Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/5.6:5.6 Maatstaf voor verdeling
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/5.6
5.6 Maatstaf voor verdeling
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS344328:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Meijers 1916, p. 407, waar hij opmerkt dat iedere handeling tussen alle deelgenoten, waardoor de onverdeeldheid wordt opgeheven of verminderd, een scheiding is.
Voor een nadere beschouwing van de bij verdeling betrokken deelgenoten, zie par. 7.2 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een verdeling is er in beginsel op gericht een gemeenschap geheel te doen eindigen. Het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg vereist echter niet dat een gemeenschap volledig wordt opgeheven. Dit roept de vraag op in hoeverre opheffing van een gemeenschap noodzakelijk is om een verkrijging krachtens verdeling te kunnen aannemen. Dit brengt ons bij het grondbeginsel van verdeling. Onder het grondbeginsel van verdeling versta ik het principe dat ten grondslag ligt aan de verdeling en dat het effect van de verkrijging krachtens verdeling in zijn essentie beschrijft. Wat is nu dit grondbeginsel? Anders gezegd: wat is de maatstaf voor verdeling? Ter beantwoording van deze vraag volgt nu een analyse over wat verdeling naar zijn wezen inhoudt.
Gemeenschap is aanwezig, wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk.1 Gemeenschap kan worden gelijkgesteld met onverdeeldheid, het ontbreken van gemeenschap (ten gevolge van verdeling en levering) met verdeeldheid. Verdeling is een middel krachtens welke een gemeenschap en daarmee een situatie van onverdeeldheid kan worden opgeheven. Verdeling is daarmee een instrument om vanuit een toestand van onverdeeldheid te komen tot verdeeldheid. Van verdeling kan ook sprake kan zijn indien meerdere deelgenoten gezamenlijk een of meer goederen van de gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. In een dergelijke situatie wordt de rechtshandeling ten gevolge waarvan de deelgenoten verkrijgen als verdeling aangemerkt, terwijl de situatie van onverdeeldheid blijft voortduren. Verdeling is in dat geval niet alleen een instrument om van onverdeeldheid te komen tot verdeeldheid, maar heeft dan eveneens te gelden als instrument om te komen van onverdeeldheid tot (een andere vorm van) onverdeeldheid. Hoe kan dit worden verklaard?
Als verdeling de brug is tussen onverdeeldheid en verdeeldheid en tevens verdeling kan worden aangenomen van onverdeeldheid tot onverdeeldheid, dan kan dat alleen in een proces van ‘meer’ onverdeeldheid naar ‘minder’ onverdeeldheid. In dat geval moet er iets als ‘een mate van onverdeeldheid’ bestaan op basis waarvan getoetst kan worden of een verkrijging krachtens een bepaalde rechtshandeling een toenemende, gelijkblijvende of afnemende mate van onverdeeldheid tot gevolg heeft. Omdat verdeling tot oogmerk heeft de (mate van) onverdeeldheid te beëindigen of in elk geval te verminderen, zal voor de verkrijging krachtens verdeling een verminderde mate van onverdeeldheid moeten optreden.2
Wat zijn nu de factoren die van invloed zijn op de totstandkoming van een verminderde mate van onverdeeldheid? Uit art. 3:166 lid 1 BW blijkt dat de aanwezigheid van gemeenschap afhankelijk is gesteld van de aanwezigheid van goederen (een of meer) en deelgenoten (twee of meer). Uit art. 3:182 BW kan worden opgemaakt dat als rechtsgevolg van een verkrijging krachtens verdeling dient op te treden een toestand waarbij een of meer van de deelgenoten een of meer goederen van de gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. Een rechtshandeling ten gevolge waarvan de onverdeeldheid zelfs niet ten aanzien van enig goed wordt opgeheven, maar ten gevolge waarvan een deelgenoot wel ophoudt deelgenoot te zijn, heeft ten aanzien van de resterende deelgenoten eveneens als verdeling te gelden. De oorzaak daarvan is gelegen in het feit dat de mate van onverdeeldheid wordt verminderd doordat het aantal deelgenoten wordt verkleind. Een verminderde mate van onverdeeldheid wordt daarom niet noodzakelijk bepaald door de vermindering van het aantal tot de gemeenschap behorende goederen, maar door de vermindering van het aantal tot de gemeenschap gerechtigde deelgenoten.
Als maatstaf voor verdeling heeft derhalve te gelden het optreden van een verminderde mate van onverdeeldheid. Deze verminderde mate van onverdeeldheid dient op te treden ten gevolge van de vermindering van het aantal tot ten minste een goed van de gemeenschap gerechtigde deelgenoten krachtens een daartoe strekkend handelen tussen deelgenoten waaraan alle deelgenoten medewerken.3 Deze maatstaf stemt zowel overeen met het door de Hoge Raad in zijn arrest van 20 juni 1951 (negatief) geformuleerde criterium voor scheiding, als met het door de wetgever (positief) geformuleerde criterium in het verdelingsbegrip. Tevens vloeit uit een dergelijke maatstaf voort dat krachtens verdeling uitsluitend door (een of meer) deelgenoten – en derhalve niet door derden – kan worden verkregen en dat indien het aantal deelgenoten onveranderd blijft en slechts de onderlinge gerechtigdheid tot de goederen wijzigt van een verkrijging krachtens verdeling geen sprake kan zijn. Ook dit is in lijn met de voormelde criteria van de wetgever en de Hoge Raad.