Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/5.2:5.2 Hetgeen als geldend recht aanvaard wordt
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/5.2
5.2 Hetgeen als geldend recht aanvaard wordt
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS344327:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het overzicht van de ontwikkeling van het huidige verdelingsbegrip maakte ik melding van de omschrijving van verdeling volgens het Ontwerp Meijers:
‘Als een verdeling wordt beschouwd iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon hetzij vertegenwoordigd, medewerken, en waardoor een of meer van hen een of meer van de goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten ve[r]krijgen.’1
Hoewel in de loop van het wetgevingsproces op bovenstaande omschrijving nog enkele redactionele aanpassingen worden gepleegd, is de tekst van het Ontwerp nagenoeg gelijkluidend aan de wettekst. Dit geldt in het bijzonder voor de formulering van de vereiste medewerking van de deelgenoten en het rechtsgevolg van de verkrijging krachtens verdeling. Deze constatering is van belang op het moment dat we ons richten op Meijers’ toelichting bij deze omschrijving:
‘Dit artikel wordt ook thans, hoewel het nergens aldus in het algemeen in het B.W. geformuleerd is, als geldend recht aanvaard. Men vergelijke H.R. 20 Juni 1951, N.J. 1952 no. 559 en Asser-Meijers p. 341.’2
‘Dit artikel wordt ook thans (…) als geldend recht aanvaard.’ De Toelichting vangt aan met een duidelijke stelling. Ondanks het op dat moment ontbreken van een wettelijke formulering, heeft de gegeven omschrijving kennelijk als rechtens juist te gelden, ondersteund door de vermelde jurisprudentie en literatuur. In lijn met Meijers’ aansporing daartoe (’men vergelijke’) zal ik de door hem vermelde bronnen nader bezien. Ik begin met een weergave van relevante feiten en rechtsoverwegingen uit het vorenbedoelde arrest van de Hoge Raad van 20 juni 1951.