.3 Anti-vrouwenhandel en kinderhandel verdragen (20e eeuw)
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS390994:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een beschrijving van deze verdragen ook Havekamp 1998, p. 146-149, BNRM 2002, p. 18-19, Alink & Wiarda 2010, p. 181-184, Gallagher 2010, p. 57-58.
Stb. 1906, 369, Stb. 1912, 133, Stb. 1923, 359, Stb. 1935, 598.
International Agreement for the suppression of the White Slave Traffic 18 mei 1904, in werking getreden op 18 juli 1905, United Nations Treaty Series, vol. I, p. 83.
BNRM 2002, p. 18, Gallagher 2010, p. 57.
International Convention for the Suppression of the White Slave Traffic 4 mei 1910, League of Nations, Treaty Series, vol. VIII, p. 278. Verbeterd bij protocol van de algemene vergadering van de VN in 1949 ‘Protocol Amending the International Convention for the Suppression of the White Slave Traffic’, in werking getreden op 14 augustus 1951, United Nations, Treaty Series, vol. 30, No. 446.
International Convention for the Suppression of the Traffic in Women and Children, League of Nations, Treaty Series, vol. IX, p. 415. Verbeterd bij Protocol van de algemene vergadering van de VN in 1947 ‘Protocol to amend the 1921 Convention for the Suppression of the Traffic in Women and Children and the 1933 Convention for the Suppression of the Traffic in Women of Full Age’, United Nations, Treaty Series, vol. 53, No. 770.
Zie ook Havekamp 1996, p. 146, BNRM 2002, p. 19, Gallagher 2010, p. 58.
International Convention for the Suppression of the Traffic in Women of Full Age, League of Nations, Treaty Series, vol. CL, p. 431. Verbeterd bij protocol van de algemene vergadering van de VN in 1947, ‘Protocol to amend the 1921 Convention for the Suppression of the Traffic in Women and Children and the 1933 Convention for the Suppression of the Traffic in Women of Full Age’, United Nations, Treaty Series, vol. 53, No. 770.
Convention for the Suppression of the Traffic in Persons and of the Exploitation of the Prostitution of Others, United Nations, Treaty Series, vol. 96, No. 1342.
Zie uitgebreid § 3.2.2.
Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women, United Nations, Treaty Series, vol. 1249, No. 20378.
Zie ook Gallagher 2010, p. 64.
Convention on the Rights of the Child, United Nations, Treaty Series, vol. 1577, No. 27531.
Zie bijvoorbeeld UN Committee on the Rights of the Child, ‘Concluding Observations: Democratic Republic of Congo’ 2009, UN Doc. CRC/C/COD/CO/2, § 82-83 (seksuele en economische uitbuiting), ‘Concluding Observations: Moldava’ 2009, UN Doc. CRC/C/ MDA/CO/3 § 68 (seksuele en economische uitbuiting), ‘Concluding Observations: Chile’ 2008, UN Doc. CRC/C/OPSC/CHL/CO/1 § 23 (gedwongen arbeid), ‘Concluding Observations: Sweden’ 2007, UN Doc. CRC/C/OPAC/SWE/CO/1 § 6 (oorlogsdienst en gedwongen arbeid), ‘Concluding Observations: Kenya’ 2007, UN Doc. CRC/C/KEN/ CO/2 § 40 (adoptie), ‘Concluding Observations: Malaysia 2007, UN Doc. CRC/C/MYS/ CO/1 § 95 (seksuele uitbuiting, gedwongen arbeid en adoptie). Zie Gallagher 2010, p. 66 noot 76.
Joint action to combat trafficking in human beings and sexual exploitation of children, Joint Action 97/154/JHA, Official Journal L 63 of 04.03.1997.
Council Framework Decision on combating trafficking in human beings, Council Framework Decision 2002/629/JHA, Official Journal L 203/1. Zie verder § 5.2.5.
The Hague Ministerial Declaration on European guidelines for effective measures to prevent and combat trafficking in women for the purpose of sexual exploitation, 24-26 april 1997.
Nederland heeft hieraan voldaan door in 2000 een Nationaal Rapporteur Mensenhandel aan te stellen die rapporteert over de aard en omvang van mensenhandel in Nederland en over de effecten van het beleid op dit terrein, zie ook BNRM 2002, p. 51-54.
Optional Protocol to the Convention on the Rights of the Child on the sale of children, child prostitution and child pornography, General Assembly resolution 54/263, annex II.
Trb. 2001, 63.
Kamerstukken II 2004/05, 30 157, nr. A, nr. 1, p. 4.
Zie § 5.2.5.
Zie § 5.2.5 en zie ook Kamerstukken II 2004/05, 30 157, nr. A, nr. 1, p. 5.
Zie ook Gallagher 2010, p. 14-15.
Ook al ziet deze dissertatie op arbeidsuitbuiting, het is van belang ook aandacht te besteden aan de verdragen uit de 20e eeuw gericht op seksuele mensenhandel, nu deze van invloed zijn geweest op de huidige strafbaarstelling van mensenhandel (waar arbeidsuitbuiting deel van uitmaakt). Deze geschiedenis is dan ook relevant voor de interpretatie van het delict.
Vanaf het begin van de twintigste eeuw groeit de aandacht voor de bestrijding van de handel in vrouwen en kinderen voor seksuele doeleinden. Tussen 1904 en 1933 worden vier verschillende internationale verdragen ontwikkeld die de handel in vrouwen en kinderen betreffen.1 Nederland is bij alle vier de verdragen partij.2 In 1904 komt de Internationale regeling inzake de bestrijding van de handel in blanke vrouwen en meisjes tot stand.3 De regeling beoogt bescherming te bieden tegen de handel in meerderjarige vrouwen en minderjarige meisjes, de zogenaamde ‘blanke slavinnen’ (white slaves), voor prostitutiedoeleinden naar het buitenland. In de regeling staan een aantal afspraken op het terrein van toezicht, informatievergaring en uitwisseling en repatriëring van slachtoffers van vrouwenhandel. De regeling voorziet niet in de mogelijkheid tot bestraffing van de daders.4 In 1910 volgt de Internationale conventie inzake de bestrijding van de handel in blanke vrouwen en meisjes.5 Dit verdrag maakt de bestraffing en uitlevering van handelaren wel mogelijk. De vrouwenhandel in dit verdrag ziet voorts niet meer alleen op handel naar het buitenland, maar ook op de handel binnen landsgrenzen. In 1921 worden de bestaande regelingen aangevuld met het Internationaal verdrag inzake de bestrijding van handel in vrouwen en kinderen.6 Anders dan de eerdere verdragen komt in dit verdrag de term white slavery niet meer voor. Verder voert het verdrag de sekseneutrale term ‘kinderen’ in, waardoor ook minderjarige jongens als potentieel slachtoffer voor prostitutiedoeleinden worden erkend.7 Het Internationaal verdrag inzake de bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen in 1933 breidt de bestaande regelingen inzake vrouwenhandel verder uit.8 Dit verdrag biedt eveneens bescherming aan meerderjarige vrouwen die met hun toestemming zijn verhandeld.
In 1949 incorporeert de VN de vier verdragen van 1904 tot en met 1933 en vult deze aan in het Verdrag inzake de bestrijding van mensenhandel en de exploitatie van prostitutie.9 Nederland is geen partij bij het VN Verdrag van 1949, omdat het verplicht tot strafbaarstelling van uitbating van meerderjarige vrouwen die zich vrijwillig prostitueren hetgeen tegen het dan geldende nationale beleid indruist.10 Het duurt daarna 30 jaar voordat op internationaal niveau vrouwenhandel weer onderwerp van wetgeving wordt. In 1979 komt het VN Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie jegens de vrouw tot stand.11 Artikel 6 van het verdrag verplicht staten om alle passende maatregelen te nemen, waaronder wetgeving, ter bestrijding van alle vormen van handel in vrouwen en van het exploiteren van prostitutie van vrouwen. Wat valt onder ‘alle vormen van vrouwenhandel’ en ‘exploitatie van prostitutie’, wordt niet gedefinieerd.12
In 1990 treedt het VN Verdrag uit 1989 inzake de rechten van het kind in werking.13 Artikel 35 verplicht lidstaten alle mogelijke maatregelen te nemen ter bescherming van kinderen tegen ontvoering, verkoop en handel voor welk doel of in welke vorm dan ook. En artikel 34 verplicht staten alle mogelijke maatregelen te nemen ter bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik. Ook al ligt de nadruk op seksuele uitbuiting, de Commissie van de Rechten van het Kind (opgericht om de implementatie van het verdrag te monitoren) heeft erkend dat de handel in kinderen met als doel arbeidsuitbuiting waaronder dwangarbeid en onder omstandigheden adoptie ook onder het verdrag valt.14
Binnen Europa komt in 1997 het Gemeenschappelijk Optreden van de Europese Unie ter bestrijding van mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen tot stand.15 Het heeft tot doel de nodige maatregelen te treffen om een einde te maken aan mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen. De term mensenhandel ziet in dit verdrag alleen op de seksuele uitbuiting. Het Gemeenschappelijk Optreden wordt in 2002 aangevuld door het Kaderbesluit van de Europese Unie inzake de bestrijding van mensenhandel.16 In hetzelfde jaar wordt eveneens de Verklaring van Den Haag bevattende Europese richtlijnen voor effectieve maatregelen ter voorkoming en bestrijding van vrouwenhandel, gericht op seksuele uitbuiting uitgesproken.17 In deze verklaring is onder meer bepaald dat de lidstaten zullen overgaan tot de aanstelling van een Nationaal rapporteur vrouwenhandel.18
Tot slot stelt de VN in 2000 het VN Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen, prostitutie en pornografie bij het Verdrag inzake de rechten van het kind van 2000 op.19 Nederland heeft dit protocol ondertekend.20 Het protocol verplicht onder meer tot strafbaarstelling van het aanbieden, afleveren of aanvaarden van een kind met het oogmerk van seksuele uitbuiting, de overdracht van organen uit winstbejag, of het onderwerpen van een kind in dwangarbeid, en het als tussenpersoon onrechtmatig verkrijgen van toestemming voor illegale adoptie. Het stelt verder strafbaar het aanbieden, verkrijgen of beschikbaar stellen van een kind voor prostitutie en enige handelingen met betrekking tot kinderpornografie.21 Deze gedraging is ook strafbaar op grond van het VN Protocol mensenhandel.22 Het protocol wordt later in hetzelfde jaar dan ook geïncorporeerd door het VN Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel.23
De anti-vrouwenhandel- en kinderhandelverdragen tonen de duidelijke belangstelling voor de bestrijding van seksuele handel en uitbuiting in de twintigste eeuw. De nadruk ligt in de eerste helft van de 20e eeuw op het bestrijden van vrouwenhandel. De verdragen van 1904 tot en met 1933 beperken de reikwijdte daartoe. Vanaf 1949 komen echter verdragen tot stand die ook specifiek betrekking hebben op het tegengaan van uitbuiting (exploitatie van prostitutie).24 Problematisch is evenwel dat in de verdragen niet wordt gedefinieerd wat handel of exploitatie dan wel uitbuiting inhouden. Het onderscheid tussen handel en uitbuiting vertroebelt daardoor. In § 5.5 en hoofdstuk 6 en hoofdstuk 7 komt dit nader aan de orde.