Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.2.3:6.2.3 Andere brontekst (aanleiding)
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.2.3
6.2.3 Andere brontekst (aanleiding)
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661440:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het valt in de casusposities op dat de inspecteur (Belastingdienst) en de burger telkens een andere ‘brontekst’ gebruiken als basis voor hun handelen. De burger kijkt in voorlichting van de Belastingdienst, de Belastingdienst maakt voorlichting op basis van de wet en de inspecteur kijkt in de wet. Terwijl de burger uitgaat van informatie van de Belastingdienst om zijn aangifte te doen, legt de inspecteur de aanslag op aan de burger op basis van de wet.
Dat de burger en de Belastingdienst/inspecteur een andere brontekst (kunnen) hanteren als basis voor handelen hoeft niet tot problemen te leiden. Dat doet het in theorie ook niet. Het idee is immers dat de Belastingdienst de wet toepast en dat voorlichting overeenkomt met de wet (hoofdstuk 2). In werkelijkheid is dit echter niet steeds het geval (paragraaf 2.6.1, 4.3, 4.6), zoals de casusposities illustreren. Tussen de wet en de voorlichting kunnen juridisch relevante discrepanties ontstaan, bijvoorbeeld bij vergissingen (casuspositie 2 met de thuiswerkende notaris en casuspositie 3 met de campingexploitant), juridische gebreken (casuspositie 1, 4, 5, 6 en 7 over de autokosten, het voorbehoud, het te eenvoudige formulier, de co-ouder, de autokosten respectievelijk de revisierente), waarbij de inspecteur teruggrijpt op (een andere uitleg van) de wet, terwijl de burger verwacht dat de Belastingdienst conform de verstrekte informatie handelt. De casusposities illustreren tevens dat voorlichting naar zijn aard een ander teksttype is dan de wet, maar dat de trade-off tussen juridische juistheid en begrijpelijkheid die daarvoor nodig is, in concrete situaties kan leiden tot informatie waarin de burger op het verkeerde been wordt gezet over zijn fiscale rechtspositie (paragraaf 6.4).
Dat de Belastingdienst en de burger andere bronteksten hanteren is op zichzelf verklaarbaar. In het juridisch perspectief is de Belastingdienst in zijn handelen gebonden aan het recht (fiscale legaliteitsbeginsel in art. 104 GW) en legt de inspecteur belastingaanslagen op grond van de wet op (paragraaf 2.2). Vanuit het burgerperspectief is verklaarbaar dat burgers afgaan op de informatie van de Belastingdienst, aangezien voorlichting als functie heeft om burgers informatie te verschaffen over fiscale wet en regelgeving en hen te helpen bij de nakoming van hun fiscale rechten en plichten, zonder dat zij daarvoor eerst in de (voor hen veelal ontoegankelijke) wet hoeven te kijken (paragraaf 2.3, 2.5, 5.3.3.2). De casusposities illustreren stuk voor stuk dat burgers in de werkelijkheid niet de wet raadplegen, maar zich wenden tot voorlichting van de Belastingdienst. De functie van voorlichting als middel voor de joint activity van belastingheffing laat zich daarmee goed illustreren (paragraaf 5.7.2, 5.7.4).
Het burgerperspectief kan verklaren waarom burgers afgaan op informatie van de Belastingdienst: zij communiceren met de Belastingdienst – en niet met de wetgever (paragraaf 6.3). Wanneer de inspecteur vervolgens (een andere interpretatie van) de wet toepast en dat leidt tot een andere uitkomst, schuurt dat. Denk aan de echtgenote die de Belastingdienst verwijt zelf op de stoel van de wetgever te gaan zitten en onzorgvuldige teksten te maken, waarop de burger zich vervolgens niet mag beroepen (casuspositie 5) en de invalide autobezitter die zich afvraagt waarom de Belastingdienst reclame maakt voor telefonische informatie, maar daar vervolgens niet voor instaat (casuspositie 1). Het communicatieve commitment wordt dan niet waargemaakt (paragraaf 5.7).