Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/3.2.3
3.2.3 Rsl in cijfers
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633668:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Bijsterveld 2013, p. 395.
Zie voor de kenmerken van de groeikerken (en de mogelijke verklaring voor hun opvallende ledenaanwas) De Hart & Dekker 2013, p. 233, 234.
De Hart 2013, p. 43-45.
Kregting 2020, p. 4, te raadplegen via https://www.ru.nl/kaski/onderzoek/publicaties/. Uit de correspondentie met RKK d.d. 27 april 20201 blijkt dat er geen recentere cijfers beschikbaar zijn.
Correspondentie met de koepelorganisatie van PKN per e-mail van 26 april 2021: 1.577.429 leden. Zie ook de website van Protestantse Kerk, te raadplegen via https://www.protestantsekerk.nl/over-ons/, onder het kopje feiten en cijfers, laatst geraadpleegd op 29 november 2021.
Bernts 2016, p. 22. Het CBS-onderzoek van 18 december 2020 komt voor hetzelfde jaar met andere cijfers, met name een hoger percentage voor katholieken. Dit is omdat het CBS werkt met een andere vraagstelling (‘eentrapsvraag’) dan God in Nederland (‘tweetrapsvraag’). De eentrapsvraag is bijvoorbeeld ‘tot welke godsdienstige groepering rekent u zichzelf?’. Bij de tweetrapsvraag wordt eerst gevraagd of iemand aangesloten is bij een godsdienstige groepering en vervolgens welke. Sommige respondenten rekenen zich op basis van de eentrapsvraag wel en op basis van de tweetrapsvraag niet tot een religieuze groepering.Hoewel het CBS ook recentere cijfers biedt, heb ik hier gekozen voor God in Nederland vanwege de specifiekere onderverdeling. Zo hanteert het CBS alleen een onderverdeling tussen katholiek, protestants (zonder onderscheid tussen PKN en kleine protestantse kerken), moslim en overige gezindte. Bij deze laatste groep maakt het CBS geen onderscheid tussen overige christelijke religies en andere niet-christelijke geloofsgroepen dan islam. Bovendien rekent het CBS tot ‘overige gezindte’ ook levensbeschouwelijke groeperingen, zoals humanisten.Het CBS komt voor 2019 tot bijna 46 procent van de Nederlanders die zich tot een kerkelijke gezindte of levensbeschouwelijke groepering rekent. Daarnaast geeft 54,1 procent aan niet te behoren tot een kerkelijke gezindte of levensbeschouwelijke groepering. Zie tabel 2.1. van het CBS-onderzoek.
De Hart 2013, p. 48.
Bernts & Berghuijs 2016, p. 13.
Uit: Bernts 2016, p. 21; deze cijfers betreffen personen die zich daadwerkelijk als lid beschouwen.
Hiertoe behoren de orthodox-gereformeerde en bevindelijke-gereformeerde kerken, de evangelische en pinkstergemeenten en enkele vrijzinnige kerken, aldus Bernts 2016, p. 22.
Dit zijn o.a. apostolische en oosters-orthodoxe kerken en Jehovah’s Getuigen, aldus Bernts 2016, p. 22.
Deze groep bestaat vooral uit hindoes en boeddhisten, Bernts 2016, p. 22.
Bernts 2016, p. 22.
Bernts 2016, p. 39, 40.
Uit: Bernts 2016, p. 40.
Tot deze groep behoren personen die zich niet als lid van een kerk beschouwen maar zich wel als gelovig betitelen.
Tot deze groep behoren die zich niet als lid van een kerk beschouwen maar zich wel als spiritueel betitelen.
Tot deze groep behoren die zich niet als lid van een kerk beschouwen en evenmin als gelovig of spiritueel.
Berghuijs 2016, p. 93.
De Hart 2013, p. 142.
De Hart 2013, p. 217, 229, 237.
Personen die in ‘iets’ als een hogere macht of kracht geloven.
De Hart 2013, met als hoofdtitel ‘Zwevende gelovigen’. Volgens de Hart ‘bekijken deze zwevende gelovigen net als zwevende kiezers per situatie waar ze geloof in hebben of vertrouwen aan hechten’. Zie daarover Trouw 16 januari 2015.
Krouwel & Snoek 2015, p. 4; zie ook hierover Trouw 16 januari 2015.
CBS-onderzoek van 18 december 2020, figuur 5.1.
De Hart & Dekker 2013, p. 232.
De Hart 2014, p. 75, 76.
De Hart 2014, p. 75.
De Hart 2014, p. 75, 76, figuur 3.1. Te downloaden van https://scp.archiefweb.eu/#archive.
Bernts 2016, p. 22-24, 30.
Bernts 2016, p. 15, 83, 181.
Van Bijsterveld wijst erop dat er zowel verschillen als overeenkomsten zijn tussen religies of religieuze stromingen in hun overtuigingen, in de mate van worteling in de Nederlandse samenleving en in de omvang en vorm van maatschappelijke activiteit.1 De toename bij de groeikerken2 is bescheiden vergeleken bij de leegstroom van de gevestigde kerken in Nederland en vormt daar geen compensatie voor. Bovendien is de groei volgens De Hart niet toe te schrijven aan toeloop van buitenkerkelijken, maar vrijwel geheel aan circulation of the saints, het ‘rondpompen van gelovigen’.3
De twee grootste christelijke kerkgenootschappen in Nederland tellen in totaal volgens de kerkelijke administratie 5,4 miljoen leden: Rooms Katholieke Kerk in Nederland (RKK) 3,8 miljoen (eind 2019)4 en de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) bijna 1,6 miljoen (begin 2021).5 Qua beleving of zelftoeschrijving liggen de cijfers beduidend lager. Dit is vooral het geval bij de RKK waar het aantal mensen dat zich als RKK-lid beschouwt, ongeveer de helft van het officiële aantal bedraagt. Procentueel komt dat volgens God in Nederland 1966-2015 bij de RKK neer op 11,7 procent van de Nederlanders en bij PKN is dat 8,6 procent (cijfers 2015).6 Naar schatting zijn er 1,3 miljoen migrantenchristenen met 1100 migrantenkerken, die meestal niet over een eigen kerkgebouw beschikken.7 Aanhangers van niet-christelijke religies vormen 7 procent van de Nederlandse bevolking, waarvan zo’n 5 procent moslim en 1,5 procent hindoe of boeddhist.8
Tabel 3.1. Kerkleden, aanhangers van niet-christelijke religies en buitenkerkelijken in 2015, ontleend aan God in Nederland 1966-2015.9
RKK
11,7%
PKN
8,6%
Kleine protestantse kerken10
4,2%
Overige christelijke kerken11
0,8%
Islam
4,9%
Overige niet-christelijke religies12
2,0%
Buitenkerkelijk
67,8%
Opvallend in tabel 3.1. is het grote percentage buitenkerkelijken in Nederland, ruim tweederde. Het aantal van deze categorie is in vijftig jaar tijd verdubbeld, van 33 procent in 1966 naar ongeveer 68 procent in 2015.13 Deze categorie bestaat uit drie groepen: ongebonden gelovigen, ongebonden spirituelen en seculiere personen.14 Tabel 3.2. geeft de omvang van deze drie groepen in 2015 weer, alsook het percentage kerkleden en aanhangers van niet-christelijke religies.
Tabel 3.2. Kerkleden, drie groepen buitenkerkelijken en aanhangers niet-christelijke religies in 2015, ontleend aan God in Nederland 1966-2015 van Bernts en Berghuijs15
Kerkleden
25%
Ongebonden gelovigen16
17%
Ongebonden spirituelen17
10%
Seculieren18
41%
Niet-christelijke religies
7%
Uit tabel 3.2. blijkt dat het percentage buitenkerkelijke gelovigen en spirituelen (samen 27 procent) minstens even groot is als de groep kerkleden (25 procent). Samen met het percentage aanhangers van niet-christelijke religies (7 procent) is dat in totaal 59 procent en dus nog steeds groter dan de seculieren (41 procent). Dat betekent dat een meerderheid van de Nederlandse bevolking zich in 2015 als spiritueel en/of gelovig beschouwt.19
Doordat nieuwe spiritualiteit informeel en nauwelijks georganiseerd is, geen jaarboeken of lidmaatschapsstatistieken en scherp omlijnde collectieve identiteit kent, is het moeilijk een inschatting te maken van het aantal aanhangers ervan.20 Het gaat veelal om spirituele doe-het-zelvers en zoekers, voormalige kerkleden en mensen die in ‘iets’ als een hogere macht of kracht geloven. De nieuwe spiritualiteit vormt volgens De Hart geen alternatief voor religie omdat haar – met een vertraging van ongeveer tien jaar – dezelfde toekomst wacht: terugloop van het aantal belangstellenden. Bovendien zijn ook veel kerkgangers actief binnen het spirituele circuit. Verder is de omvang van nieuwe spiritualiteit te klein om de leegloop bij de traditioneel christelijke kerken te compenseren.21
Uit een onderzoek van Ipsos en VU in opdracht van Trouw blijkt in 2015 in Nederland het aantal ongelovigen voor het eerst dat van gelovigen te overtreffen: ruim 25 procent atheïsten (mensen die het bestaan van een god of hogere macht ronduit afwijzen) tegenover 17 procent theïsten (aanhangers van het geloof in een persoonlijke god). De meerderheid, ongeveer 60 procent, zit daartussen in en is ietsist22 (27 procent) of agnost (31 procent).23 De Hart spreekt van ‘zwevende gelovigen’.24 Zie hierna figuur 3.1. Geloof in God (IPSOS-onderzoek 2015) met inbegrip van een weergave van het verschil in geloof van mannen en vrouwen, alsook figuur 3.2. Geloof in God (CBS-onderzoek 2020) met recentere cijfers.
Figuur 3.1. Geloof in God (IPSOS-onderzoek 2015)25
Figuur 3.2. Geloof in God (CBS-onderzoek 2020)26
Dat het aantal kerkleden toch nog aanzienlijk is, illustreren De Hart en Dekker aan de hand van een vergelijking met het aantal leden van bekende verenigingen. Zo stonden in 2013 nog drie op de tien Nederlanders geregistreerd bij de RKK en PKN. Dit is bijna vijf keer het aantal clubleden dat bij de KNVB is aangesloten of ruim vier keer het ledental van de FNV.27 De vraag is echter of dit een goede vergelijking is omdat niet alle kerkleden – in tegenstelling tot leden van verenigingen – zich ervan bewust zijn dat ze als kerklid zijn geregistreerd. Bijvoorbeeld omdat ouders hun kind bij de geboorte onder een bepaald geloof hadden ingeschreven bij de burgerlijke stand.
De Hart heeft aan de hand van de primaire bronnen God in Nederland (GIN) 1966-2006 en Culturele veranderingen(CV) 1991-2012 de ontwikkeling van religiositeit, kerklidmaatschap en kerkgang in de periode 1966-2012 inzichtelijk gemaakt (zie hierna figuur 3.3. in percentages).28 Volgens hem blijkt hieruit dat er steeds meer sprake is van ‘believing’ dan van ‘belonging’: het aantal gelovigen is nu aanzienlijker groter dan dat van kerkleden, dat weer het aantal kerkgangers overtreft.29 In de loop der tijd is het numerieke verschil tussen geloof en kerkbinding alleen maar toegenomen.
Figuur 3.3. Kerklidmaatschap, kerkgang, het geloof in God of een hogere macht en het zich beschouwen als een (enigszins) gelovig of religieus mens, 1966-2012 (in procenten)30
Volgens de laatste editie van God in Nederland 1966-2015 van Bernts & Berghuijs blijkt de sterke ontkerkelijking vooral uit de daling van het totaal ledental van de twee grootste kerken, RKK en PKN, van 60 procent (1966) naar ruim 20 procent (2015). In totaal beschouwde 25 procent van de Nederlanders zich in 2015 lid van een christelijke kerk. De verwachting is dat dit percentage in de komende decennia zal dalen naar onder de 20 procent.31 Bernts spreekt dan ook van ‘wijkend christendom’.32