Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/1.2
1.2 Probleemstelling
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950356:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de definiëring van het begrip ‘samenhangcriterium’ § 1.7.
Zie § 3.7.3.
Zie § 3.7.1.
Opgemerkt zij dat het algemene opschortingsrecht in het ontwerp-Meijers anders was geformuleerd. Met de huidige redactie is beoogd om onduidelijkheden in de tekst van dat ontwerp weg te nemen, maar is niet beoogd een andere opschortingsmaatstaf te geven. Zie § 3.7.4.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 204 en 207. Zie § 2.3, waarin meerdere bijzondere regelingen aan de orde komen.
HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:723, NJ 2020/168, m.nt. red. aant. (X/Medline Hardenberg), r.o. 3.2.1. Zie ook HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:970, RvdW 2023/724, r.o. 3.3.2. Zie § 2.3.
Castermans & Krans, Samenloop (Mon. BW nr. A21) 2019/17 menen dat het in dat geval in de rede ligt dat de tot opschorting bevoegde partij zich eerst oriënteert op de mogelijkheden van art. 6:262 BW. Zie ook Asser/Hijma 7-I 2019/562 en 566.
Zie ook Cauffman 2000, p. 149 (“Hoewel het begrip ‘samenhang’ een centrale rol speelt in de regeling van de opschortingsrechten, is het een vrij algemeen, diffuus en soepel begrip. De aanwezigheid van samenhang kan eerder worden aangevoeld dan omschreven.”) en Nieskens-Ipshording & Van der Putt-Lauwers 1978, p. 898. Met de algemene opschortingsregeling bedoel ik afdeling 6.1.7 BW. Zie § 1.7.
Zie § 3.7.2.
Zie bijv. de dissertaties uit de 20e eeuw van Thors 1934 (retentierecht); Bosch 1936 (enac); Heyning-Plate 1969 (enac en retentierecht, met af en toe een vooruitblik op het destijds nog in te voeren algemene opschortingsrecht); Fesevur 1988 (retentierecht, die ook ingaat op de enac en het algemene opschortingsrecht) en Aarts 1990 (retentierecht, die eveneens ingaat op de enac en het algemene opschortingsrecht). Zie Aarts 1990, p. 3-4 voor een overzicht van dissertaties uit de 19e en 20e eeuw over het retentierecht, en Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/8 voor een beschrijving van dissertaties uit de 19e, 20e en 21e eeuw over het retentierecht, waaronder die van Logmans (2011). Vgl. de dissertatie van Hesselink 1999 (over de enac en het algemene opschortingsrecht in het kader van de toepassing van de redelijkheid en billijkheid in Europa bij niet-nakoming) en van Wolters, Alle omstandigheden van het geval (O&R nr. 77) 2013 (waarin opschortingsrechten als een uitwerking van de redelijkheid en billijkheid aan de orde komen).
Streefkerk, Opschortingsrechten en schuldeisersverzuim (Mon. Nieuw BW nr. B32b) 1987.
Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. Nieuw BW nr. B32b) 1995; Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2006 en Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022, p. II.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/42. Zie ook Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/86, alsook Wolters, Alle omstandigheden van het geval (O&R nr. 77) 2013, p. 14, waar hij eveneens de vraag opwerpt wanneer twee verbintenissen voldoende samenhang ‘hebben’ om een opschorting te rechtvaardigen.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/42. Aldus ook Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/16.2. Zie over de functies van het algemene opschortingsrecht § 2.5.4.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/42. Zie ook Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/86.
Zie over het opschortingsrecht als verweermiddel § 7.2.
Zie § 7.5.
Zie § 1.7, slotalinea. Zie voor diverse voorbeelden de in dit proefschrift behandelde rechtspraak.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 204.
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009/50, m.nt. Jac. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), r.o. 4.6. Zie § 2.7.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 204.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 206-207.
Zie o.a. Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/42-45; Asser/Sieburgh 6-I 2020/275-277;Asser/Hijma 7-I 2019/572 en Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/15 onderdeel b. Zie ook § 3.7.3.
Zie nader § 6.2.
Zie o.a. Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/55 e.v.
Wolters, Alle omstandigheden van het geval (O&R nr. 77) 2013, p. 29, en zie tevens p. 162-163, 214 en 294-295 voor enkele ‘factoren’ die de werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid beïnvloeden en daarmee de toelaatbaarheid van de uitoefening van een opschortingsrecht.
Artikel 6:52 lid 1 BW bevat een algemene opschortingsmaatstaf. Dit artikellid bepaalt dat een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser bevoegd is de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen. Artikel 6:52 lid 2 BW noemt twee omstandigheden waaronder aan het samenhangcriterium kan zijn voldaan.1 Dit artikellid bepaalt dat een zodanige samenhang onder meer kan worden aangenomen ingeval de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan. Deze omstandigheden zijn enuntiatief.2 De aanwezigheid van een van deze omstandigheden kan tot de conclusie leiden dat tussen de wederzijdse verbintenissen voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen, maar dat behoeft niet zo te zijn. Op basis van deze algemene opschortingsmaatstaf is daarom niet zonder meer duidelijk wanneer een schuldenaar op grond van artikel 6:52 BW opschortingsbevoegd is. Daarbij is het vooral de vraag wat met het samenhangcriterium wordt bedoeld en wanneer daaraan is voldaan, omdat dit criterium het centrale vereiste van het algemene opschortingsrecht is.3 Onderdeel van deze vraag is tevens de vraag wanneer sprake is van dezelfde rechtsverhouding of zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan.
In de parlementaire geschiedenis is onderkend dat de algemene opschortingsmaatstaf weinig rechtszekerheid biedt. Het vergroten van de rechtszekerheid is vervolgens niet gezocht in een andere opschortingsmaatstaf of een overzicht van omstandigheden waaronder aan het samenhangcriterium is voldaan, maar in bijzondere opschortingsregelingen.4 De schuldenaar kan in die wettelijke regelingen zelf lezen dat hij opschortingsbevoegd is. Een in het oog springend voorbeeld van een dergelijke regeling is de opschortingsbevoegdheid in het geval waarin de verbintenissen over en weer tevens wederkerige verbintenissen zijn als bedoeld in artikel 6:261 lid 1 BW. Artikel 6:262 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een van de partijen haar verbintenis niet nakomt, de wederpartij bevoegd is de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten.5 Tussen wederkerige verbintenissen bestaat voldoende samenhang om opschorting te rechtvaardigen.6 In dat geval is sprake van samenloop. De schuldenaar is opschortingsbevoegd op grond van zowel artikel 6:52 als artikel 6:262 BW. De schuldenaar zou in voorkomend geval echter kunnen volstaan met een beroep op de enac als geregeld in artikel 6:262 BW en behoeft artikel 6:52 BW dan niet in te roepen.7 Daarmee kan hij een discussie over de vraag of wel aan het samenhangcriterium is voldaan – en of hij dus wel opschortingsbevoegd is – voorkomen, omdat dit uit de wet zelf volgt.
Hoewel de bijzondere opschortingsregelingen in zekere zin zouden kunnen worden opgevat als een catalogus van gevallen waarin of omstandigheden waaronder aan het samenhangcriterium is voldaan, leveren die omstandigheden weinig op voor de toepassing van de algemene opschortingsmaatstaf in gevallen waarin die omstandigheden zich niet voordoen. Hooguit zou naar analogie van omstandigheden waaronder een schuldenaar een bijzonder opschortingsrecht heeft, kunnen worden bepleit dat de schuldenaar in een geval dat alleen door het algemene opschortingsrecht wordt beheerst eveneens opschortingsbevoegd is. Veel levert dat waarschijnlijk niet op, omdat de bijzondere opschortingsregelingen tamelijk specifiek zijn. Een schuldenaar is bijvoorbeeld opschortingsbevoegd als de schuldeiser voor de voldoening geen kwitantie afgeeft (art. 6:48 lid 3 BW). Weliswaar kan uit deze opschortingsregeling enige wederkerigheid worden afgeleid, maar het geeft niet veel inzicht in een opschortingsbevoegdheid onder andere omstandigheden. De bijzondere opschortingsrechten laten onverlet dat in de niet specifiek in de wet geregelde gevallen op basis van artikel 6:52 BW zal moeten worden bepaald of een partij opschortingsbevoegd is. Dat kan in die gevallen onduidelijk zijn, omdat ongewis is wat het samenhangcriterium in de algemene opschortingsregeling inhoudt.8
In de literatuur heeft de vraag naar een beoordelingsmaatstaf voor het samenhangcriterium beperkt aandacht gekregen.9 Ondanks dat daarin wel met een zekere regelmaat aandacht is voor opschortingsrechten.10 De algemene opschortingsregeling is evenwel nog niet eerder onderwerp van promotieonderzoek geweest. In dit verband verdient vermelding de monografie van Streefkerk over aanvankelijk ‘Opschortingsrechten en schuldeisersverzuim’11 en nadien ‘Opschortingsrechten’,12 waarvan in 2022 een door Wolters bewerkte druk is verschenen.13 De tot op heden verschenen vijf drukken van die monografie – ook wel ‘“losdelig” handboek’ genoemd14 – geven een helder overzicht van opschortingsrechten, waaronder het algemene opschortingsrecht, in hoofdzakelijk Nederland, en de toepassing daarvan. Wolters besteedt daarin aandacht aan de ‘algemene, weinig exacte maatstaf ter beoordeling van de samenhang’.15 Hij betoogt dat ‘de vraag wanneer voldoende samenhang in de zin van art. 6:52 lid 1 BW bestaat, zich moeilijk [leent] voor een algemene beantwoording’.16 In navolging van Streefkerk doet Wolters vervolgens een voorzichtige suggestie voor een beoordelingsmaatstaf, die aanknoopt ‘bij de belangrijkste functies van het algemene opschortingsrecht’.17 Daarvan erkent Wolters dat die ‘vaag’ is, maar ‘in ieder geval een kader voor de beantwoording’ geeft:
“Wellicht dat men nog het meest in de richting van een algemene maatstaf voor het samenhangvereiste komt door te onderzoeken of het gerechtvaardigd is dat de verbintenissen, in het bijzonder gelet op hun wijze van ontstaan, over en weer mogen worden gebruikt als pressiemiddel en ter dekking van het risico van insolventie van de wederpartij.”18
Het is van belang dat zoveel als mogelijk duidelijkheid bestaat over het antwoord op de vraag wanneer aan het samenhangcriterium is voldaan en aldus opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 lid 1 BW bestaat. Onzekerheid over een beoordelingsmaatstaf van het samenhangcriterium en de daardoor bestaande onduidelijkheid over een opschortingsbevoegdheid kan problematisch zijn voor de rechter die over een opschortingsverweer heeft te oordelen.19 De met die onduidelijkheid gepaard gaande rechtsonzekerheid kan ook problematisch zijn voor de betrokken partijen. Zowel voor degene die zich op een opschortingsrecht beroept als voor zijn wederpartij, voor zover die de opschortingsbevoegdheid betwist.20 Onduidelijkheid kan leiden tot een patstelling tussen partijen, waarin geen van hen meer tot nakoming bereid is zolang de ander niet heeft gepresteerd, maar niet duidelijk is of een van de partijen opschortingsbevoegd is en, zo ja, welke partij dat dan is. Een minnelijke oplossing in een opschortingsgeschil ligt dan eveneens minder voor de hand, terwijl opschortingsrechten ook buiten rechte kunnen en veelvuldig worden ingeroepen.21
Partijen zijn tevens gebaat bij een zekere mate van voorspelbaarheid ten aanzien van het antwoord op de vraag wanneer aan het samenhangcriterium is voldaan en of aldus, mits ook aan de overige vereisten is voldaan, een opschortingsbevoegdheid bestaat. Degene die het algemene opschortingsrecht inroept, loopt het risico dat de rechter in een concreet geval zal oordelen dat hij niet opschortingsbevoegd is, omdat de rechter een ander oordeel kan hebben over het antwoord op de vraag of tussen de verbintenissen over en weer voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen.22 En als blijkt dat een partij zich ten onrechte heeft beroepen op een opschortingsrecht, is zij zonder ingebrekestelling in verzuim komen te verkeren en bijvoorbeeld gehouden de schade te vergoeden die de ander heeft geleden als gevolg van het uitblijven van de prestatie.23
In de parlementaire geschiedenis is rekenschap gegeven van het belang van opschortingsrechten voor de praktijk. Ook daarom is voor een aantal specifieke gevallen in de wet opgenomen dat een partij opschortingsbevoegd is.24 De duidelijkheid en voorspelbaarheid kan echter toenemen met een beoordelingsmaatstaf voor het samenhangcriterium, omdat de specifieke gevallen weinig opleveren voor de door het algemene opschortingsrecht beheerste gevallen. Niettemin zijn de invulling van het samenhangcriterium en de toepassing van het algemene opschortingsrecht overgelaten aan de rechtspraak. Artikel 6:52 lid 1 BW geeft ‘aan de rechter een algemene maatstaf’ op basis waarvan die de vraag moet beantwoorden of in het concrete geval een opschortingsrecht op zijn plaats is.25 Daardoor dreigt een vicieuze cirkel, want voor het antwoord op die vraag zal de rechter onder meer moeten beoordelen of aan het samenhangcriterium is voldaan.
Op basis van de wet en de wetsgeschiedenis is niet zonder meer duidelijk wat de maatstaf is voor de beoordeling van het samenhangcriterium en wanneer daaraan is voldaan. Aan de vraag naar deze maatstaf is in de literatuur beperkt aandacht besteed en in rechtspraak is deze nog niet beantwoord. De vraag wanneer aan het samenhangcriterium is voldaan, wordt doorgaans vooral beantwoord aan de hand van de in artikel 6:52 lid 2 BW genoemde omstandigheden.26 Voor zover ik het heb kunnen nagaan ontbreekt een overzicht van andere omstandigheden waaronder eveneens tussen de verbintenissen over en weer voldoende samenhang kan bestaan om een beroep op het algemene opschortingsrecht te rechtvaardigen. Tevens is, voor zover mij bekend, nog niet eerder geëvalueerd hoe het samenhangcriterium in de rechtspraktijk is ingevuld. Evaluatie van gepubliceerde rechtspraak en literatuur kan bijdragen aan het antwoord op de vraag wanneer aan het samenhangcriterium is of kan zijn voldaan.
Als aan de vereisten van artikel 6:52 lid 1 BW is voldaan, is de schuldenaar bevoegd de nakoming van zijn verbintenis uit te stellen totdat voldoening van zijn vordering heeft plaatsgevonden. De schuldenaar kan van deze bevoegdheid gebruikmaken door het algemene opschortingsrecht uit te oefenen. De schuldenaar mag het opschortingsrecht niet uitoefenen als dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Over deze beoordelingsmaatstaf bestaat niet of nauwelijks discussie.27 De vraag rijst wel wanneer de uitoefening van het algemene opschortingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is of wordt.28 Deze vraag is vaker in de literatuur aan de orde gekomen.29 De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval.30 Die vraag kan daarom niet eenvoudig in haar algemeenheid worden beantwoord, maar een evaluatie van gepubliceerde rechtspraak en literatuur kan wel bijdragen aan het antwoord op de vraag in welke gevallen de schuldenaar zijn opschortingsbevoegdheid niet mag uitoefenen. Voor zover mij bekend ontbreekt een dergelijke evaluatie.