Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/67.6
67.6 Normeringsvraag ‘do it yourself’
mr. dr. A. Tollenaar, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Nationale ombudsman, Hoezo mijn overheid?, Den Haag 2017, p. 15 e.v.
Kamerstukken II 2017/18, 26643, 557 (Ongevraagd advies Raad van State over de effecten van de digitalisering voor de rechtsstatelijke verhoudingen).
Snellen 1992, p. 51-117.
Vgl. C.N.J. de Vey Mestdagh, ‘Een kennistechnologisch perspectief op de juridische kwaliteit van de bestuurlijke besluitvorming’, in: M. Herweijer e.a. Alles in één keer goed, Deventer: Kluwer 2005, p. 133-153.
Kamerstukken II 2017/18, 26643, 557 (Ongevraagd advies Raad van State over de effecten van de digitalisering voor de rechtsstatelijke verhoudingen).
‘337 melkveebedrijven onterecht geblokkeerd, 75 nu echt verdacht van kalverfraude’, NOS website 3 oktober 2018.
Nationale ombudsman, Geen powerplay maar fair play. Onevenredig harde aanpak van 232 gezinnen met kinderopvangtoeslag, Den Haag 2017. Zie ook T.N. Sanders, ‘De bijzondere omstandigheid bij invordering en kostenverhaal’, Gemeentestem 2018/35.
Vgl. HR 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9393, FED 2008/15, m.nt. Lokerse.
Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat er op zichzelf reden is om de Awb te herijken om de veranderde Awb-rechtsbetrekking adequaat te normeren. Wat mij betreft zijn er tenminste vier punten die aandacht behoeven. Allereerst de aanvraag. Over de voorgeschreven wijze van communicatie (‘digitaal tenzij…’) heeft de Nationale ombudsman opgemerkt dat de burger meer centraal moet staan. De Raad van State heeft het over een recht op ‘zinvol contact’.1 Dat zinvolle contact kan er volgens de Raad van State aan in de weg staan dat er uitsluitend digitaal wordt gecommuniceerd.2 De overheid moet verifiëren of boodschappen aankomen en zou dus ook moeten verifiëren of aanvragen digitaal kunnen worden aangeleverd. Dat heeft ook gevolgen voor de wijze waarop verzending en vooral: ontvangst van berichten van de overheid aannemelijk wordt gemaakt. Het argument dat een bericht afdoende bekend is gemaakt omdat deze in ‘de berichtenbox' is geplaatst overtuigt immers niet, nu het bestuur ook over de informatie (loggegevens) beschikt waaruit kan worden afgeleid of dat bericht wel is gezien.
Het tweede probleem betreft de afweging die door het systeem wordt verricht. Digitalisering staat op gespannen voet met de menselijke maat.3 Op zichzelf kan een digitaal systeem meer data verwerken dan een ambtenaar en in zoverre meer verfijnde beslissingen nemen.4 Desondanks vindt altijd uniformering plaats aan de hand van algemene criteria, waarbij de bijzondere kenmerken van een geval verdwijnen. De Raad van State stelt een recht op de maatwerk en menselijke heroverweging voor en acht de bezwaarprocedure daarvoor het meest geschikt.5 Het is echter maar helemaal de vraag of bezwaar wel past bij ‘do it yourself’. De burger zou vaker dan alleen bij bezwaar moeten kunnen verzoeken tot toepassen van menselijke maat. Dat vergt investeren in de kwaliteit van communicatie en heldere voorlichting over de procedure. Wanneer dat met een callcenter lastig is (vergelijk de Belastingtelefoon), dan biedt wellicht de relatieve rust van een chatfunctie mogelijkheden (Whatsapp). Vliegtuigmaatschappijen, zorgverzekeraars en banken kunnen dat ook, dus niet valt in te zien dat het bestuursorgaan dat niet ook zou kunnen regelen.
Daarmee komt het derde probleem aan het licht waarop de Awb herijking behoeft: het besluitbegrip verliest zijn relevantie, omdat de beslissingen die voortvloeien uit robot-achtig bestuur gepaard gaan met veel meer interacties tussen het burger en bestuur. Soms wordt überhaupt geen besluit genomen (vergelijk de casus van het pgb-portal). Rechtsbescherming laten afhangen van een besluit verwatert de effectiviteit van deze correctiemogelijkheid en biedt in ieder geval de burger te weinig houvast. Een ruimere toegang tot de bestuursrechter, ook tegen uitvoeringshandelingen wanneer het onderliggende besluit al onherroepelijk is geworden, ligt daarom voor de hand.
Het vierde probleem betreft de constatering dat de nadruk steeds meer komt te liggen op handhaving achteraf. ‘Do it yourself’ gaat gepaard met automatische interventie. Een verdenking die volgt uit datakoppeling is voldoende. De interventie kan onterecht zijn, bijvoorbeeld omdat geen sprake is van een overtreding of omdat relevante feiten ten onrechte zijn genegeerd.6 Maar zelfs als wel sprake is van een overtreding, dan komt meer dan ooit de vraag op of deze overtreding kwaadwillend is begaan of niet. Wat nu als de informatie op de website op zijn minst dubbelzinnig is? Of wat nu wanneer sprake is van een kennelijke verschrijving die niet door het systeem is voorkomen? Wanneer de handhaving bestaat uit een punitieve sanctie is de vraag naar de verwijtbaarheid van de overtreder onvermijdelijk. Maar op zichzelf is er voldoende reden om ook bij reparatoire interventies (zoals de terugvordering van toeslagen) de vraag aan de orde te stellen in hoeverre de burger wel een verwijt kan worden gemaakt.7 Op dit punt kan het belastingrecht wellicht als inspiratie dienen.8