Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.7.3.1
III.7.3.1 Voorwaardelijke strafbeschikking
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS304289:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Deze suggestie is niet nieuw. Zie onder meer Groenhuijsen en Simmelink 2005, p. 183; Kooijmans 2012, aant. 5.3; Crijns 2014, p. 269 en 274; en Kessler 2015, p. 29-30.
Zie ook Groenhuijsen en Simmelink 2005, p. 183.
Zie Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, p. 25 en de Aanwijzing OM-strafbeschikking, Stcrt. 2015, 8971, in werking getreden op 1 april 2015. Zie ook Kessler 2015, p. 28-29.
Zie – ook voor het genoemde voorbeeld – Kessler 2015, p. 29.
Zie Crijns 2014, p. 274.
Zie Kessler 2015, p. 29.
Zie Kessler 2015, p. 29-30. In de eerste druk betoogde hij samen met Keulen hetzelfde; zie Kessler & Keulen 2008, p. 27-28.
Vragen van de leden Van Toorenburg en Van Helvert (beiden CDA) aan de Minister van Veiligheid en Justitie over het niet voorwaardelijk kunnen opleggen van een strafbeschikking door het Openbaar Ministerie (ingezonden 7 november 2016), 2016Z20556.
Zie Aanhangsel bij de Handelingen 2016/17, nr. 659. Zie ook hetgeen hierover in vergelijkbare zin wordt opgemerkt in de Contourennota Modernisering Wetboek van Strafvordering, Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278, p. 68.
Ten eerste geven ook wij de wetgever in overweging aan de strafbeschikking een voorwaardelijke modaliteit toe te voegen.1 Op dit moment is het niet mogelijk voor de officier van justitie de strafbeschikking voorwaardelijk op te leggen. Opmerkelijk genoeg bevat de wetsgeschiedenis geen expliciete argumenten voor deze keuze.2 Toch zou een voorwaardelijke modaliteit voor bepaalde categorieën van gevallen een duidelijke meerwaarde kunnen hebben. Voor zover het gaat om het verbinden van gedragsaanwijzingen aan de strafbeschikking zou de invoering van een voorwaardelijke modaliteit niet nodig zijn, nu dergelijke aanwijzingen op grond van art. 257a lid 3 Sv al aan de (onvoorwaardelijke) strafbeschikking kunnen worden verbonden. Bij niet-naleving van deze aanwijzingen door de verdachte kan de officier van justitie om die reden dagvaarden voor de rechter. Ook kunnen gedragsaanwijzingen door de officier van justitie buitengerechtelijk worden gerealiseerd langs de weg van het voorwaardelijk sepot, zij het dat uit de wetsgeschiedenis en de Aanwijzing OM-strafbeschikking een voorkeur voor het stellen van gedragsaanwijzingen langs de weg van art. 257a lid 3 Sv kan worden afgeleid (tenzij dit niet mogelijk is omdat het delict gezien het daaraan verbonden strafmaximum niet voor een strafbeschikking in aanmerking komt).3 Langs de weg van het voorwaardelijk sepot is het voorts mogelijk feiten te seponeren onder de algemene voorwaarde dat de verdachte niet opnieuw in de fout gaat. In andere gevallen kan het ontbreken van een voorwaardelijke modaliteit echter knellen. De ontzegging van de rijbevoegdheid kan bijvoorbeeld niet voorwaardelijk worden opgelegd bij wege van strafbeschikking, hetgeen tot de curieuze situatie leidt dat de officier van justitie wel kan besluiten tot een onvoorwaardelijke rijontzegging van zes maanden maar voor een voorwaardelijke rijontzegging van drie maanden de weg naar de rechter zal moeten bewandelen. Of zoals Kessler het uitdrukt: ‘Waarom zou het Openbaar Ministerie, dat het meerdere mag, het mindere moeten worden ontzegd?’4
Voor invoering van een voorwaardelijke modaliteit van de strafbeschikking pleit dat hiermee het sanctiearsenaal van de officier van justitie wordt uitgebreid, hetgeen de officier van justitie beter in staat stelt de strafbeschikking op maat toe te snijden. Bovendien bespaart dit de officier van justitie – in gevallen waarin ook volgens hem een voorwaardelijke modaliteit zou kunnen volstaan – het dilemma of hij met het oog hierop de verdachte zal dagvaarden (met als gevolg dat de afdoening van de zaak complexer wordt en langer duurt) of toch zelf een onvoorwaardelijke strafbeschikking zal opleggen (met als ongewenst gevolg dat de verdachte mogelijk zwaarder wordt bestraft dan nodig ware geweest). Voorts is vanuit het perspectief van subsidiariteit een voorwaardelijke sanctie in zijn algemeenheid te verkiezen boven een onvoorwaardelijke (behoudens de situatie waarin het pakket aan bijzondere voorwaarden verbonden aan een voorwaardelijke sanctie zodanig omvangrijk is dat een dergelijke sanctie reeds om die reden zwaarder wordt dan zijn onvoorwaardelijke evenknie).5 Wellicht belangrijker is evenwel nog dat invoering van de voorwaardelijke modaliteit de officier van justitie in staat stelt om ook binnen het buitengerechtelijke spoor het strafdoel van speciale preventie naar een hoger plan te tillen. Vanuit het eerdergenoemde streven binnen de context van het buitengerechtelijke afdoening tot zinvollere vormen van afdoening te komen, zou invoering van een in voorwaardelijke vorm uit te vaardigen strafbeschikking inhoudende een geldboete, een taakstraf en/of een ontzegging van de rijbevoegdheid bepaald een meerwaarde kunnen hebben, ook wanneer in daarvoor in aanmerking komende gevallen enkel zou worden gewerkt met de algemene voorwaarde dat verdachte binnen de gestelde proeftijd niet opnieuw strafbare feiten pleegt.
Wat zou tegen invoering van een voorwaardelijke modaliteit kunnen pleiten? De bezwaren lijken met name verband te houden met de gang van zaken rond de beslissing tot tenuitvoerlegging bij het niet-voldoen aan de gestelde voorwaarden.6 In het huidige wettelijke systeem zijn executiebeslissingen ten aanzien van eerder voorwaardelijk opgelegde sancties steeds voorbehouden aan de rechter. Het zou een breuk met dit wettelijk systeem betekenen wanneer de officier van justitie zelfstandig de beslissing tot tenuitvoerlegging van een bij strafbeschikking voorwaardelijk opgelegde sanctie zou kunnen nemen, terwijl het in het licht van het feit dat de officier van justitie thans al onvoorwaardelijke sancties aan de strafbeschikking mag verbinden niet logisch zou voorkomen wanneer hij in geval van niet-naleving van de gestelde voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van een door hem voorwaardelijk opgelegde sanctie per definitie de rechter zou moeten benaderen met een vordering strekkende tot tenuitvoerlegging. Kessler meent dan ook dat invoering van een voorwaardelijke strafbeschikking vooraf zou moeten worden gegaan door een doorbreking van het uitgangspunt dat executiebeslissingen steeds door de rechter dienen te worden genomen.7
Recentelijk hebben de Tweede Kamerleden Van Toorenburg en Van Helvert de minister van Veiligheid en Justitie vragen gesteld over deze kwestie.8 In zijn beantwoording lijkt de minister niet op voorhand afwijzend te staan tegenover invoering van een dergelijke modaliteit, maar ook hij geeft aan dat een dergelijke invoering consequenties zou hebben voor de regeling van de tenuitvoerlegging bij niet-naleving van de voorwaarden. Navraag door de minister bij de onderzoekers die op dit moment het evaluatieonderzoek naar de Wet OM-afdoening uitvoeren9 leert dat ook deze kwestie in het onderzoek wordt betrokken. De minister geeft aan eerst de resultaten van dit onderzoek te willen afwachten, waarna dit punt indien daartoe aanleiding bestaat wordt betrokken in het project Modernisering Wetboek van Strafvordering.10