De beursvennootschap, corporate governance en strategie
Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/5.2.3:5.2.3 Stewardship codes en institutionele beleggers
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/5.2.3
5.2.3 Stewardship codes en institutionele beleggers
Documentgegevens:
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232664:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Persbericht Eumedion van 3 juli 2018.
Considerans 15 van de Herziene Aandeelhoudersrichtlijn.
Artikel 3 octies van de Herziene Aandeelhoudersrichtlijn.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik ga nog kort in op een relevante ontwikkeling voor institutionele investeerders in Nederland. Gedurende het laatste decennium is voor dergelijke beleggers de stewardship code een rol gaan spelen. Eumedion heeft voor het eerst op 30 juni 2011 een document gepubliceerd dat verschillende ‘Best practices for engaged share-ownership’ bevatte en dat was bedoeld voor beleggers die aangesloten waren bij Eumedion. De ‘Best practices’-regeling is inmiddels vervangen door de op 3 juli 2018 door Eumedion gepubliceerde Nederlandse Stewardship Code. Op 1 januari 2019 is deze code in werking getreden. Ook niet bij Eumedion aangesloten beleggers kunnen zich verbinden tot naleving hiervan. Van institutionele beleggers wordt verwacht dat zij vanaf boekjaar 2019 rapporteren over de naleving van de stewardship code. Volgens Eumedion benadrukken pensioenfondsen, verzekeraars en vermogensbeheerders met de stewardship code de rol die institutionele investeerders spelen bij het bevorderen van langetermijnwaardecreatie in de beursvennootschappen waarin zij beleggen en bieden de principes uit de stewardship code de mogelijkheid om verantwoording af te leggen aan deelnemers en klanten over de wijze waarop zij aandeelhoudersrechten uitoefenen.1 Deze verantwoordingsverplichting voor institutionele beleggers blijkt ook al uit de wijze waarop zij dienen te rapporteren over naleving van de Corporate Governance Code. Artikel 5:86 Wft bepaalt dat institutionele beleggers met zetel in Nederland die beleggen in beursgenoteerde (certificaten van) aandelen mededeling dienen te doen over de naleving van de principes en best practice-bepalingen van de Corporate Governance Code die zijn gericht tot institutionele beleggers. Indien een institutionele belegger die principes of best practice-bepalingen in het laatst afgesloten boekjaar niet of niet geheel heeft nageleefd of niet voornemens is deze in het lopende en daaropvolgende boekjaar geheel na te leven, doet hij daarvan gemotiveerd opgave. Die mededeling en opgave dienen door de belegger ten minste eenmaal per boekjaar te worden gedaan (1) in zijn bestuursverslag, (2) op zijn website, of (3) aan het adres van iedere deelnemer of cliënt die daarmee vooraf uitdrukkelijk heeft ingestemd. Mij is niet geheel duidelijk waarom deze transparantievereisten specifiek zien op institutionele investeerders, maar wellicht is dat omdat zij een eenvoudiger te adresseren normadressaat zijn dan andere type aandeelhouders, of dat is geredeneerd vanuit de transparantie naar de achterliggende begunstigden.
Voor de hand ligt dat de vennootschapsrechtelijke basis voor deze transparantieverplichtingen te vinden is in artikel 2:8 BW. Zoals in de vorige paragraaf betoogd, neem ik aan dat de eisen die gesteld kunnen worden aan aandeelhouders op basis van artikel 2:8 BW meer vergaand zijn indien een aandeelhouder meer invloed uitoefent op het beleid en de strategie en minder vergaand wanneer de aandeelhouder louter een financiële investeerder is die zich niet direct wil bemoeien met het beleid en de gang van zaken van de onderneming. Institutionele beleggers zijn bij uitstek financiële investeerders, en het ligt niet voor de hand om van hen een meer vergaande zorgvuldigheid te verwachten dan van andere, meer activistische investeerders (zoals strategische participanten). Zelfs als het lastig is om een onderscheid te maken tussen louter financiële beleggers en meer activistische aandeelhouders, dan nog zou het wat mij betreft meer voor de hand liggen om aan te sluiten bij een objectief criterium, zoals de omvang van het aandelenbelang. Ook op Europees niveau wordt institutionele investeerders echter een grote rol toegedicht in de corporate governance van beursvennootschappen. De Herziene Aandeelhoudersrichtlijn uit 2017 geeft hierbij enige toelichting:
“Institutionele beleggers en vermogensbeheerders zijn vaak belangrijke aandeelhouders van beursgenoteerde vennootschappen in de Unie en kunnen daarom een belangrijke rol vervullen in de corporate governance van die vennootschappen, maar ook meer in het algemeen met betrekking tot hun strategie en langetermijnprestaties. De ervaring van de afgelopen jaren leert echter dat institutionele beleggers en vermogensbeheerders vaak niet betrokken zijn bij vennootschappen waarvan zij aandelen bezitten, en vennootschappen blijken zich vaak onder druk van de kapitaalmarkten vooral op de korte termijn te richten, hetgeen de financiële en niet-financiële langetermijnprestaties van vennootschappen in gevaar kan brengen en, naast andere nadelige gevolgen, tot een minder optimaal investeringsniveau kan leiden, bijvoorbeeld voor onderzoek en ontwikkeling, wat niet alleen de langetermijnprestatie van de vennootschappen maar ook die van de beleggers schaadt.”2
De Herziene Aandeelhoudersrichtlijn schrijft voor dat institutionele beleggers en vermogensbeheerders een ‘betrokkenheidsbeleid’ ontwikkelen waarin wordt beschreven hoe zij aandeelhoudersbetrokkenheid in hun beleggingsstrategie integreren, en dat zij dat beleid openbaar maken. Ook dienen institutionele beleggers en vermogensbeheerders jaarlijks openbaar te maken hoe hun betrokkenheidsbeleid is uitgevoerd, met onder meer een algemene beschrijving van stemgedrag, een toelichting bij de belangrijkste stemmingen en het gebruik van de diensten van volmachtadviseurs (proxy advisors).3 Daarnaast dienen institutionele beleggers onder andere openbaar te maken hoe de voornaamste elementen van hun beleggingsstrategie zijn afgestemd op het profiel en de looptijd van hun verplichtingen, in het bijzonder hun langetermijnverplichtingen, en hoe zij bijdragen aan de middellange- tot langetermijnprestaties van hun activa. Deze verplichtingen zijn thans geïmplementeerd in de artikelen 5:87a-d Wft.