Afscheid van de klassieke procedure?
Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.7.3.2:III.7.3.2 Uitbreiding van de hoorplicht
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.7.3.2
III.7.3.2 Uitbreiding van de hoorplicht
Documentgegevens:
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS299518:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 3.1.1.
Vgl. ook het participatory model in Vriend 2016. Zie hierover nader § 8.
Zie onder meer EHRM 23 november 2006, AB 2007/51 (Jussila t. Finland).
Zie Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, p. 31. Zie in dit verband ook Jacobs e.a. 2015.
Vgl. in dit verband het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State van 13 juli 2015 over de rechtsbescherming binnen het bestuursrecht en het strafrecht, Stcrt. 2015, 30280, p.16.
Zie hetgeen daarover is opgemerkt in § 3.1.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voorts bepleiten wij een uitbreiding van de wettelijke hoorplicht voorafgaand aan het uitvaardigen van een strafbeschikking. Nu geldt deze alleen in de gevallen van art. 257c Sv.1 Vanuit het perspectief van art. 6 EVRM is het eigenlijk vrijwel ondenkbaar dat een strafrechtelijke beslissing van enige importantie tot stand komt zonder dat de verdachte eerst in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt ten aanzien van de voorgenomen wijze van afdoening over het voetlicht te brengen.2 Nu lijkt de Straatsburgse jurisprudentie weliswaar toe te staan dat onder omstandigheden strafrechtelijke beslissingen tot stand komen zonder dat de verdachte daaromtrent vooraf wordt gehoord, maar het EHRM heeft dit oordeel tot op heden met name verwoord in de context van procedures die tot de zogenoemde soft core of criminal law worden gerekend dan wel in gevallen waarin het om lage geldboetes gaat.3 In dat licht is het de vraag of de huidige wettelijke regeling die het verplicht horen pas voorschrijft vanaf een betalingsverplichting van € 2.000 terwijl het bij de strafbeschikking gaat om een procedure die kan worden gerekend tot de hard core of criminal law, wel verdedigbaar is.
Een argument tegen uitbreiding van de hoorplicht kan wat ons betreft niet zijn dat de verdachte altijd nog in verzet kan gaan tegen een jegens hem uitgevaardigde strafbeschikking teneinde zijn recht om gehoord te worden bij de strafrechter te effectueren. De strafbeschikking behelst nu eenmaal een schuldvaststelling en een strafoplegging. Met dit rechtskarakter verhoudt zich slecht dat deze reeds tot stand komt alvorens de verdachte zijn inbreng heeft kunnen leveren. Bovendien heeft het horen van de verdachte intrinsieke waarde. In de memorie van toelichting bij de Wet OM-afdoening wordt in dit verband opgemerkt dat de ratio van de hoorplicht drieledig is. Ten eerste draagt het horen van de verdachte bij aan de zorgvuldigheid waarmee de strafbeschikking tot stand komt. Voorts kan de verdachte bij gelegenheid van het horen aangeven wat de gevolgen van een strafbeschikking voor hem zouden zijn. Tot slot wordt gewezen op de ‘processuele ratio’: het horen kan immers de aanvaardbaarheid van de strafbeschikking voor de verdachte verhogen en daarmee het instellen van verzet voorkomen.4
De vraag is wel of het vorenstaande ook betekent dat de verdachte in alle gevallen voorafgaand aan de uitvaardiging van een strafbeschikking dient te worden gehoord. Dit zou immers belangrijke uitvoeringsconsequenties hebben, niet in de laatste plaats voor geringe boetes die veelal ‘op straat’ worden uitgevaardigd in de vorm van een politie- of bestuurlijke strafbeschikking, waarbij de verdachte zelf niet altijd tegenwoordig is. Het ligt niet voor de hand ook in dit type gevallen te vereisen dat de verdachte zonder meer dient te worden gehoord alvorens de strafbeschikking kan worden uitgevaardigd. Bovendien gebeurt dit ook niet in de context van de bestuurlijke boete, waarbij ingevolge art. 5:53 lid 3 Awb het horen van de betrokkene pas is vereist bij een voorgenomen boete van meer dan € 340. Op dit punt zou de regeling van de strafbeschikking kunnen aansluiten bij de regeling met betrekking tot de bestuurlijke boete door voor de hoorplicht een uitzondering te maken voor kale geldboetes tot een bedrag van of vergelijkbaar met € 340.5 Ook overigens noodzaken de praktische consequenties van uitbreiding van de hoorplicht tot nadere overdenking, mede in het licht van de op dit moment nog niet optimale betrokkenheid van de advocatuur binnen de ZSM-werkwijze.6 Uitbreiding van de hoorplicht zou immers niet alleen leiden tot een taakverzwaring voor het Openbaar Ministerie maar ook voor de advocatuur met alle financiële gevolgen van dien. Wellicht dat een verdere implementatie van de mogelijkheden tot het verlenen van rechtsbijstand via een videoverbinding hier enige verlichting kan bieden.