Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/5.2.4
5.2.4 Hof 's-Hertogenbosch 16 januari 2001 (Latiers/Ontvanger): verrekening binnen een fiscale eenheid bij faillissement
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS607195:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover verder § 5.3.1.
Latiers zag hier kennelijk over het hoofd dat onder belastingschuldige mede wordt verstaan een rechthebbende op een belastingteruggaaf. Het gaat er volgens art. 2 lid 1, onderdeel k, Iw 1990 om op wiens naam de belastingaanslag is gesteld. Dat kan dus ook een aanslag met een teruggaaf zijn. Zie eveneens de aantekening bij dit arrest in V-N 2003/7.28.
Dit gaat over een andere kwestie dan de vraag wie in het kader van de instemmingsplicht voor de ontvanger van art. 24 lid 4 Iw 1990 als belastingschuldige moet worden aangemerkt. Zie daarover de § 1.3, 2.4.3, slot en 2.4.7.
Zie § 5.2.3.
In deze zaak lagen de feiten als volgt. Latiers B.V. en Latiers Almelo B.V. bevonden zich in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting met nog enkele andere vennootschappen. Latiers Almelo verkeerde in staat van faillissement. Latiers had een vordering op de fiscus van f 95.935, tot teruggaaf van belastingen. De ontvanger stelde zich op het standpunt dat de vordering van Latiers was verrekend met de belastingschuld van de gefailleerde Latiers Almelo. Latiers, die het niet met deze verrekening eens was, verzocht vervolgens aan de ontvanger om haar eigen belastingschuld van f 71.781 te verrekenen met haar vordering op de ontvanger tot teruggaaf van belastingen. De ontvanger weigerde deze verrekening toe te passen.1 Latiers voerde aan dat zij in dit geval niet kon worden aangemerkt als 'belastingschuldige' in de zin van artikel 24 Iw 1990. Volgens Latiers heeft dat begrip in dit geval alleen betrekking op Latiers Almelo als degene die belastingschulden heeft, en niet op Latiers met een vordering op de fiscus.2 Het Hof is van oordeel dat de door Latiers aldus gegeven beperkte uitleg niet volgt uit de tekst van dit artikel, terwijl ze ook niet strookt met de reden waarom deze tekst bij amendement aan het oorspronkelijke artikel is toegevoegd. Uit de tekst van deze zin kan volgens het Hof niet worden afgeleid dat zij alleen is geschreven voor het geval de belastingschuldige zelf failliet is gegaan, terwijl deze een vordering heeft op de ontvanger. Zij maakt immers, aldus het Hof, in algemene zin verrekening mogelijk binnen een fiscale eenheid en beperkt die niet tot het hiervoor genoemde geval. Dit lijkt een juist oordeel van het Hof. De verrekeningsregels bij de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting gaan ervan uit dat de belastingschuldige een andere partij is (binnen de fiscale eenheid) dan de crediteur van de fiscus.3 Verder overweegt het Hof terecht dat zich hier niet de situatie voordoet dat beide leden van de fiscale eenheid 'waartussen' de ontvanger wenst te verrekenen failliet zijn. Nu de failliete vennootschap (Latiers Almelo) geen vordering op de fiscus had, speelden de verrekeningsregels van artikel 53 Fw geen rol.4