25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/31.7:31.7 Slotbeschouwing
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/31.7
31.7 Slotbeschouwing
Documentgegevens:
prof. mr. M.W.C. Feteris, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. M.W.C. Feteris
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. punt 1.
Kamerstukken II 1999/00, 26800, VI, 7, p. 9.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Deze beschouwing leidt mij tot het volgende totaalbeeld. Met de invoering van de eerste tranche van de Awb in 1994 heeft al een belangrijke toenadering plaatsgevonden tussen het fiscale en het overige bestuursrecht. Het onheil dat sommige fiscalisten hiervan verwachtten is uitgebleven. In de daarop volgende 25 jaar is de toenadering tussen deze delen van het bestuursrecht per saldo geleidelijk verder gegaan als gevolg van wetswijzigingen en beleidsregels. Bovendien hebben rechters en wetenschappers op fiscaal en ander bestuursrechtelijk gebied een opener blik ontwikkeld voor elkaars opvattingen. Naast deze convergerende tendensen valt echter te constateren dat er nog steeds de nodige, soms forse verschillen bestaan. Met name noem ik het gesloten stelsel van rechtsbescherming en de vrijwel categorische uitzondering van toepassing van de Awb in de Invorderingswet 1990. Verdere toenadering behoort mijns inziens technisch gezien wel tot de mogelijkheden. Pogingen daartoe verdienen ook steun.1 Op wat langere termijn zou een stimulans hiertoe kunnen uitgaan van een – te ontwerpen – algemene regeling in de Awb over heffingen. De regering heeft dit in 1999 genoemd als een van de mogelijke onderwerpen voor een vijfde tranche van de Awb.2 Al meer dan 10 jaar geleden meldde de regering echter dat er geen concrete voornemens bestonden om tot een vijfde tranche van de Awb te komen,3 en sindsdien is het op dit gebied stil gebleven. Maar voor de verdere toekomst zou dit wel een aanleiding en een kader kunnen zijn om in meer algemene, systematische zin te doordenken welke bijzonderheden aan de heffing van overheidsbijdragen zijn verbonden die aparte regels van algemeen bestuursrecht daarvoor rechtvaardigen. Daarmee is dan meteen de vraag aan de orde welke van de overige regels uit de Awb bruikbaar zijn voor toepassing op heffingen, en dus geen aanleiding geven tot bijzondere afwijkende bepalingen in een heffingswet. Daarmee zou een zo groot mogelijke toenadering tussen beide rechtsgebieden bereikt kunnen worden. De toekomst zal moeten leren of het zover komt.