Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/5.2.2
5.2.2 De geldende normen voor AV en aandeelhouders
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232589:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Maeijer 1964, par. 5.
HR 30 juni 1944, NJ 1944, 465 (Wennex); HR 13 november 1959, NJ 1960, 472 (Distilleerderij Melchers); HR 19 februari 1960, NJ 1960, 473 (Aurora).
HR 30 juni 1944, NJ 1944, 465 (Wennex). Merkwaardigerwijs wordt diezelfde beperking niet genoemd in HR 13 november 1959, NJ 1960, 472 (Distilleerderij Melchers) en HR 19 februari 1960, NJ 1960, 473 (Aurora), maar er is mij geen reden bekend op grond waarvan verondersteld zou moeten worden dat de beperking niet langer van toepassing zou zijn.
Maeijer 1964, par. 5. Maeijer spreekt over de ‘goede trouw’, een term die voor invoering van het nieuw BW in 1992 gebruikt werd in plaats van het huidige begrip redelijkheid en billijkheid.
De Jongh, NJB 2012/2099; Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/172.4; Rietveld, TOP 2013/7; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/228; Kemp 2015, par. 5.10; Koelemeijer, TvOB 2015-2, par. 1; Olaerts, Ondernemingsrecht 2017/113, par. 2.3; Huizink, GS Rechtspersonen 2018/19, artikel 2:8 BW, aant. 2.4. Zie anders: Slagter, NJB 2012/1683, die de individuele aandeelhouder niet gebonden acht aan artikel 2:8 BW. Zie uitgebreid over de leerstukken misbruik van bevoegdheid en redelijkheid en billijkheid en hun verhouding tot elkaar in deze beperkende zin: Kemp 2015, par. 6.2.
Hof Amsterdam (OK) 18 juli 2018, JOR 2018/303, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Eneco), r.o. 3.13; Hof Amsterdam (OK) 12 oktober 2016, JOR 2017/90 (Delta Lloyd), r.o. 3.5; Hof Amsterdam (OK) 28 maart 2013, JOR 2013/171, m.nt. M.W. Josephus Jitta (AAA Auto Group), r.o. 3.8.
Preambule van de Corporate Governance Code, p. 8.
Nowak, Ondernemingsrecht 2009/9, par. 7. Zie in vergelijkbare zin: Kemp 2015, par 5.8, met een uitgebreide verwijzing naar de jurisprudentie en de verschillende stromingen in de literatuur ten aanzien van dit onderwerp in paragrafen 5.5 en 5.7. Zie verder hierover ook Olaerts, Ondernemingsrecht 2017/113.
Voor zover daar in alle gevallen al een strikt onderscheid in te maken valt. Denk aan het voorkeursrecht bij uitgifte van aandelen dat zowel ziet op het financiële belang als de zeggenschapscomponent van het aandeel. Zie anders: B. Kemp, ‘Normering van aandeelhouders. Redelijkheid en billijkheid of misbruik van bevoegdheid’, NJB 2013/660: “Wanneer een aandeelhouder gebruik maakt van zijn organisatierechtelijke rechten, waaronder het stemrecht, maar bijvoorbeeld ook het agenderingsrecht, is hij gebonden aan art. 2:8 BW dan wel een (inhoudelijk) vergelijkbare norm op basis van art. 3:13 BW. Echter, wanneer de aandeelhouder gebruik maakt van zijn vermogensrechtelijke rechten, zoals het verkopen van zijn aandelen bij een aandelenfusie, is hij in beginsel niet gebonden aan art. 2:8 BW.” Zie ook anders: Assink & Timmerman, Ondernemingsrecht 2019/157, par. 3 en voetnoot 56, waarin beschreven wordt dat een mogelijke manier om betrokkenheid van aandeelhouders te reguleren zou kunnen zijn hen te verplichten zich te richten naar het vennootschappelijk belang (wat dan weer niet zou gelden bij de uitoefening van vermogensrechtelijke rechten). Ook Cahen 1970, p. 74 maakt een onderscheid tussen het handelen van de aandeelhouder binnen het interne rechtsverkeer van de NV en handelingen waarbij de aandeelhouder disponeert over zijn aandelen als hem toekomende vermogensbestanddelen. Hij maakt overigens ook onderscheid tussen bevoegdheden van de AV voortvloeiend uit dwingend en regelend recht, zie Cahen 1970, p. 76-77. Als ik het goed lees, betoogt Cahen dat de AV voor bevoegdheden naar dwingend recht het aandeelhoudersbelang prioriteit mag geven, maar dat dat voor bevoegdheden naar regelend recht niet het geval hoeft te zijn (zie bijvoorbeeld Cahen 1970, p. 83).
In de praktijk worden voor dit doel in een relationship agreement tussen de beursvennootschap en de grootaandeelhouder veelal orderly market arrangements opgenomen. Hierin wordt afgesproken dat sell downs op een manier worden uitgevoerd die zoveel mogelijk een ordelijke markt waarborgt. Daarbij kunnen ook afspraken gemaakt worden over het maximale aantal aandelen dat de aandeelhouder per keer kan verkopen.
Mendel & Oostwouder, NJB 2013/1776, par. 6. Voor de volledigheid merk ik hier nog op dat dit niet betekent dat de AV zich moet richten naar het vennootschappelijk belang. Ik ga hierna uitgebreid op dit verschil in.
Zie voor een voorbeeld buiten het NV-recht: Hof Amsterdam (OK) 31 oktober 2018, JOR 2019/9, m.nt. M.W. Josephus Jitta (SRK), r.o. 5.1-5.4. Hierin werd aangenomen dat een lid van de vereniging in beginsel het recht had haar lidmaatschap op te zeggen, maar dat het desbetreffende lid in dit geval bij haar opzegging niet de zorgvuldigheid in acht had genomen die in de gegeven omstandigheden op grond van artikel 2:8 BW van haar mocht worden verlangd. Hierbij was volgens de Ondernemingskamer onder meer relevant dat de gelieerde stichting die de onderneming dreef in verregaande mate van het opzeggende lid afhankelijk was en door de opzegging in haar continuïteit werd bedreigd. Vanwege deze (feitelijke) dominante machtspositie had in redelijkheid van het opzeggende lid mogen worden verwacht dat deze het lidmaatschap niet had mogen beëindigen zonder daarbij verantwoordelijkheid te nemen voor de gevolgen die deze beëindiging zou meebrengen voor de relevante stakeholders.
Rietveld, TOP 2013/7 en Van Schilfgaarde 2016, nr. 71.
Zie in vergelijkbare zin: B.F. Assink, ‘Facetten van verantwoordelijkheid in hedendaags ondernemingsbestuur’, in: B.F. Assink & D.A.M.H.W. Strik, Ondernemingsbestuur en risicobeheersing op de drempel van een nieuw decennium: een ondernemingsrechtelijke analyse (preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’ 2009), Deventer: Kluwer 2009, par. 3.2.3; Koelemeijer 1999, p. 207 en 341; De Jongh 2014, nr. 218; Kemp 2015, par. 10.3.12. Deze verantwoordelijkheid van de aandeelhouder kan ook meebrengen dat hij in grotere mate rekening dient te houden met de belangen van minderheidsaandeelhouders, zie bijvoorbeeld HR 12 juli 2013, NJ 2013/461, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2013/301, m.nt. E.E.U. Vroom (VEB/KLM).
Dit is iets anders dan rekening houden met het vennootschappelijk belang zoals dat hiervoor werd besproken, in die zin dat het “richten naar” ziet op het richtsnoer (de eerste trap) en het “rekening houden met” ziet op de correctie (de tweede trap). Zie voor nadere onderbouwing het begin van deze paragraaf voor uitgebreide verwijzingen naar literatuur en jurisprudentie. Zie voor een stichting continuïteit ook: Rb. Den Haag (pres.) 23 mei 1989, KG 1989/387 (Brill), r.o. 3.5: “Behoudens in bijzondere uitzonderingsgevallen heeft de aandeelhouder de bevoegdheid om zonder beperking van zijn (stem)recht gebruik te maken”. Verwarrend is vervolgens dat de president vervolgens in r.o. 3.7 wel lijkt te toetsen of de stichting als aandeelhouder in strijd met het belang van de vennootschap heeft gehandeld: “Tot op heden is niet gebleken dat de stichting door tegen de motie van wantrouwen te stemmen in strijd met het belang van de vennootschap heeft gehandeld.” En later in r.o. 3.8: “Er zijn geen aanwijzingen dat zij, anders dan in het verleden, met haar stemgedrag in strijd zal handelen met de goede trouw of tegen het vennootschapsbelang.” Die toetsing aan strijd met het vennootschapsbelang lijkt mij niet juist, tenzij daarmee wordt bedoeld dat er sprake zou kunnen zijn van een dusdanige onevenredige strijdigheid met het vennootschapsbelang dat een dergelijke uitoefening van het stemrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 2:8 lid 2 BW).
Assink 2019, par. 10. Zie ook: Assink & Timmerman, Ondernemingsrecht 2019/157, par. 3. Zie in dezelfde zin: par. 6 en 8 van de annotatie van Van Schilfgaarde bij HR 4 april 2014, NJ 2014/286 (Roovers/Cancun Holding I). Van Schilfgaarde meent overigens (blijkens par. 8 van zijn annotatie) dat deze gedachte bij minderheidsaandeelhouders van beursvennootschappen moet worden genuanceerd: “Nog steeds waart rond het oude, aan een arrest van 1944 (Wennex) gekoppelde idee dat een aandeelhouder het recht heeft om (uitsluitend) zijn eigen belang in de vennootschap te dienen. Dat idee heeft zijn verdienste voor minderheidsaandeelhouders zonder invloed of ambitie om invloed uit te oefenen, en dan speciaal voor zulke aandeelhouders bij beursvennootschappen. Voor het overige is het al sedert zijn ontstaan verouderd. Het is te betreuren dat de ondernemingskamer en de Hoge Raad, geen aanleiding hebben gezien om in deze zaak, die bij uitstek daarvoor geschikt was, openlijk met die verouderde opvatting te breken.”
Artikel 2:129 lid 6 BW.
K.H.M. de Roo, ‘Delegatie van emissiebevoegdheid aan het bestuur’, WPNR 2020/7278, par. 2.2 en voetnoot 11.
R.G.J. Nowak & A.F.J.A. Leijten, ‘De nieuwe tegenstrijdigbelangregeling’, Ondernemingsrecht 2012/92, nr. 17 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/226.
Zie over deze vorm van tegenstrijdig belang uitgebreid: Verdam 2003.
De Ondernemingskamer nam dit eerder aan in de Teka-beschikking, zie Hof Amsterdam (OK) 3 augustus 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3193, r.o. 3.8: “In de algemene vergadering van aandeelhouders van Teka heeft [G] [een familie, SBGN] de meerderheid van de stemmen. [D], [E] en [C], allen lid van [G], zijn zowel aandeelhouder als bestuurder van Teka. Zij hebben – [D] en [E] bij volmacht – deelgenomen aan de besluitvorming door de algemene vergadering van aandeelhouders op 26 maart 2015 over de bezoldiging van het bestuur, waaronder die van de bestuurders die lid zijn van [G], derhalve over hun eigen bezoldiging. Hoewel zij bij die besluitvorming met de belangen van Teka strijdige belangen hadden, is niet gebleken dat deze belangentegenstelling onder ogen is gezien en dat adequate maatregelen zijn genomen. Dit doet een gebrekkige governance vermoeden.”
Zie Verdam 2003, nr. 14.
Zie hierover par. 5 van de annotatie van Van Schilfgaarde bij HR 4 april 2014, NJ 2014/286, m.nt. P. van Schilfgaarde (Roovers/Cancun Holding I): “Goed verdedigbaar lijkt mij dat ook voor aandeelhouders, die — gereglementeerd of niet — in belangrijke mate het beleid van de vennootschap (en haar dochters) bepalen, de verplichting om zich te richten naar het vennootschapsbelang geldt (en dat verzaking daarvan kan worden gebracht onder strijd met ‘elementaire beginselen’). Maar de ondernemingskamer is niet die kant opgegaan en de Hoge Raad heeft daar niets aan veranderd.”
Zie uitgebreid: paragraaf 2.4 van dit proefschrift. Zie anders: Assink 2019, par. 10 en Kemp 2015, par. 5.7.2. Kemp meent dat ten tijde van het wijzen van de Aurora- en Distilleerderij Melchers-arresten de institutionele theorie nog niet algemeen was aanvaard. Zie voor het verband tussen de contractuele theorie en het vennootschapsbelang als het belang van de gezamenlijke aandeelhouders: Kemp 2015, par. 5.2. Zie ook: De Jongh 2019, par. 8, die meent dat ten tijde van Maeijers oratie (1964) de institutionele leer de heersende was, maar het belangenpluralisme nog niet was omarmd. Overigens bestaan deze ontwikkelingen uit langzaam groeiende, steeds breder aanvaarde juridische overtuigingen, die grofweg vanaf de Tweede Wereldoorlog zijn waar te nemen tot aan halverwege de jaren 1960. Het is lastig hierin exacte ‘omslagen’ te duiden, zeker zonder daarbij te worden beïnvloed door hindsight bias.
HR 30 juni 1944, NJ 1944, 465 (Wennex); HR 13 november 1959, NJ 1960, 472 (Distilleerderij Melchers); HR 19 februari 1960, NJ 1960, 473 (Aurora); HR 1 april 1949, NJ 1949, 465 (Doetinchemse IJzergieterij). Het te verzelfstandigen belang van de rechtspersoon werd door de Hoge Raad al in 1942 vormgegeven in HR 13 februari 1942, NJ 1942/360 (Baus/De Koedoe I), zie hierover De Jongh 2019, par. 5.
Zie bijvoorbeeld ook Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 3 (MvT), p. 2: “Ten tweede hanteert de wetgever als grondslag voor het toetsen van de wijze waarop alle organen hun bevoegdheden uitoefenen het voorschrift dat men zich jegens elkaar redelijk en billijk opstelt. Deze grondnorm is neergelegd in artikel 2:8 BW. Van de betrokkenen wordt verder verwacht dat zij bij het nastreven van hun belangen rekening houden met het vennootschappelijk belang.”
Ik bedoel hier: in de zin van de wet. Zie hiervoor in dezelfde paragraaf.
Kemp 2015, par. 8.3-8.8. Zie in dezelfde zin: Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/124 en Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, nr. 4. Een individuele aandeelhouder moet volgens Winter, Wezeman en Schoonbrood zijn stemrecht gebruiken na afweging van alle bij de vennootschap betrokken belangen, zij het dat bij deze belangenafweging zijn eigen belang een gewichtige rol mag spelen, zie Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, nr. 67.
Noot van R.G.J. Nowak (par. 5) bij Rb. Den Haag, 12 maart 2015, JOR 2015/135 (Boskalis/Fugro). In de literatuur worden wel onderscheiden besluiten met direct externe werking (waarvoor geen aanvullende vertegenwoordigingshandeling nodig is), zoals besluiten tot benoeming en ontslag van bestuurders, en besluiten met indirect externe werking (waarvoor een aanvullende vertegenwoordigingshandeling nodig is), zoals een besluit tot uitgifte van aandelen. Zie: Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, nr. 98.
Zie in die zin: Kemp 2015, par. 8.5.
Hiervoor gelden dezelfde redenen als hiervoor gegeven voor de visie dat zowel de AV als orgaan als individuele aandeelhouders gebonden zijn aan de artikelen 2:8 en 3:13 BW. Zie ook Assink 2019, par. 10, die spreekt over “een onmogelijke normatieve spagaat”. De Jongh, RM Themis 2016/5, p. 276 schrijft: “Ik vraag mij af hoe realistisch het is een dergelijke schizofrene opstelling van aandeelhouders te vergen.”
Artikelen 2:129 lid 5 en 140 lid 2 BW. Bulten, Ondernemingsrecht 2019/76, par. 2.2, meent dat deze norm gericht zou moeten zijn tot het orgaan en niet tot het individu. Die mening deel ik niet. Het individu moet zich, juist bij gedragsnormen, niet kunnen verschuilen achter het geheel. Degenen die handelen en besluiten namens de vennootschap zijn uiteindelijk de individuen die deel uitmaken van het orgaan, en het besluit van een orgaan is niets anders dan het resultaat van hun wilsuitdrukking.
HR 29 september 2006, NJ 2006/639, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/62 (The Mill Resort), r.o. 3.5.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/60.
Zie over deze tweetrapsraket paragrafen 3.1.4 en 5.1.2.
Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/131. Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 31 december 2009, JOR 2010/60, m.nt. A. Doorman (InterAccess).
Er kan discussie bestaan over de vraag of aandeelhouders vrij zijn hun eigen belang te dienen. Maeijer meende van wel. Hij beschreef in zijn oratie dat men de AV kon zien (a) als orgaan van de vennootschap, en haar besluiten dus als rechtshandeling van de rechtspersoon, waardoor bij het stemmen in de AV het vennootschappelijk belang voorop zou moeten staan, of (b) als uiting van het samenwerkingskarakter, waarmee de aandeelhouders zeggenschap kunnen blijven uitoefenen over die samenwerking en waarin het vennootschapsbelang dus niet voorop hoeft te staan.1 Maeijer koos voor het laatstgenoemde pad. De Hoge Raad was hem daarop reeds voorgegaan en heeft het stemrecht van aandeelhouders in de AV, in een drietal arresten gewezen in de periode van 1944 tot en met 1960, aangemerkt als een op zichzelf staand recht om het belang van die aandeelhouder te dienen, waarbij hem niet “een recht in het belang van anderen” is toevertrouwd.2 De aandeelhouder heeft daarmee – zo overweegt de Hoge Raad – de vrijheid om van zijn stemrecht in de AV naar goeddunken gebruik te maken, mits dit niet ontaardt in misbruik van recht (thans misbruik van bevoegdheid, artikel 3:13 BW).3 Volgens Maeijer is de vrijheid van de aandeelhouder om zijn eigen belang te dienen voorts beperkt door de redelijkheid en billijkheid, die vereist dat de aandeelhouder bij het uitoefenen van zijn rechten mede rekening moet houden met het belang van de vennootschap.4 Dit volgt thans ook uit artikel 2:8 BW, dat mede geldt in de relatie tussen de individuele aandeelhouder danwel de AV enerzijds en de rechtspersoon anderzijds. De visie dat de individuele aandeelhouder binnen de grenzen van artikelen 2:8 en 3:13 BW naar geldend recht zijn eigen belang mag dienen wordt algemeen gedeeld in de literatuur,5 onderschreven in recente rechtspraak van de Ondernemingskamer6 en onderstreept door de wetgever.7 Ook de Corporate Governance Code gaat hiervan uit.8 Naar heersend recht is een aandeelhouder dan ook vrij zijn eigen belang te dienen, met als grens dat hij zich jegens de rechtspersoon en de overige institutioneel betrokkenen dient te gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid en dat hij de hem toekomende bevoegdheden niet mag misbruiken.9 Ook in dit geval is dus – net als bij het handelen door het bestuur – sprake van een “tweetrapsraket” bestaande uit een richtsnoer en een correctie: de individuele aandeelhouder richt zich op zijn eigen belang en corrigeert die richting voor zover vereist op grond van artikelen 2:8 BW en 3:13 BW. Die eerste trap mag overigens anders worden ingevuld; het staat de aandeelhouder in beginsel vrij om andere dan zijn eigen belangen te dienen.
De individuele vrijheid binnen de grenzen van de artikelen 2:8 BW en 3:13 BW geldt wat mij betreft voor het handelen van de aandeelhouder in algemene zin, zowel bij het uitoefenen van organisatierechtelijke als vermogensrechtelijke rechten.10 Dat betekent in mijn optiek dat een grootaandeelhouder die een meerderheidsbelang houdt in een beursvennootschap in beginsel vrij is zijn aandelen te verkopen, maar niet vrijelijk en onaangekondigd zijn volledige aandelenbelang mag ‘dumpen’ op de markt. Hij zou in gesprek moeten gaan met de beursvennootschap over een gecontroleerde verkoop, waarbij rekening gehouden wordt met het belang dat de vennootschap en andere aandeelhouders hebben bij het voorkomen van een plotselinge ineenstorting van de beurskoers. In de praktijk is dit ook niet ongebruikelijk.11
Ik acht het zelfs denkbaar dat een verkopende aandeelhouder bij een beursgang op grond van artikel 2:8 BW gehouden kan zijn om een bepaalde beschermingsconstructie te implementeren. Dit zou ertoe kunnen leiden dat de aandeelhouder gehouden is certificaten te noteren en de onderliggende aandelen te plaatsen bij een stichting administratiekantoor, omdat in een specifiek geval de belangen van de vennootschap en haar stakeholders anders onevenredig worden geschaad. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de beursgang van een producent van een medicijn tegen een zeldzame ziekte, waarin meer dan 50% van de aandelen wordt geplaatst bij beleggers, waarbij de dreiging bestaat dat een concurrerende pharmaceut de controle over de beursvennootschap zou willen verkrijgen om de beursnieuweling te ontbinden en zo commercieel voordeel te behalen.
Hoe groter het belang of de invloed van de desbetreffende aandeelhouder is, hoe groter de invloed van zijn handelen zal zijn op de beursvennootschap en haar stakeholders, en hoe zwaarwegender de verplichting zal zijn om rekening te houden met de belangen van de vennootschap, haar onderneming en haar stakeholders. De AV dient in grotere mate rekening dient te houden met het vennootschappelijk belang en de belangen van de betrokken belanghebbenden indien zij een besluit neemt dat normaliter of typologisch tot de bevoegdheid van het bestuur of de raad van commissarissen behoort, bijvoorbeeld vanwege een tegenstrijdig belang van de leden van die organen.12 Dit betekent dat de vrijheid van aandeelhouders om (al dan niet via de AV) in hun eigen belang te handelen in dat soort gevallen in strenger wordt gereguleerd, en daarmee potentieel wordt beperkt. Hetzelfde geldt wat mij betreft indien een deel van de bevoegdheid die typologisch onder het bestuur ressorteert, in het bijzonder de bevoegdheid tot strategiebepaling, statutair naar de AV is verlegd. Indien de statuten (een groot deel van) de bevoegdheid tot strategiebepaling toekennen aan de AV, dan zullen hogere eisen gesteld kunnen worden aan de zorgvuldigheid waarmee aandeelhouders bij de besluitvorming in die AV omgaan met de belangen van de vennootschap, haar onderneming en de daarbij betrokken stakeholders. Datzelfde geldt wanneer een aandeelhouder een machtspositie heeft die de vennootschap in verregaande mate van hem afhankelijk maakt.13 Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de aandeelhouder een dermate groot zeggenschapsbelang heeft dat hij feitelijk (mede) het beleid en de strategie kan bepalen, althans dat het bestuur zonder zijn medewerking dat beleid en die strategie niet tenuitvoer kan brengen.14 Meer in algemene zin zal een grotere mate van invloed op de besluitvorming binnen de NV een grotere mate van verantwoordelijkheid met zich brengen voor de desbetreffende aandeelhouder, in die zin dat hij meer rekening dient te houden met het vennootschappelijk belang en de belangen van stakeholders die door de besluitvorming kunnen worden geraakt.15
Die grotere mate van invloed leidt er in mijn visie dus niet toe dat aandeelhouders zich dienen te richten naar het vennootschappelijk belang.16 Hier wordt wel anders over gedacht.17 Een visie die er vanuit gaat dat een aandeelhouder gebonden kan zijn aan het vennootschappelijk belang, verhoudt zich echter niet met het wettelijk systeem. Dat gaat er nu juist vanuit dat aandeelhouders geen belang kunnen hebben dat tegenstrijdig is met het vennootschapsbelang.18
Het gaat dan om tegenstrijdig belang in de zin van de wet (in de ‘strikte’ zin). Artikel 2:129 lid 6 BW gaat ervan uit dat (enkel) bestuurders en commissarissen tegenstrijdige belangen kunnen hebben waardoor – in het uiterste geval – beide organen, enkel voor het specifieke besluit, onbevoegd worden. In dat soort gevallen is de AV bevoegd en die bevoegdheid vervalt niet, zelfs niet als het enige lid of al haar leden geconflicteerd zijn. In het systeem van de wet kunnen aandeelhouders in vennootschappelijke besluitvorming (dus binnen de AV) geen tegenstrijdig belang hebben, “omdat een plicht tot behartiging van het vennootschapsbelang ontbreekt die voor het bestaan van een dergelijk conflict vereist is.”19 Het voorgaande komt duidelijk tot uiting wanneer de geconflicteerde persoon zowel bestuurder als aandeelhouder is. Hij kan dan op grond van de wet niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming van het bestuur, maar wel aan de beraadslaging en besluitvorming van de AV.20 Het voorgaande neemt niet weg dat aandeelhouders een tegenstrijdig belang, anders dan in de zin van de wet (in de ‘ruime’ zin), kunnen hebben waaraan gevolgen verbonden kunnen worden door de werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.21 Anders dan bij een tegenstrijdig belang van bestuurders of commissarissen in de zin van de wet (in de strikte zin), is het rechtsgevolg van een tegenstrijdig belang van een aandeelhouder op grond van de redelijkheid en billijkheid (in de ruime zin) niet dat de aandeelhouder niet mag deelnemen aan de besluitvorming, maar dat hij daarbij een bepaalde zorgvuldigheid in acht dient te nemen. Dat kan er toe leiden dat de aandeelhouder adequate maatregelen dient te nemen om de gevolgen van dat tegenstrijdig belang te beperken.22 Die maatregelen kunnen zich bijvoorbeeld uiten in additionele informatie- en verantwoordingsplichten.23
Het uitgangspunt dat aandeelhouders hun eigen belang mogen dienen is ook een uitvloeisel van het Europese recht op het ongestoorde genot van eigendom, waaronder mede de rechten op aandelen worden begrepen.24 Ook de Hoge Raad lijkt (vooralsnog) niet de overtuiging toegedaan dat aandeelhouders of (in het verlengde daarvan) de AV het vennootschappelijk belang tot richtsnoer dienen te nemen bij het uitoefenen van rechten die tot hun bevoegdheid behoren.25 Het tegenargument, inhoudende dat de Wennex-leer (zoals laatstelijk bevestigd door de Hoge Raad in 1960) nog stamt uit een tijd waarin het vennootschappelijk belang gericht was op het belang van de (gezamenlijke) aandeelhouders, beklijft niet. Die laatste gedachte lijkt in de jaren 1950 immers grotendeels verlaten.26 Dat was in ieder geval de visie van de Hoge Raad. Al een decennium voordat de Hoge Raad de Wennex-leer bevestigde in de Distilleerderij Melchers- en Aurora-arresten (1959 en 1960), werd het vennootschappelijke belang door hem al gezien als een zelfstandige grootheid die afweek van de belangen van de aandeelhouders (althans, blijkens Doetinchemse IJzergieterij in ieder geval van de belangen van de meerderheidsaandeelhouder).27 Het past niet in die ontwikkeling dat de Hoge Raad vervolgens weer teruggrijpt naar een oude uitleg van het vennootschappelijk belang. De combinatie van de hierboven genoemde arresten geeft het beeld dat het bestuur en de raad van commissarissen zich dienen te richten naar het vennootschapsbelang (dat afweek van de belangen van de aandeelhouders) en dat die aandeelhouders hun eigen belangen mogen dienen.
Dat op enig moment bepaalde uitgangspunten zijn geformuleerd, betekent uiteraard niet dat er niet opnieuw gedachtewisseling over kan plaatsvinden. Ik ben echter geen voorstander van de invoering van een normatief richtsnoer voor aandeelhouders, inhoudende dat zij (onder omstandigheden) dienen te handelen in het vennootschappelijk belang. Een nadeel van een dergelijk systeem is in mijn visie dat het bestuur een deel van zijn primaat op zou geven om te bepalen hoe het vennootschappelijk belang het beste bereikt kan worden. Aandeelhouders zouden besluiten kunnen doordrukken onder het mom van hun dienstbaarheid aan het vennootschappelijk belang. Bescherming tegen acties van aandeelhouders zal minder goed verdedigbaar zijn als die acties (volgens die aandeelhouders) in het belang van de vennootschap zijn. In mijn visie, waarin aandeelhouders, en daarmee de AV als orgaan, wel rekening moeten houden met het vennootschappelijk belang, maar zich daar niet naar hoeven te richten, houdt het bestuur de verantwoordelijkheid en daarmee het primaat ter bevordering van het vennootschappelijk belang.28
Ik schets hieronder een eenvoudige casus om mijn visie nader toe te lichten. Beursvennootschap A wil een fusie aangaan met beursvennootschap B. Bij beursvennootschap A is de AV bevoegd te besluiten over de fusie. Individuele aandeelhouders van beursvennootschap A zijn niet tevreden over de voorgestelde ruilverhouding omdat die in hun ogen geen recht doet aan hun financiële belangen. Het bestuur van beursvennootschap A erkent dat een ongunstige ruilverhouding geboden wordt, maar meent dat dit voorstel voor aandeelhouders wel het hoogst haalbare is. Alle betrokkenen zijn overtuigd van de strategische noodzaak van de voorgestelde fusie voor het bestendige succes van de onderneming van beursvennootschap A en zien de duidelijke voordelen voor overige stakeholders ten opzichte van het weinig hoopvolle stand alone-scenario. Zijn de individuele aandeelhouders nu gehouden om in hun hoedanigheid van leden van de AV vóór de voorgestelde fusie te stemmen omdat de AV gebonden is aan het vennootschappelijk belang dat gediend is bij effectuering van de fusie, of mogen zij tegen het voorstel stemmen omdat de fusie niet in hun eigen (financiële) belang is? Mijns inziens zijn de individuele aandeelhouders in beginsel bevoegd om tegen de voorgestelde fusie te stemmen en daarmee als AV geen (positief) fusiebesluit te nemen. Dit geldt zelfs wanneer het gaat om in meer of mindere mate ‘strategische’ besluiten, zoals de in het voorbeeld genoemde fusie.
Naast de systematische en conceptuele bezwaren, lijkt het me overigens ook praktisch niet werkbaar, althans niet wenselijk, om tot uitgangspunt te nemen dat aandeelhouders of de AV zich zouden moeten richten naar het vennootschappelijk belang. Een dergelijk uitgangspunt zou leiden tot een aanzienlijke vergroting van de verantwoordelijkheid van beleggers. De vraag komt op wat een dergelijk uitgangspunt voor gevolgen zou hebben voor de beperkte aansprakelijkheid van aandeelhouders. De consequentie van een gedragsnorm is immers dat uiteindelijk ook aansprakelijkheid kan worden vastgesteld wanneer die norm wordt geschonden. Indien een dergelijke aansprakelijkheid ontbreekt, dan kan de normadressaat ook niet verplicht worden te handelen in lijn met de toebedeelde verantwoordelijkheid. Een dergelijke ontwikkeling zou denkbaar nadelige gevolgen voor het Nederlandse investerings- en vestigingsklimaat kunnen hebben. Aandeelhouders, zeker in beursvennootschappen, moeten ervan uit kunnen gaan dat zij vrij zijn om hun financiële beleggingen en de rechten die daaraan zijn verbonden op zodanige wijze te beheren dat hun investering zo goed mogelijk wordt gediend. Anders dan bestuurders en commissarissen zijn aandeelhouders immers niet primair deel geworden van de organisatie van de vennootschap omdat zij belang hechten aan het succes van de NV, maar omdat zij belang hechten aan het succes van hun investering (hetgeen, als het goed is, in elkaar verlengde zal liggen). Indien op enig moment toch aangenomen zou worden dat de AV zich (onder omstandigheden) dient te richten naar het vennootschappelijk belang, dan lijkt het mij dat de leden van dat orgaan ook een tegenstrijdig belang moeten kunnen hebben.29 Voor zover door de tegenstrijdige belangen van aandeelhouders geen besluit zou kunnen worden genomen, zou het besluit bijvoorbeeld genomen kunnen worden door het bestuur, de raad van commissarissen, of de gemeenschappelijke vergadering van het bestuur en de raad van commissarissen. Ook een dergelijke regeling leidt weer tot aanvullende verplichtingen en risico’s voor aandeelhouders en is daarom niet wenselijk.
Overigens kan ook nog steun worden gevonden voor de visie die meent dat niet de individuele aandeelhouder, maar wel de AV als orgaan gebonden is aan het richtsnoer van het vennootschappelijk belang.30 Voor die visie pleit dat een besluit van de AV kan worden gekwalificeerd als een op rechtsgevolg gerichte rechtshandeling van een orgaan van de vennootschap.31 Dit betekent onder omstandigheden dat de AV door middel van haar besluitvorming ‘handelt’ namens de vennootschap, en de vennootschap in die zin intern of extern vertegenwoordigt.32 Het lijkt mij echter principieel onmogelijk dat er in dit kader een verschil kan bestaan tussen de verplichtingen van individuele aandeelhouders en die van de AV. Het besluit van de AV als orgaan komt tot stand door uitoefening van het stemrecht door individuele aandeelhouders, en er kan dan ook geen verschil zijn tussen het normatief richtsnoer (als dat bestaat) voor het handelen van de aandeelhouder en dat voor het handelen van de AV (als dat bestaat).33 Indien de AV overgaat tot het nemen van een besluit, dan is dat niets meer dan het resultaat van de stemmen van alle (aanwezige of vertegenwoordigde) individuele aandeelhouders. Niet valt voor te stellen dat de individuele aandeelhouder zijn stemrecht in beginsel mag uitoefenen in zijn eigen belang terwijl het uiteindelijke besluit van de AV gericht zou moeten zijn op het vennootschappelijk belang. Om dezelfde reden geldt de gebondenheid aan de artikelen 2:8 en 3:13 BW voor zowel individuele aandeelhouders als voor de AV als orgaan. Als het handelen van de individuele aandeelhouder begrensd wordt door de artikelen 2:8 en 3:13 BW, dan vloeit daaruit logischerwijs voort dat datzelfde geldt voor het handelen van de AV, welk orgaan op geen andere wijze kan handelen dan door de wilsuitdrukking van individuele aandeelhouders. Deze benadering correspondeert ook met het wettelijk uitgangspunt voor de normering van vennootschapsorganen. De norm van het vennootschappelijk belang richt zich immers ook primair tot individuele bestuurders en commissarissen, en niet tot het bestuur en de raad van commissarissen als organen.34 Dat laatste is ook niet nodig, want nu alle individuele leden van die organen op het vennootschappelijk belang zijn gericht, betekent dit ook dat geen van de individuele leden zich aan dat belang kan onttrekken, en dat de desbetreffende organen daarmee vanzelfsprekend gericht zullen zijn op het bedoelde belang. Dat de AV is gebonden aan de artikelen 2:8 en 3:13 BW volgt ook uit het feit dat een besluit van de AV (zijnde het product van alle door individuele aandeelhouders uitgebrachte stemmen) vernietigbaar kan zijn wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid, dan wel omdat het tot stand is gekomen door misbruik van meerderheidsmacht.35 Hoewel de eenzijdige rechtshandeling van het uitbrengen van een stem door de individuele aandeelhouder in de AV als zodanig niet kan worden vernietigd,36 kan dat stemrecht wel worden misbruikt bij de totstandkoming van een besluit als bedoeld in artikel 3:13 BW.37 Mijns inziens hoeven de aandeelhouders noch de AV het vennootschappelijk belang tot richtsnoer te nemen bij het uitoefenen van rechten die tot hun bevoegdheid behoren. De redelijkheid en billijkheid kan hierin geen verandering brengen, want deze is bij de bevoegdheidsuitoefening van organen niet richtsnoerbepalend. De rol van de redelijkheid en billijkheid is om de bestaande (on)vrijheid te normeren en nuanceren (lees: aan te vullen of te beperken). Zij vormt de tweede (de corrigerende) trap van de tweetrapsraket, niet de eerste (de richtinggevende).38
Uiteraard kunnen uitzonderlijke situaties zich voordoen waarin noodgedwongen van de hoofdregel moet worden afgeweken. Het kan voorkomen dat door het dienen van het eigen belang door de aandeelhouders de belangen van de NV en de daarbij betrokkenen dermate onevenredig zouden worden geschaad dat van aandeelhouders een andere handelwijze kan worden gevergd. Dit volgt niet alleen uit de redelijkheid en billijkheid die ook geldt tussen enerzijds de aandeelhouders en anderzijds de NV en degenen die bij haar organisatie zijn betrokken, maar ook uit het feit dat een bevoegdheid (zoals het stemrecht, inclusief het recht om tegen een voorstel te stemmen) kan worden misbruikt in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.39 In het eerdere voorbeeld van de fusie kan dit mijns inziens het geval zijn wanneer de voorgestelde ruilverhouding niet onredelijk is, maar de gevolgen voor beursvennootschap A, haar onderneming en haar stakeholders zeer nadelig en vergaand zijn, bijvoorbeeld omdat de fusie een laatste redmiddel is voor de onderneming om een dringend noodzakelijke strategische koerswijziging te forceren die niet op korte termijn op eigen kracht kan worden verwezenlijkt. Deze denkwijze vertoont gelijkenis met de noodzaakfinancieringsjurisprudentie, waarbij aandeelhouders verplicht kunnen zijn om mee te werken aan de totstandkoming van een financiering of te dulden dat daarin wordt voorzien indien dat dringend noodzakelijk is met het oog op het vennootschappelijk belang.40 Ik zie niet in waarom diezelfde gedachte niet breder van toepassing zou kunnen zijn, dat wil zeggen buiten de financieringspraktijk. Dat zorgt er nog steeds niet voor dat aandeelhouders zich in algemene zin moeten richten naar het vennootschappelijk belang, maar wel dat zij onder bijzondere omstandigheden verplicht kunnen zijn hun rechten al dan niet op een bepaalde wijze uit te oefenen indien dat dringend noodzakelijk is met het oog op dat vennootschappelijk belang.