Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/IV.2.1.2
IV.2.1.2 Wie benoemt de niet-uitvoerende bestuurder?
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242747:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 2:132/242 lid 1 BW.
Zie HR 15 december 2000, NJ 2001, 109 m.nt. Maeijer; JOR 2001/1 m.nt. Van den Ingh (Van Ekelenburg/Squamish Corporation). Ik merk op dat in deze zaak de benoeming van een ‘gewone’ bestuurder centraal stond. Omdat de niet-uitvoerende bestuurder de hoedanigheid van bestuurder heeft, geldt de eis van het bestaan van een benoemingsbesluit mijns inziens evenzeer voor hem. Zie in deze lijn voorts HR 6 januari 2011, NJ 2012, 336 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2012/75 m.nt. Verburg (Imeko), waarin de Hoge Raad oordeelde dat commissarissen voor een zekere tijd daden van bestuur kunnen verrichten, maar dat zij zonder een daartoe strekkend benoemingsbesluit van het daartoe bevoegde orgaan geen deel uitmaken van het bestuur.
HR 9 januari 2015, NJ 2015, 124 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2015/34 m.nt. Frielink (Hato/ACU). Hoewel het in deze zaak ging om een coöperatie, meen ik dat de overwegingen van de Hoge Raad eveneens toepasbaar zijn op kapitaalvennootschappen. De relevante overwegingen zien namelijk op de algemene bepalingen van Boek 2 BWC. Deze bepalingen gelden voor alle rechtspersonen.
HR 9 januari 2015, NJ 2015, 124; JOR 2015/34 (Hato/ACU). Art. 36 lid 1 van de statuten van ACU bepaalde dat het dagelijks bestuur bestond uit een voorzitter, een secretaris en een penningmeester. Het vijfde lid van deze bepaling bood het dagelijks bestuur de mogelijkheid taken en bevoegdheden te delegeren aan een door het bestuur aan te stellen algemeen directeur. Hieruit volgt dus niet dat deze zelf tot het (uitvoerend) bestuur is gaan behoren.
HR 9 januari 2015, NJ 2015, 124; JOR 2015/34 (Hato/ACU). Een ander argument is nog te vinden in art. 40 van de statuten van ACU. Op grond van deze bepaling behoorde het bestuur de arbeidsvoorwaarden van de algemeen directeur vast te stellen. Bestuurders kunnen echter niet op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn, zo volgt uit art. 2:8 lid 5 BWC. Zie § IV.3.3.
Verburg 2015, p. 23. In dezelfde zin onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/171; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.6, p. 733; Bennaars 2015, p. 113; Handboek 2013/245, p. 526; Lokin 2018, p. 420-421; en Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, p. 194. Anders: Blanco Fernández, Ondernemingsrecht 2000, afl. 17, p. 474, die meent dat aanvaarding van de benoeming geen vereiste is voor het ontstaan van het bestuurderschap. Hoewel de opvatting van Blanco Fernández steun lijkt te vinden in de wettekst, ben ik in navolging van Bennaars 2015, p. 115; en Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:132/242 BW, aant. 10, van oordeel dat het bestuurderschap niet kan worden opgedrongen aan degene die tot bestuurder is benoemd. Het bestuurderschap komt dus pas tot stand zodra de niet-uitvoerende bestuurder met zijn benoeming heeft ingestemd.
Aldus ook onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/240; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.6, p. 733; en Handboek 2013/247, p. 532.
Zie voor de SE aldus ook art. 43 lid 3 SE-Vo.
In dezelfde zin Dortmond, Kroeze & Nowak, Ondernemingsrecht 2010/9.
Voor structuurvennootschappen biedt het twaalfde lid van art. 2:158/268 BW de mogelijkheid in een custom made regeling te voorzien. Bij structuurvennootschappen zijn er derhalve wél meer smaken. Ik kom daar in het hiernavolgende op terug.
Zie art. 2:136/236 lid 1 BWC/BW-SM/BW-BES. Op Aruba geldt daarentegen een regeling die vergelijkbaar is met de Nederlandse regeling. Op grond van art. 53 lid 1 LVBA worden de bestuurders van een Arubaanse vennootschap met beperkte aansprakelijkheid benoemd door de algemene vergadering. De statuten kunnen de bevoegdheid tevens toekennen aan afzonderlijke, nader aan te duiden aandeelhouders dan wel een nader aan te duiden vergadering van aandeelhouders.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 19 (MvT).
In dezelfde zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/449; en Van Olffen 2009, p. 47.
Idem Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/449; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.6, p. 763; Lennarts & Roest 2016, p. 101; en Van Olffen 2009, p. 47.
Boek 2 BW maakt thans geen onderscheid tussen het volledige en het verzwakte structuurregime. Zodra het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen tot wet verheven wordt, geldt de regel dat de uitvoerende bestuurders worden benoemd door de niet-uitvoerende bestuurders alleen wanneer de vennootschap het volledige structuurregime hanteert. Zie Kamerstukken II 2015/16, 34 491, 2, p. 8-10. Zie hierover § VI.5.6.
In verband met de leesbaarheid verwijs ik in het vervolg enkel naar de bepalingen die gelden voor de benoeming van commissarissen. Deze bepalingen zijn op grond van art. 2:164a/274a lid 1 BW eveneens van toepassing op de benoeming van de niet-uitvoerende bestuurders.
Zie art. 2:158/268 lid 4 BW. De gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders behoren op grond van art. 2:158/268 lid 3 BW een profielschets vast te stellen voor de samenstelling en omvang van het niet-uitvoerende deel van het bestuur. Hierbij moet rekening worden gehouden met de aard van de onderneming, haar activiteiten en de gewenste deskundigheid en achtergrond van de niet-uitvoerende bestuurders.
De algemene vergadering kan deze bevoegdheid voor een door haar te bepalen duur van ten hoogste twee jaar overdragen aan een aandeelhouderscommissie waarvan zij de leden aanwijst, zo volgt uit art. 2:158/268 lid 10 BW.
Zie hierover § IV.5.2.
Zie hierover Holtzer 2009, p. 58-59.
Zie art. 2:158/268 lid 9 BW.
Zie ten aanzien van de benoeming van commissarissen uitdrukkelijk Kamerstukken II 2001/02, 28 179, 3, p. 37 (MvT). Zie over het systeem van coöptatie uitgebreid Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/523.
Idem onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/522; en Handboek 2013/287, p. 620. Op grond van art. 2:158/268 lid 12 BW kan evenwel niet de gehele benoemingsregeling aan de kant worden geschoven. Zo is het niet mogelijk af te wijken van het voorschrift dat de niet-uitvoerende bestuurders een profielschets vaststellen. Zie voor de overige beperkingen art. 2:158/268 lid 12 BW.
Zie art. 2:158/268 lid 12 BW.
Vgl. Lennarts & Roest 2016, p. 103. Overigens kan de benoemingsbevoegdheid bij structuur-NV’s eveneens worden toegekend aan houders van een bepaalde soort aandelen. Art. 2:158/268 lid 12 BW biedt op dit punt volledige vrijheid.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 21 (MvT).
Daarvoor is mijns inziens niet vereist dat het bestuur van de vennootschap is ingericht als een one tier board. Zie § III.2.5.
Zie Hof Amsterdam (OK) 10 april 2014, ARO 2014/95 (AAA Auto Group NV); en Hof Amsterdam (OK) 1 november 2019, ARO 2019/193 (Bosal). In beide zaken benoemde de Ondernemingskamer een tijdelijke niet-uitvoerende bestuurder bij wege van onmiddellijke voorziening.
Over deze materie schreef ik eerder met Bulten in Kreileman & Bulten, Ondernemingsrecht 2016/109.
De benoeming van de niet-uitvoerende bestuurder kan op verschillende wijzen geschieden. In de eerste plaats kan de niet-uitvoerende bestuurder in de akte van oprichting worden benoemd. De benoeming van de niet-uitvoerende bestuurder geschiedt slechts op deze wijze wanneer de vennootschap direct bij haar oprichting voor het monistische bestuursmodel kiest. Enkel de eerste bestuurders van de vennootschap worden in de akte van oprichting benoemd.1
Na de oprichting van de vennootschap geschiedt de benoeming door een besluit van degene die bevoegd is tot benoeming. Ontbreekt een benoemingsbesluit, dan kan niet worden aanvaard dat degene die op grond van verklaringen of gedragingen van de vennootschap heeft aangenomen dat hij tot niet-uitvoerend bestuurder was benoemd, daadwerkelijk de hoedanigheid van niet-uitvoerend bestuurder in de zin van Boek 2 BW heeft.2
Illustratief is de Curaçaose zaak Hato/ACU.3 De Hoge Raad oordeelde in deze zaak dat een titulair directeur niet kan worden aangemerkt als uitvoerend bestuurder in de zin van Boek 2 BWC als hij niet als zodanig door het tot benoeming bevoegde orgaan is benoemd. De enkele vaststelling dat de titulair directeur als algemeen directeur belast was met het dagelijks bestuur van de vennootschap, brengt niet mee dat hij als uitvoerend bestuurder heeft te gelden.4 De inschrijving van Hato als algemeen directeur in de registers van de Kamer van Koophandel kan dat oordeel volgens de Hoge Raad evenmin dragen.5
Zonder benoemingsbesluit ontstaat dus geen bestuurderschap. Omgekeerd doet een benoemingsbesluit niet automatisch het bestuurderschap ontstaan. “Een bestuurder treedt pas toe tot de vennootschappelijke organisatie door aanvaarding van de benoeming”, aldus Verburg.6 Degene die tot niet-uitvoerend bestuurder is benoemd, maakt derhalve pas deel uit van het bestuur zodra hij zijn benoeming heeft aanvaard. De aanvaarding van de benoeming kan zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend geschieden.7
Maar wie is nu eigenlijk bevoegd de niet-uitvoerende bestuurder na de oprichting van de vennootschap te benoemen? De hoofdregel van art. 2:132/242 BW is helder: de algemene vergadering benoemt de bestuurders.8 Voor de BV biedt de wet de mogelijkheid van deze regel af te wijken. Op grond van art. 2:242 lid 1 BW kunnen de statuten de bevoegdheid tot benoeming van een of meer bestuurders toebedelen aan een vergadering van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding, mits iedere aandeelhouder met stemrecht kan deelnemen aan de besluitvorming inzake de benoeming van ten minste één bestuurder. Het is bij de BV dus mogelijk dat de uitvoerende bestuurders worden benoemd door een vergadering van houders van aandelen van een andere soort of aanduiding dan de niet-uitvoerende bestuurders. Voorstelbaar is eveneens dat voor iedere bestuurder een ander benoemingsregime geldt.9
Na de oprichting wordt de niet-uitvoerende bestuurder benoemd door de algemene vergadering of een vergadering van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding. Meer smaken zijn er voor niet-structuurvennootschappen niet.10 Anders dan op Curaçao, St. Maarten en de BES-eilanden, kunnen de statuten van niet-structuurvennootschappen niet in een andersluidende regeling voorzien.11 De Minister van Justitie leek daar niettemin anders over te denken. In de toelichting op het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht merkte hij op dat ook “toepassing [kan, NK] worden gegeven aan de regel dat een derde van de niet-uitvoerende bestuurders door anderen mag worden benoemd.”12
Vermoedelijk had de minister de in art. 2:143/253 BW opgenomen regeling op het oog.13 Op grond van deze bepaling kunnen de statuten de bevoegdheid tot benoeming van maximaal een derde van het aantal commissarissen bij een ander dan de algemene vergadering leggen. Zoals ik in § III.3.1 al schreef, voorziet Boek 2 BW niet in een equivalent van art. 2:143/253 BW voor vennootschappen die het monistische bestuursmodel hanteren. Uit art. 2:132/242 lid 1 BW blijkt evenmin dat de statuten een eigen regeling mogen bevatten omtrent de benoeming van de niet-uitvoerende bestuurders. De opvatting van de minister stuit derhalve af op de wet.14 De bevoegdheid om de niet-uitvoerende bestuurder te benoemen, komt bij niet-structuurvennootschappen toe aan de algemene vergadering. Bij niet-structuur-BV’s kan deze bevoegdheid bovendien aan een soort- of aanduidingsvergadering worden toebedeeld. De wettekst biedt – gelet op het dwingendrechtelijke karakter van Boek 2 BW – geen ruimte voor andersluidende statutaire regelingen.15
Zoals gezegd, maakt de wet een uitzondering voor structuurvennootschappen. Is de vennootschap onderworpen aan het structuurregime, dan benoemt de algemene vergadering slechts de niet-uitvoerende bestuurders. De benoeming van de uitvoerende bestuurders geschiedt op grond van art. 2:164a/274a lid 2 BW door de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders.16 Ik kom hier in § V.7.4 en § VI.5.6 op terug.
Ingevolge art. 2:164a/274a lid 1 BW zijn de bepalingen ten aanzien van de benoeming van commissarissen van overeenkomstige toepassing op de niet-uitvoerende bestuurders.17 Dit betekent dat de benoeming van de niet-uitvoerende bestuurders bij structuurvennootschappen geschiedt overeenkomstig de regeling van art. 2:158/268 BW. Kort gezegd komt dit erop neer dat de algemene vergadering de niet-uitvoerende bestuurders benoemt op voordracht van de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders.18 De algemene vergadering en de ondernemingsraad kunnen op grond van het vijfde lid van art. 2:158/268 BW personen aanbevelen om als niet-uitvoerend bestuurder te worden voorgedragen.19 Het zesde lid van art. 2:158/268 BW verschaft de ondernemingsraad een versterkt aanbevelingsrecht ten aanzien van een derde van het aantal niet-uitvoerende bestuurders.20 Voor een derde van het aantal niet-uitvoerende bestuurders geldt derhalve dat de niet-uitvoerende bestuurders een door de ondernemingsraad aanbevolen persoon moeten voordragen, tenzij zij daartegen bezwaar maken.21 De algemene vergadering kan de voordracht van de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders afwijzen. In dat geval maken de niet-uitvoerende bestuurders een nieuwe voordracht op.22
Het twaalfde lid van art. 2:158/268 BW biedt de mogelijkheid om van de hiervoor besproken benoemingsregeling af te wijken. Zo kan bijvoorbeeld voor een systeem van coöptatie worden gekozen, waarbij de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders de niet-uitvoerende bestuurders benoemen.23 Denkbaar is voorts dat de statuten de benoemingsbevoegdheid aan een derde toekennen. Art. 2:158/268 lid 12 BW biedt immers volledige vrijheid om in een custom made benoemingsregeling te voorzien.24 De enige voorwaarde is dat er voorafgaande goedkeuring van de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders en toestemming van de ondernemingsraad is.25
Hiervoor gaf ik aan dat de statuten van een BV de bevoegdheid tot benoeming van de niet-uitvoerende bestuurders bij een vergadering van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding kunnen leggen. Hanteert de BV het structuurregime, dan is dat eveneens mogelijk.26 De vraag rijst echter of een statutenwijziging in dat geval de enige hobbel is die genomen moet worden.
De eerste gedachte die opkomt, is dat dat inderdaad het geval is. Anders dan art. 2:252 lid 1 BW, bevat art. 2:242 lid 1 BW geen expliciete uitzondering van deze regeling voor structuur-BV’s. Toch heb ik aarzelingen. Ik vermoed dat de wetgever is vergeten de toepassing van art. 2:242 lid 1 BW uit te sluiten voor BV’s die aan het structuurregime onderworpen zijn. Zoals gezegd, beoogde de minister geen onderscheid te maken tussen structuurvennootschappen met een one tier board en structuurvennootschappen met een two tier board.27 Bovendien bevat het twaalfde lid van art. 2:158/268 BW een bijzonder regime om van de benoemingsregeling van art. 2:158/268 BW af te wijken. Zoals gezegd, is daarvoor voorafgaande goedkeuring van de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders en de toestemming van de ondernemingsraad vereist. Met art. 2:268 lid 12 BW verdraagt zich niet dat de benoemingsregeling van art. 2:268 BW bij structuur-BV’s met een monistisch bestuursmodel met een enkele statutenwijziging buitenspel gezet kan worden. Omwille van de rechtszekerheid, verdient het niettemin aanbeveling de regeling van art. 2:242 lid 1 BW expliciet uit te sluiten voor structuurvennootschappen met een one tier board.
Tot slot zijn de rechtbank en de Ondernemingskamer onder omstandigheden bevoegd tot benoeming van een niet-uitvoerend bestuurder. Zo kan de Ondernemingskamer op grond van art. 2:349a lid 2 en 3 BW en art. 2:355 jo. 2:356 sub c BW een of meer tijdelijke niet-uitvoerende bestuurders benoemen bij wijze van (onmiddellijke) voorziening in een enquêteprocedure.28 Voor zover ik heb kunnen nagaan, maakte de Ondernemingskamer tot op heden slechts tweemaal gebruik van deze bevoegdheid.29 Bij structuurvennootschappen is de Ondernemingskamer daarnaast bevoegd een of meer tijdelijke niet-uitvoerende bestuurders aan te stellen indien de algemene vergadering het vertrouwen in het collectief van de niet-uitvoerende bestuurders heeft opgezegd. Een voorwaarde is dan wel dat de uitvoerende bestuurders om de tijdelijke aanstelling hebben verzocht, zo volgt uit het derde lid van art. 2:161a/271a BW. Ik ga hier in § IV.4.3 nader op in.
De bevoegdheid om tijdelijk een of meer niet-uitvoerende bestuurders aan te stellen, komt tot slot toe aan de rechtbank die oordeelt over de oplegging van een civielrechtelijk bestuursverbod in de zin van art. 106a Fw.30 De rechtbank kan bijvoorbeeld tijdelijk een niet-uitvoerend bestuurder aanstellen wanneer zij besluit tot schorsing van degene jegens wie een procedure tot het opleggen van een civielrechtelijk bestuursverbod loopt, zo volgt uit art. 106c lid 4 Fw. De rechtbank is daartoe volgens art. 106c lid 3 Fw eveneens bevoegd indien een opgelegd bestuursverbod ertoe leidt dat de vennootschap waarin degene met een bestuursverbod de functie van niet-uitvoerende bestuurder vervulde, zonder niet-uitvoerend bestuurder komt te verkeren. Op het civielrechtelijke bestuursverbod kom ik terug in § IV.2.2.2.b. De schorsings- en ontslagbevoegdheid van de rechtbank komen in § IV.4.4 aan bod.