Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.5.4.3:I.3.5.4.3 Bepaaldheidsvereiste ≠ delegatieverbod
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.5.4.3
I.3.5.4.3 Bepaaldheidsvereiste ≠ delegatieverbod
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622295:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Breemhaar 1991, nr. 72, met verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 6, p. 895 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het bepaaldheidsvereiste (zie hierover ook paragraaf 2.2.2.4) impliceert niet per definitie een delegatieverbod. Dit werd reeds duidelijk bij de bestudering van de historische ontwikkeling van het Duitse § 2065 BGB, waar het bepaaldheidsvereiste een cruciale rol speelde bij de mogelijkheden van Drittbestimmung. De Duitse onderzoeken naar de rechtvaardiging van het Drittbestimmungsverbot toonden dat de toelaatbaarheid van Drittbestimmung in het verleden niet werd beoordeeld aan de hand van de materiële hoogstpersoonlijkheid zoals zij vandaag de dag in § 2065 BGB is terug te vinden, maar aan de hand van het bepaaldheidsvereiste. Dit vereiste werd vanaf de 13e eeuw tot aan de 19e eeuw soepel opgevat. Het was mogelijk dat een derde uit een door de erflater afgebakende groep van personen de legatarissen respectievelijk de erfgenamen aanwees. Erflater kon dus tot op zekere hoogte aan een derde de concrete invulling van zijn uiterste wilsbeschikking overlaten.
In Boek 4 BW speelt het bepaaldheidsvereiste eveneens een rol. Een uiterste wilsbeschikking is immers een eenzijdige rechtshandeling met werking na overlijden die in Boek 4 BW is geregeld of elders in de wet als zodanig wordt aangemerkt (art. 4:42 lid 1 BW). Iedere rechtshandeling (dus ook de uiterste wilsbeschikking) dient, om rechtshandeling te zijn, een bepaald onderwerp te hebben. Dit vereiste van een bepaald onderwerp – ofwel het bepaaldheidsvereiste – kent meerdere dimensies, zoals volledig bepaald en bepaalbaar. Want, zoals ook Breemhaar schrijft:
‘Al naar gelang de aard van de rechtshandeling wordt het vereiste, dat men als het bepaaldheidsvereiste kan aanduiden, meer of minder strikt opgevat.’1
Anders dan Breemhaar betoogt, ben ik van mening dat de hoogstpersoonlijke aard van de uiterste wilsbeschikking niet leidt tot een strikte opvatting van het bepaaldheidsvereiste. De hoogstpersoonlijke aard betreft immers slechts een formeel geldigheidsvereiste en heeft geen betrekking op de inhoud van de uiterste wilsbeschikking. Mijns inziens dient voor de uitleg van het bepaaldheidsvereiste gekeken te worden naar de aard van de uiterste wilsbeschikking, zoals deze omschreven is in art. 4:42 lid 1 BW, in het bijzonder naar de aard van de te onderscheiden soorten uiterste wilsbeschikkingen.
Daarenboven kan voor de uitleg van het bepaaldheidsvereiste inspiratie worden opgedaan bij het algemeen vermogensrecht. Het bepaaldheidsvereiste geldt immers voor alle rechtshandelingen. Hoe is het vereiste bijvoorbeeld uitgelegd bij verbintenisscheppende overeenkomsten, zoals de koopovereenkomst of de schenking? Wat is hierover door de wetgever en in de literatuur en jurisprudentie opgemerkt? Op het bepaaldheidsvereiste ga ik in het volgende hoofdstuk nader in.