Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/3.3
3.3 De disclosure of discovery
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS457593:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
1-1R 20 september 1991, NJ 1992, 552, m.nt. J.B.M.V.
De HR verwijst hierbij naar art. 475g Rv en de MvA bij de Invoeringswet boeken 3-6 Nieuw BW, eerste gedeelte bevattende wijziging van Rv, RO en Fw p. 11-12. Aldaar is vermeld dat een geëxecuteerde verplicht is tot medewerking aan de tenuitvoerlegging en dat deze plicht voortvloeit uit zijn verplichting om aan de executoriale titel te voldoen. Deze verplichting brengt in het licht van art. 6:2, lid 1 en art. 3:45 BW en art. 444 Rv bijkomende verplichtingen mee, waaronder die om geen goederen aan een rechtmatig verhaal te onttrekken. De minister acht het echter niet wenselijk om hieromtrent een uitdrukkelijke regel op te nemen omdat het volgens hem niet goed mogelijk is om aan zo'n regel een redelijke praktische uitwerking te geven. Gelet op deze door de Hoge Raad geformuleerde verplichting is de afwijzing van Rb Amsterdam 7 september 2006 AY7784 van een vordering tot inzage van bepaalde financiële stukken omdat eiser inzicht in de verhaalsmogelijkheden van gedaagde wenste, onjuist. Beter is Rb Dordrecht 5 januari 2006, SES 2006, 104 overwegende dat `... niet op voorhand wordt uitgesloten dat art. 843a Rv mede strekt tot verkrijging van informatie om verhaalsmogelijkheden zeker te stellen ...'.
HR 24 december 2004, AR4980.
Zie ook J. Ekelmans, U.S. disclosure and discovery of documents, TvPP 2009, p. 179-187. Zie over de mogelijkheid om via de Amerikaanse rechter bewijsmateriaal te vergaren voor een in Nederland op te starten geding Tom Claassens, Discovery in de VS voor procedures in Nederland, Adv. Blad 2004, p. 754-760 en Simone Hoogeveen, Fishing expeditions versus exhibitieplicht in Adv. Blad 2005, p. 678-681.
Zo staat in 'Een nieuwe balans' op p. 100-101, waar het Engelse rechte wordt weergegeven, 'Ook bij de `disclosure of documents' (discovery) is nu steeds rechterlijke tussenkomst vereist, ...'.
Van der Korst, p. 109 schrijft dat disclosure wil zeggen de verklaring door een procespartij dat een document bestaat of heeft bestaan. Op p. 121 lijkt hij te vinden dat discovery een middel is om bewijs te verzamelen. K.J. Krzeminski, U S discovery for use in Dutch civil proceedings, TCR 2008, p. 47-55, schrijft op p. 47 'Discovery can be defined as the pre-trial phase in a lawsuit in which litigant parties can obtain information from the opposing party'.
Zie ook p. 26 e.v. van Haak en VerLoren van Themaat (redactie).
Zie ook Asser-Vranken Algemeen Deel 1995, nr. 19 e.v.
Parl. Gesch. burgerlijk procesrecht p. 152-153.
M. Kremer en E. Rehbock, Discovery en andere wegen der (ge)lijdelijkheid, Ars Aequi 1998, p. 448-457.
AG Spier in zijn conclusie bij BR 22 februari 2008, BB5626.
H.B. Krans, De Principles of Transnational Civil procedure en het Nederlandse bewijsrecht, TCR 2009, p. 58-66. Het hier opgemerkte is vermeld op p. 61-62.
Verdrag van 18 maart 1970, Trb. 1979, 38. Zie hierover ook J.M. Hebly, Exhibitieplicht bij rogatoire commissie, TCR 2001, p. 1-3.
Les Pays-Bas n'exécutent pas les commissions rogatoires qui ont pour objet une procédure connue dans les Etats du Common law sous le nom de «pre-trial discovery of documents ». Par commissions rogatoires qui ont pour objet une procédure, connue dans les Etats du Common law sous le nom de «pre-trial discovery of documents » lesquelles les Pays-Bas n'exécutent pas, le Gouvernement ... entend toute commission rogatoire exigeant d'une personne :d'indiquer quels documents pertinents pour la procédure á laquelle se rapporte la commission rogatoire sont ou ont été en sa possession, garde ou pouvoir ; oude produire tous les documents autres que les documents particuliers specifiés dans la commission rogatoire comme étant des documents qui, pour le tribunal saisi, sont ou vraisemblablement sont en sa possession, garde ou pouvoir.
Zie verder Van der Korst, hoofdstuk 8, Grensoverschrijdende bewijsverkrijging. Zie in dit verband ook hof Amsterdam 25 november 2008, NIP 2009, 31 waar deze overweegt dat het van de USA afkomstige rechtshulpverzoek is gedaan in het kader van de `discovery' fase in de procedure in de USA tussen Net2Phone en Ebay terwijl Nederland betreffende de toepasselijkheid van het Bewijsverdrag in art. 23 een voorbehoud heeft gemaakt inhoudende dat geen uitvoering zal worden gegeven aan rogatoire commissies tot het houden van een procedure welke in de staat waarin de Common Law geldt, bekend is als de Pre-Trial Discovery of Documents. Het rechtshulpverzoek wordt vervolgens afgewezen. In mijn AA-cahier nam ik aanmerkelijk minder afstand van het voorbehoud in het Trb. 1981, nr. 70. Er is wat dat betreft sprake van voortschrijdend inzicht.
Zie ook D.M. Buné, De naleving van Europese privacy regels bij grensoverschrijdende civiele procedures, Bb 2009, afl. 11, 25. In het artikel is geen verwijzing te vinden naar het in par. 3.3 besproken voorbehoud dat Nederland heeft gemaakt terzake pre-trial discovery.
In hoofdstuk 1 is het arrest Tripels-Masson genoemd.1 In die zaak wees de president van de rechtbank Den Haag toe de vordering tot afgifte van afschriften van bank- en girorekeningen en effectenportefeuille en overzichten van deelnames van Masson in verschillende vennootschappen en afgifte van de boekhoudkundige administratie van te Jersey en Liechtenstein gevestigde vennootschappen vanaf 1976 tot de dag van het uitbrengen van de dagvaarding. Het hof dacht hier anders over. Het overwoog dat met dit onderdeel van de vordering het afleggen van rekening en verantwoording van Masson tegenover Tripels wordt verlangd met betrekking tot de financiële handel en wandel van Masson in het verleden en heden. Dit kan Tripels echter niet verlangen omdat hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat. De wet verplicht een debiteur als Masson immers niet tot een dergelijke openbaarmaking, terwijl partijen evenmin een overeenkomst van dien aard hebben gesloten en ten slotte heeft Masson geen beheer gevoerd. Ter zake de gevorderde overlegging van de boekhoudingen is het hof van oordeel dat zich de gevallen van art. 8 en art. 11 WvK niet voordoen. De vordering wordt dus afgewezen. Volgens de Hoge Raad is een schuldenaar verplicht om een schuldeiser met een opeisbare vordering inlichtingen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen te verschaffen.2 Het strookt echter, aldus de Hoge Raad, niet met het wettelijk stelsel om aan deze verplichting een zodanig praktische uitwerking te geven dat een vordering als de onderhavige zou kunnen worden toegewezen. Er is immers slechts een beperkte kring van personen die van de schuldenaar rekening en verantwoording of overlegging van de boekhouding kan vergen. Een vordering tot afgifte van een zo groot aantal bescheiden is voorbehouden aan de curator in een faillissement.
De vordering van Tripels was te ruim en overschreed daarmee de grenzen van art. 843a Rv of, zoals AG Huydecoper bij een ander arrest concludeerde, dat het
...wel als bezwaarlijk wordt aangemerkt (iets wat ik van harte onderschrijf), dat voorlopige instructiemaatregelen zo zouden worden toegepast, dat de verzoeker de ruimte krijgt om naar eigen goeddunken (allerlei hem welgevallige) informatie ten laste van zijn wederpartij te gaan verzamelen (uit de angelsaksische rechtspraktijk kennen wij hiervoor de beeldende uitdrukking "fishing expedition"). Waarom dat laatste niet behoort te worden toegestaan, kan als volgt worden toegelicht: zoiets zou zich niet verdragen met het naar Nederlands recht aanvaarde uitgangspunt, dat men niet "zomaar" toegang kan verlangen tot alle informatie waarover een ander beschikt ...' .3
De vordering van Tripels past wel in het stelsel van Engelse en Amerikaanse `discovery-mogelijkheden' 4
De woorden discovery en disclosure worden veel door elkaar gebruikt en dat niet alleen in Nederland.5 Mede gelet op het woordgebruik van de commissie Storme (zie Hoofdstuk 4), zal ik in het hierna volgende onder discovery verstaan `het ontdekken van het bestaan van een document' of 'de zoektocht naar het al dan niet bestaan van een document, disclosure is vervolgens het openbaren van de inhoud van het ontdekte document.6 In Engeland wordt overwegend het woord `disclosure' gebruikt. Zie onder meer de tekst van de `Civil Procedure Rules' die in Part 31, de `disclosure and inspection of documents' een heel hoofdstuk met 23 artikelen besteedt aan de disclosure. In par. 31.2 wordt onder het hoofd `Meaning of disclosure' vermeld 'A party discloses a document by stating that the document exists or has existed'.
Een zoektocht in de United States Code op de woorden `discovery' en 'disclos-ure' geeft op beide woorden veel treffers. Uit die treffers kan voorzichtig de conclusie worden getrokken dat in de discoveryfase nog geen duidelijkheid bestaat over het bestaan van het document, terwijl de disclosurefase betrekking heeft op de vraag of de inhoud van een document, waarvan het bestaan zeker is, moet worden meegedeeld.
In Engeland en in de Verenigde Staten bestaat de zogenaamde 'pre-trial-discovery-fase'. Een partij kan in deze fase verlangen dat de andere partij hem kennis laat nemen van de inhoud van die stukken die van belang zijn voor de procedure.7 Een beperking zoals in art. 843a Rv wordt gegeven met de woorden 'rechtmatig belang' en 'bepaalde bescheiden' bestaat niet of nauwelijks.8 Het ontbreken van dergelijke beperkingen kan tot gevolg hebben dat de omvang van de procedure schrikbarend toeneemt, terwijl verder de gelegenheid tot het vissen naar stukken wordt geboden. Naar ons recht zou een en ander niet mogelijk zijn omdat de combinatie van de woorden 'rechtmatig belang' en 'bepaalde bescheiden' in de weg staat aan dergelijk vissen naar stukken. In de parlementaire geschiedenis bij art. 21 Rv vroegen de leden van de VVD in de Eerste Kamer of dit artikel niet een uitvloeisel is van het Anglo-Amerikaanse systeem van disclosure waarbij eindeloos wordt geprocedeerd over de vraag welke stukken wel of niet overgelegd moeten worden. De minister is van mening dat art. 21 Rv past binnen een op het continent reeds langer bestaande ontwikkeling die geen uitvloeisel is van het Anglo-Amerikaanse systeem.9 Ook Kremer en Rehbock zijn van mening dat de discovery, ook het 'pre-trial-deel' niet past in het Nederlandse systeem.10 Kort gezegd zijn zij van mening, mede aan de hand van het proefschrift van Van den Reek, dat discovery niet een op zichzelf staand figuur is maar een specifieke functie vervult binnen een groter geheel. Ten tweede lijkt het volgens hen in de praktijk tot weinig verschil te leiden omdat ook in Nederland een partij die voldoende zeker weet dat de andere partij informatie achterhoudt, de betreffende informatie weet te vergaren. Ten derde staan in beide systemen de partijen die onvoldoende zeker weten welke informatie de andere partij bezit, met lege handen. AG Spier lijkt evenmin een voorstander van `full disclosure' te zijn. In een zeer uitvoerige conclusie wijst hij uitgebreid op de nadelen, vooral op de vismogelijkheden die volgens hem voorkomen moeten worden, en vindt hij een dergelijke ontwikkeling weinig aantrekkelijk.11 Krans, ten slotte, schrijft in het kader van The Principles of Transnational Civil Procedure (hierna PTCP) dat het Engelse en Amerikaanse recht met hun disclosure (waar in deze Principles aansluiting bij is gezocht) ruimere mogelijkheden geven tot toegang tot informatie dan het Nederlandse recht. Dat gat is echter minder gapend omdat ook in de PTCP geen onvoorwaardelijke toegang wordt erkend, waar de discovery als limited wordt aangemerkt. De uitgangspunten van de PTCP (en, zo begrijp ik, de disclosure in Engeland en Amerika omdat de PTCP bij het recht in die landen kennelijk aansluiting heeft gezocht) en het Nederlandse recht verschillen, maar de uitkomsten hoeven minder ver uit elkaar te liggen.12
De jurisprudentie is niet altijd even terughoudend. Zo beslist de Rb Rotterdam op 3 oktober 1996 dat Center Parcs en S&N aan ex-aandeelhouders van Center Parcs inzage moeten geven in de notulen van bepaalde vergaderingen van de raden van bestuur, zonder dat een beperking naar bijvoorbeeld onderwerp wordt gegeven.13
Waar de wereld steeds kleiner wordt, is het mogelijk dat een Nederlandse gedaagde onder de jurisdictie van de Amerikaanse of Engelse rechter valt. Deze gedaagde kan verplicht worden om op grond van Amerikaanse of Engelse regels documenten over te leggen. Indien een dergelijk verzoek bij wijze van rogatoire commissie vanuit bijvoorbeeld Engeland aan de Nederlandse rechter wordt gedaan, zal dit verzoek gegrond zijn op het Haags Bewijsverdrag.14 Aan een dergelijk verzoek aan een Nederlandse rechter kan slechts gehoor worden gegeven met inachtneming van de verklaring die Nederland op grond van art. 23 van dit bewijsverdrag heeft afgelegd. Art. 23 van het Haags bewijsverdrag bepaalt dat een verdragsluitende staat kan verklaren dat hij geen uitvoering geeft aan een rogatoire commissie tot het houden van een procedure die in de staten waar de Common Law geldt bekend is als 'pre-trial discovery of documents'. Nederland heeft een dergelijke verklaring afgelegd. Die verklaring is te vinden in het Tractatenblad 1981, nr. 70.15 Uit de tekst van de verklaring in Trb. 1981, nr. 70 die Nederland heeft afgelegd, blijkt dat de wetgever in elk geval de hand wil houden aan het beginsel dat vissen naar stukken in Nederland niet geoorloofd is, waarbij het mij overigens niet duidelijk is geworden of de toenmalige Nederlandse wetgever voldoende inzicht had in de grenzen van de 'pre-trial discovery of documents' in de Common Law landen of dat er sprake was van koud water vrees. De bewoordingen van de tekst van deze verklaring zijn duidelijk en dus de wens van de wetgever ook. In elk geval in 1981 gaf de wetgever in dit kader dus een visverbod. De vraag rijst natuurlijk of bij de uitleg van art. 843a Rv in 2010 nog met deze wens rekening moet worden gehouden. Indien met die wens of dat inzicht uit 1981 rekening gehouden moet worden, betekent dit dat de grenzen van de uitleg van woorden als 'rechtmatig belang' en 'bepaalde bescheiden' getrokken moeten worden langs hetgeen is vermeld als verklaring van de regering in het Tractatenblad. Ik ben van mening dat dat standpunt niet houdbaar is. De rechtsontwikkeling op dit terrein is de afgelopen jaren zo snel gegaan, dat hetgeen een wetgever bijna 30 jaar geleden heeft opgemerkt, waarbij het opgemerkte (nog) niet in de sleutel van de waarheidsvinding werd gezet, niet meer een al te belangrijke rol mag spelen. Het is hierbij tevens van belang dat de wetgever van de versies van art. 843a Rv noch in 19871988 noch in 2001 heeft verwezen naar het in het Tractatenblad 1981, nr. 70 gemaakte voorbehoud. Ik denk dus dat bij de uitleg van art. 843a Rv in 2010 niet al te zeer meer naar dit op het Haags Bewijsverdrag gegronde voorbehoud moet worden gekeken.16 Het wordt misschien zelfs wel tijd om dit voorbehoud te schrappen.
Voor de volledigheid wijs ik nog op HR 11 maart 1994, NJ 1995, 3. De Hoge Raad parafraseerde hier het door Nederland gemaakte voorbehoud als volgt:
`Voor wat betreft het opgeven en overleggen van documenten die iemand onder zich heeft, is daarbij mede van belang het voorbehoud dat Nederland op de voet van art. 23 van het Verdrag heeft gemaakt en dat er -kort gezegd- op neerkomt dat niet gevraagd kan worden om een opgave of overlegging van documenten ten einde op grondslag daarvan een procedure te beginnen.'17