Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/1.7
1.7 Terminologie
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950325:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de terminologie bij opschortingsrechten ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/2.
Daarentegen uitte de vaste Commissie voor Justitie uit de Tweede Kamer stevige kritiek op de redactie van het huidige art. 6:52 lid 1 BW: “Overigens is de Commissie van oordeel dat de redaktie van genoemd eerste lid nog op andere punten tekortschiet: zij is nl. als geheel én in haar onderdelen (zie met name het bijna raadselachtige begin) bijzonder lelijk en ook daarom weinig gelukkig.” (Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 196).
Zie over terminologische inconsistenties in wettelijke opschortingsregelingen § 3.2 en Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/2.
Zo ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/2.
Zie bijv. Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 207 (“De bevoegdheid tot opschorten moet worden gezien als een verweermiddel van de schuldenaar in verband met een tegenvordering die hij op zijn schuldeiser heeft.”); HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907, NJ 2012/91 (Euretco/Naeije), r.o. 3.5.4; HR 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7195, NJ 2009/342, m.nt. Jac. Hijma (Hartendorp/Kooij), r.o. 3.4.2; HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009/50, m.nt. Jac. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), r.o. 4.6; HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7343, NJ 2002/199 (Hendrikx/Peters), r.o. 3.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4030, r.o. 6.19; Rb. Rotterdam 23 februari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022, r.o. 2.22 en Rb. Noord-Holland 25 november 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:10642, r.o. 4.2. Zie voorts bijv. Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/2 en 23.
Zie bijv. Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/13 en Krans & Wissink 2022/140 en 147.
Zie Asser/Sieburgh 6-I 2020/274 met verwijzing naar Hesselink, en zie Hesselink 1999, p. 303.
Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/349 en Asser/Hijma 7-I 2019/572.
Zie bijv. Gratama 1888, p. 391 (“Het vereischte van den samenhang der vorderingen is in het eerste geval ruim, in het tweede in den bepaalden engeren zin der connexiteit bedoeld.”), p. 395 (‘de connexiteit der wederkerige vorderingen’) en p. 397 (“Wij zien hier dus dat het vereischte der connexiteit is weggevallen. De vorderingen behoeven slechts uit het handelsverkeer tusschen schuldeischer en schuldenaar te zijn ontstaan.”). Zie ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/5, die aldaar refereert aan ‘het samenhangcriterium van art. 6:52 BW’ en ‘het strengere connexiteitsvereiste van art. 6:262 BW’, maar die in par. 13 ‘samenhang’ en ‘connexiteit’ wel als synoniem lijkt te gebruiken.
Zie voor deze verkorte formulering ook HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:723, NJ 2020/168, m.nt. red. aant. (X/Medline Hardenberg), r.o. 3.2.1 en HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:459, RvdW 2017/372 (woning in de Loosdrechtse Plassen), r.o. 5.2.2.
Zie § 3.7.4.3.
Aldus ook Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/47 en concl. A-G E.B. Rank-Berenschot 18 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1077, par. 2.9. Zie ook Kruissen 2008, p. 38-39. Het is wel een subtiel onderscheid, zie § 5.2.
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009/50, m.nt. Jac. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), r.o. 4.6. Aldus ook Vermeij 2022, p. 776.
Zie HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907, NJ 2012/91 (Euretco/Naeije), r.o. 3.5.4, waarin aan een gegrond geoordeeld verweer en een ongegrond opschortingsverweer wordt gerefereerd.
Heyning-Plate 1969. Aldus ook Krikke 2014; Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/7.1 en Linssen 1993, p. 167. Zie voorts o.a. Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/17 en Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2021/52, alsook Schoordijk 1979, p. 143 en 145, die een glijdende schaal schetst: ‘waar het opschortingsrecht eindigt en de ongeoorloofde eigenrichting begint’. Vgl. voorts Van Nispen, Sancties in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A11) 2018/44, die de vraag opwerpt ‘of het wel gelukkig is dat een bevoegdheid tot eigenrichting aan zo’n open norm is gebonden’.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 211, bij het antwoord op vraag b. Zie ook Nuninga, Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022, p. 18.
Zie ook Fesevur 1988, p. 11, met verdere verwijzingen. Zie voor kritiek op de aanduiding ‘eigenrichting’ ook Gratama 1887, p. 19-20. Kruissen 2008, p. 22 spreekt van ‘een indirecte vorm van eigenrichting’. Haak & Zwitser 2003, p. 376, spreken van ‘geoorloofde eigenrichting’. Vgl. Vranken 1983, p. 37, die verrekening ‘een wettelijk geregelde vorm van eigenrichting tot zekerheid’ noemt.
Voor de leesbaarheid van dit proefschrift licht ik de volgende termen nader toe: algemene opschortingsregeling, het algemene opschortingsrecht, schuldenaar, schuldeiser, wederpartij, verbintenis, vordering, tegenvordering, samenhangcriterium, opschortingsbevoegdheid, opschortingsrecht en opschortingsverweer. Tot slot sta ik stil bij de term ‘eigenrichting’.
Het algemene opschortingsrecht is geregeld in artikel 6:52 BW in afdeling 7, getiteld ‘Opschortingsrechten’, van titel 1, getiteld ‘Verbintenissen in het algemeen’, van Boek 6 BW, getiteld ‘Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht’. Afdeling 6.1.7 BW noem ik de algemene opschortingsregeling.
Het algemene opschortingsrecht is de bevoegdheid van een schuldenaar die een opeisbare vordering op zijn schuldeiser heeft om de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen (art. 6:52 lid 1 BW).
Het kan verwarrend zijn te lezen dat een schuldenaar een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser.1 In dit sterke staaltje van compacte wetschrijverij komt echter tot uitdrukking dat partijen elkaars schuldenaar en schuldeiser zijn en dat zij over en weer vorderingen op elkaar hebben.2 Aan eventuele verwarring kan bijdragen dat de wetgever in de algemene opschortingsregeling wel consequent maar niet consistent is in het gebruik van de terminologie uit artikel 6:52 lid 1 BW.3 De in het eerste lid genoemde vordering en verbintenis van de tot opschorting bevoegde schuldenaar zijn in artikel 6:52 lid 2 BW aangeduid met ‘de verbintenissen over en weer’. De schuldeiser uit artikel 6:52 BW heet in artikel 6:53-6:55 BW ‘wederpartij’. De vordering van de schuldenaar op die wederpartij wordt ook wel aangeduid als ‘de verbintenis van de wederpartij’ (art. 6:54 onderdelen a en b en 6:55 BW). En de verbintenis van de schuldenaar, waarvan hij nakoming opschort op grond van artikel 6:52 lid 1 BW, wordt in artikel 6:54 onderdeel c BW aangeduid als ‘de vordering van de wederpartij’.
Hoewel ik gecharmeerd ben van de algemene opschortingsregeling en de daarin gehanteerde terminologie, denk ik dat een ander gebruik van termen kan bijdragen aan een vlot begrip van een opschortingsgeval en de leesbaarheid van dit proefschrift. Daarom kies ik voor het onderscheid tussen de schuldenaar en de wederpartij.4 Anders dan bij het onderscheid tussen schuldenaar en schuldeiser leidt dit gekozen onderscheid ook tot een onderscheid in de te gebruiken persoonlijke een bezittelijke voornaamwoorden (resp. hij/zijn en zij/haar), wat tevens bijdraagt aan de leesbaarheid. Deze keuze is niet absoluut. Ook de term ‘schuldeiser’ komt nog voor en heeft dan de betekenis als bedoeld in artikel 6:52 lid 1 BW. Nu partijen beiden schuldenaar en schuldeiser zijn, kan in dat geval de schuldenaar ook aangeduid worden als de ‘tot opschorting bevoegde schuldenaar’ of ‘opschortingsbevoegde schuldenaar’.
Het onderscheid tussen schuldenaar en wederpartij maakt het mijns inziens niet nodig om andere termen voor de vordering en de verbintenis of de verbintenissen over en weer in de algemene opschortingsregeling te gebruiken. Door de toevoeging van welk van de partijen de betreffende vordering of verbintenis is, is mijns inziens voldoende duidelijk over welke verbintenis het gaat. Bovendien zal ik, evenals de wetgever, de opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 BW vrijwel steeds behandelen vanuit het perspectief van de schuldenaar, zodat het meestal de verbintenis en de vordering van de schuldenaar zijn. De verbintenissen over en weer duid ik ook wel aan als de ‘wederzijdse verbintenissen’.5
Bij de vordering van de schuldenaar zij nog opgemerkt dat deze dikwijls wordt aangeduid als zijn ‘tegenvordering’.6 Ik ben minder gelukkig met die term. De noodzaak van het gebruik van die term ontstaat als een opschortingsgeval vanuit het perspectief van de wederpartij wordt beschouwd. Vanuit dat perspectief heeft ‘de vordering’ betrekking op de vordering van de wederpartij op de schuldenaar. De term ‘tegenvordering’ dient dan de vordering van de schuldenaar op zijn wederpartij te onderscheiden van de vordering van de wederpartij op de schuldenaar. Dit strookt niet met de codificatie van artikel 6:52 lid 1 BW, waardoor het verwarrend kan werken, omdat dezelfde begrippen een tegenovergestelde betekenis hebben. De lezer zal een vertaalslag moeten maken van ‘vordering’ (van de wederpartij) en ‘tegenvordering’ (van de schuldenaar) naar respectievelijk ‘verbintenis’ en ‘vordering’ (beide van de schuldenaar). Door steeds te refereren aan zijn verbintenis en vordering in de zin van artikel 6:52 lid 1 BW is het denk ik niet nodig, ook niet eventueel voor de leesbaarheid, de term ‘tegenvordering’ te gebruiken. Ik zal dat daarom ook niet doen, behoudens in die gevallen waarin ik citeer.
De frase ‘indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen’ uit artikel 6:52 lid 1 BW duid ik aan als ‘het samenhangcriterium’. Van dit samenhangcriterium onderscheid ik de term ‘samenhang’. Daarmee doel ik op sec de samenhang die wel tussen de verbintenissen over en weer wordt aangenomen, los van de vraag of die samenhang voldoende is om opschorting te rechtvaardigen. Als synoniem van de term ‘samenhang’ wordt in de literatuur ook de term ‘connexiteit’ gebruikt.7 Het vereiste dat tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang moet bestaan om opschorting te rechtvaardigen, wordt ook wel aangeduid als de ‘connexiteitseis’8 of het ‘vereiste van connexiteit’.9 Ik geef de voorkeur aan de term ‘samenhang’ en aan ‘samenhangcriterium’, omdat dit aansluit op de wetstekst. Overigens is het een vraag of ‘connexiteit’ en ‘samenhang’ wel synoniem zijn. Er zijn aanwijzingen dat connexiteit staat voor de samenhang die bestaat tussen wederkerige verbintenissen als bedoeld in artikel 6:261 lid 1 BW en dat het vereiste van samenhang betrekking heeft op een samenhang tussen niet-wederkerige verbintenissen over en weer.10 Connexiteit drukt in die definitie een nauwe samenhang tussen de verbintenissen uit en samenhang doelt op wat in het algemene opschortingsrecht voldoende samenhang wordt genoemd. Naar hedendaags taalgebruik worden deze termen evenwel synoniem gebruikt en ik heb toegelicht waarom ik de voorkeur geef aan de termen ‘samenhang’ en ‘samenhangcriterium’.
In de formulering van het samenhangcriterium wordt gerefereerd aan ‘deze opschorting’. Het aanwijzend voornaamwoord ‘deze’ verwijst naar het uitstel van de nakoming van de verbintenis door de schuldenaar in het concrete geval. Niet in alle zinsconstructies is het mogelijk om bij het aanhalen van het samenhangcriterium dit aanwijzend voornaamwoord te gebruiken. In plaats van ‘deze opschorting’ zal ik daarom refereren aan bijvoorbeeld ‘de betreffende opschorting’ of de verkorte formulering ‘om opschorting te rechtvaardigen’ gebruiken.11 De verkorte formulering is niet tevens bedoeld als een veralgemenisering van het samenhangcriterium. Dit criterium heeft steeds betrekking op het concrete geval (‘deze’).12
Als aan de daarvoor geldende vereisten is voldaan, is de schuldenaar opschortingsbevoegd en heeft hij op grond van artikel 6:52 lid 1 BW een opschortingsrecht. Het hebben van een opschortingsrecht is te onderscheiden van het uitoefenen daarvan.13 Deze opschortingsbevoegdheid of dit opschortingsrecht kan hij binnen rechte inroepen. In dat geval voert de schuldenaar een opschortingsverweer. Het niet slagen of niet honoreren van een opschortingsverweer wordt ook wel ‘een ongegrond beroep op opschorting’ genoemd.14 Dat is vanzelfsprekend te onderscheiden van een gegrond opschortingsverweer.15
Opschortingsrechten worden wel aangeduid als vormen van ‘eigenrichting tot zekerheid’.16 Het valt niet te ontkennen dat het buiten rechte uitoefenen van een opschortingsrecht een autonoom karakter heeft. Aan de uitoefening van een opschortingsrecht behoeft geen rechter te pas te komen.17 Evenwel kan een op de wet gebaseerde of uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende bevoegdheid tot het uitstellen van nakoming van een verbintenis bezwaarlijk als eigenrichting kwalificeren.18 Daarom geef ik de voorkeur aan de term ‘eigenhandig’. De tot opschorting bevoegde schuldenaar heeft een eigenhandige, dus zonder tussenkomst van een rechter, bevoegdheid de nakoming van zijn verbintenis uit te stellen totdat zijn wederpartij is nagekomen.