Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/1.3:1.3 Vraagstelling en doelstelling
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/1.3
1.3 Vraagstelling en doelstelling
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950339:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De centrale vraag van dit onderzoek is: wanneer heeft de schuldenaar een opschortingsrecht als bedoeld in artikel 6:52 BW en wanneer mag hij dit recht al dan niet uitoefenen? Deze vraag valt uiteen in vier deelvragen.
1. De eerste deelvraag is welke plaats het algemene opschortingsrecht in het BW inneemt. Deze deelvraag valt uiteen in een aantal subvragen:
Wat is de historie van het algemene opschortingsrecht?
Wat is de wettelijke systematiek van opschortingsrechten?
Wat is de grondslag van het algemene opschortingsrecht?
Wat is de aard van het algemene opschortingsrecht?
Wat is het karakter van het algemene opschortingsrecht?
Waarop is de uitoefening van het algemene opschortingsrecht gericht?
Waartoe strekt de uitoefening van het algemene opschortingsrecht?
Welke functie of functies heeft het algemene opschortingsrecht?
Wat zijn de rechtsgevolgen van het bevoegd of onbevoegd uitoefenen van het algemene opschortingsrecht?
Hoe eindigt een opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 lid 1 BW?
2. De tweede deelvraag is wat de vereisten van het algemene opschortingsrecht zijn en wanneer aan elk van deze vereisten is voldaan. Een van deze vereisten, tevens het centrale vereiste, is het al genoemde samenhangcriterium. Ten aanzien van dat criterium valt deze deelvraag uiteen in zeven subvragen. De eerste subvraag luidt:
Onder welke omstandigheden is of kan aan het samenhangcriterium zijn voldaan?
Het antwoord op deze eerste subvraag kan ten dele gevonden worden in de wet, omdat artikel 6:52 lid 2 BW bepaalt dat aan het samenhangcriterium kan zijn voldaan als de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig hebben gedaan. De tweede tot en met zesde subvraag hebben betrekking op dit artikellid en luiden:
Wat houdt ‘dezelfde rechtsverhouding’ als bedoeld in artikel 6:52 lid 2 BW in?
Wanneer is sprake van ‘dezelfde rechtsverhouding’ als bedoeld in artikel 6:52 lid 2 BW?
Wat houdt ‘zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan’ als bedoeld in artikel 6:52 lid 2 BW in?
Wanneer is sprake van ‘zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan’ als bedoeld in artikel 6:52 lid 2 BW?
In hoeverre is of kan aan het samenhangcriterium zijn voldaan als de in artikel 6:52 lid 2 BW bedoelde omstandigheden zich voordoen?
De codificatie van het tweede lid van artikel 6:52 BW laat ruimte voor andere dan de daarin genoemde omstandigheden. Daarom luidt de zevende subvraag:
Onder welke omstandigheden kan worden aangenomen dat wel of niet aan het samenhangcriterium is voldaan?
3. Gegeven dat aan de vereisten van het algemene opschortingsrecht – waarop de tweede deelvraag ziet – is voldaan, is de schuldenaar op grond van artikel 6:52 lid 1 BW bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten totdat zijn wederpartij zijn vordering heeft voldaan. Daarbij rijst de derde deelvraag hoe de schuldenaar deze bevoegdheid uitoefent.
4. De vierde deelvraag ten slotte is wanneer de schuldenaar zijn opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 lid 1 BW niet mag uitoefenen.
Bij de beantwoording van deze vragen streef ik onder andere naar het formuleren van een maatstaf voor de beoordeling van het samenhangcriterium in artikel 6:52 lid 1 BW. Tevens streef ik naar een maatstaf voor de beoordeling van de in artikel 6:52 lid 2 BW opgenomen omstandigheden waaronder onder meer aan het samenhangcriterium kan zijn voldaan. Ook tracht ik een antwoord te geven op de vraag in welke gevallen aan dit criterium is of kan zijn voldaan, door een overzicht te geven van omstandigheden die bij de beoordeling van het samenhangcriterium een rol kunnen spelen. Voorts streef ik naar het formuleren van een maatstaf voor de beoordeling van de vraag wanneer de schuldenaar het algemene opschortingsrecht niet mag uitoefenen en in welke omstandigheden aan die maatstaf is of kan zijn voldaan. Om een zekere mate van abstractie te bereiken in de omstandigheden die bij de beoordeling van het samenhangcriterium en de uitoefening van het algemene opschortingsrecht een rol kunnen spelen, is het mijn bedoeling deze omstandigheden zoveel als mogelijk te rubriceren.
Met deze opzet beoog ik zowel de rechtswetenschap als de rechtspraktijk te dienen. De formulering van beoordelingsmaatstaven en het bereiken van een zekere mate van abstractie op basis van concrete gevallen kan bijdragen aan rechtszekerheid over het antwoord op de vraag wanneer opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 lid 1 BW bestaat, alsook helpen bij het leggen van verbanden tussen verschillende opschortingsregelingen of de analogische toepassing van opschortingsregelingen. Daarmee tracht ik ook bij te dragen aan geschiloplossing in gevallen waarin een van de partijen een opschortingsrecht inroept.
Dat het mogelijk zou zijn om daadwerkelijk te komen tot het formuleren van de genoemde beoordelingsmaatstaven, meer in het bijzonder het formuleren van een maatstaf voor de beoordeling van het samenhangcriterium, is overigens een veronderstelling, omdat een concrete aanwijzing daarvoor ontbreekt. Wel is het de verwachting dat het mogelijk moet zijn om op basis van rechtsbronnen die – hoofdzakelijk – sinds de codificatie van het algemene opschortingsrecht zijn verschenen tot een formulering daarvan te komen.