Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/5.3
5.3 HR 20 juni 1951
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS346788:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 juni 1951, NJ 1952, 559 (p. 997). Bij resolutie van 31 oktober 1947, PW 15173, heeft de minister aangegeven dat voor de toepassing van de Registratiewet 1917 het burgerrechtelijk scheidingsbegrip als richtsnoer gehanteerd moet worden en dat burgerrechtelijk slechts van een scheiding sprake kan zijn wanneer alle gerechtigden in de onverdeeldheid medewerken, voor zover die onverdeeldheid – althans ten aanzien van een van de deelgerechtigden – wordt opgeheven. Houwing merkt in zijn noot onder HR 20 juni 1951, NJ 1952, 559 op dat de minister hiermee terugkomt op een eerder ingenomen standpunt, inhoudende dat de overdracht of toescheiding van een onverdeeld aandeel in een zaak ook als een scheiding zou zijn aan te merken, zonder de medewerking van alle deelgerechtigden. Het is Libourel, die in zijn rede op de jaarvergadering 1948 van de Broederschap der Notarissen, de opvatting omtrent scheiding in vorenbedoelde resolutie bestrijdt: ‘Ik noem een scheiding in tegenstelling van een gewone overdracht, waarbij de één een hem toebehorend goed aan een ander overdraagt, elke handeling, waardoor een aandeel dat iemand in een boedel of een goed heeft, overgaat aan een mede-eigenaar.’ (Libourel 1948, p. 395-396).
HR 20 juni 1951, NJ 1952, 559 (p. 997).
HR 20 juni 1951, NJ 1952, 559 (p. 997).
Asser/Meijers 1941, p. 342 [niet: p. 341, zoals de Toelichting Meijers vermeldt, THS].
Tot de nalatenschap van de weduwe Tersmette-Krapels zijn gerechtigd acht deelgenoten, ieder voor een achtste gedeelte. Vier van de acht deelgenoten zijn twee zusters en hun twee broers. Tot de nalatenschap behoren diverse onroerende zaken (’goederen’). Bij akte van 20 oktober 1949, verleden voor Ph.B. Libourel, destijds notaris te Delft, is door de vorenbedoelde zusters en broers de helft van de tot de nalatenschap behorende onroerende zaken toebedeeld aan beide zusters tegen betaling aan de beide broers van ƒ 4.500, wegens de in de toebedeling begrepen overbedeling. Op deze akte is door de Inspecteur der Registratie geheven een recht van ƒ 225, zijnde 5% van de waarde van datgene wat de zusters door de toedeling in de onroerende zaken hebben verkregen (’bijgekregen’). Deze heffing heeft plaatsgevonden op de grond dat de vorenbedoelde toedeling niet zou zijn een scheiding, maar een overdracht van de aandelen van de broers aan de zusters. De zusters, eiseressen tot cassatie, stellen zich op het standpunt dat de heffing ten onrechte is geschied, omdat er sprake zou zijn van een scheiding, althans in de zin van de Registratiewet 1917. De zusters menen dat op de genoemde akte niet anders had behoren geheven te worden dan het vaste recht van ƒ 3 en dat zij derhalve gerechtigd zijn tot het verschil van het geheven recht en het bedoelde vaste recht, hetgeen zij dan ook als onverschuldigd betaald terugvorderen.
De zusters voeren, voor zover hier relevant, in cassatie de volgende middelen aan:
‘A. Ten onrechte overweegt de Rechtbank (…) dat voor een scheiding naar Nederlands Burgerlijk Recht de medewerking van alle deelgenoten vereist wordt. Ook wanneer in een geval als het onderhavige, waar de onroerende goederen in onverdeeld eigendom toebehoorden aan acht personen, vier deelgerechtigden hun gezamenlijk aandeel, zijnde de onverdeelde helft, aan twee van die vier deelgerechtigden (eiseressen) toescheiden zonder medewerking der vier overige deelgerechtigden, is er sprake van een scheiding in burgerrechtelijke zin. (…)
B. Indien het onder A hierboven vervatte standpunt, dat de onderhavige handeling een scheiding is in burgerrechtelijke zin, ongegrond ware, zo is die handeling naar de stelling der eiseressen dan toch een scheiding in de zin van de Registratiewet 1917.’1
De Hoge Raad:
‘O. ten aanzien van het eerste middel onder A:
(…) dat een overeenkomst met betrekking tot een onverdeelden boedel alleen dan als een scheiding in den zin van de artikelen 1112 e.v. B.W. kan worden beschouwd, indien alle deelgenoten medewerken tot het doen ophouden ten aanzien van een of meer hunner van den mede-eigendom in een of meer bestanddelen van den onverdeelden boedel. (…)
O. dat ook het in het eerste middel onder B gestelde faalt, aangezien er geen grond is aan te nemen, dat de Registratiewet 1917 (…) aan het begrip scheiding een andere betekenis toekent dan die van het burgerlijk recht;’2
Ten aanzien van de vereiste medewerking door de deelgenoten overweegt de Hoge Raad dat alleen dan sprake kan zijn van een scheiding indien alle deelgenoten daartoe medewerken. In zijn formulering van de scheidingshandeling voegt de Hoge Raad aan het vereiste van de medewerking eveneens een rechtsgevolg toe: alle deelgenoten dienen mede te werken ‘tot het doen ophouden ten aanzien van een of meer hunner van den mede-eigendom in een of meer bestanddelen van den onverdeelden boedel’.3
De opvatting van de Hoge Raad vertoont gelijkenis met de eerder door Meijers in de literatuur gebezigde opvatting, waarnaar ook door Meijers in zijn Ontwerp wordt verwezen:
‘Een scheidingshandeling is derhalve te omschrijven als iedere handeling, waartoe alle deelgenooten medewerken en die ten gevolge heeft, dat een of meer hunner ten aanzien van alle of enkele goederen der gemeenschap ophouden mede-eigenaar te zijn.’4
Behalve bij Meijers worden in de literatuur ook bij anderen omschrijvingen van een scheidings- dan wel verdelingsbegrip aangetroffen. Zowel ten aanzien van de vereiste medewerking door de deelgenoten als ten aanzien van de formulering van het rechtsgevolg kunnen enkele varianten worden onderscheiden.