Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer
Einde inhoudsopgave
Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer (FM nr. 174) 2022/A.2.1:A.2.1 College Pension Plan of British Columbia (CPP)
Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer (FM nr. 174) 2022/A.2.1
A.2.1 College Pension Plan of British Columbia (CPP)
Documentgegevens:
Dr. E.A.P. Schouten, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
Dr. E.A.P. Schouten
- JCDI
JCDI:ADS634556:1
- Vakgebied(en)
Pensioenen (V)
Belastingrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 13 november 2019, ECLI:EU:C:2019:960, C-641/17, r.o. 30 (CPP).
HvJ EU 13 november 2019, ECLI:EU:C:2019:960, C-641/17 (CPP), PensioenJurisprudentie 2020/17, met noot B. Dieleman.
HvJ EU 8 november 2012, C-342/10, ECLI:EU:C:2012:688(Commissie/Finland), zie paragraaf A.2.3.
HvJ EU 2 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:402, C-252/14 (Pensioenfonds Metaal en Techniek), zie de volgende paragraaf.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het College Pension Plan of British Columbia (CPP) is een beleggingsfonds naar Canadees recht. CPP kan naar Duits recht gelijk worden gesteld met een pensioenfonds.1 Doel van CPP is het verstrekken van pensioenuitkeringen aan voormalige ambtenaren van de Canadese provincie Brits-Columbia. Daartoe neemt CPP in zijn balansen technische voorzieningen op die overeenkomen met de pensioengarantieverplichtingen. CPP is in Canada vrijgesteld van elke belastingheffing op winsten. In de periode 2007-2010 hield CPP indirect, via deelneming in beleggingsportefeuilles, aandelen in het kapitaal van Duitse naamloze vennootschappen. De op deze deelnemingen ontvangen dividenden waren volgens het belastingverdrag tussen Duitsland en Canada onderworpen aan de Duitse dividendbelasting van 15%. In 2011 verzocht CPP de Duitse belastingdienst om vrijstelling van dividendbelasting en om terugbetaling van de betaalde dividendbelasting. Dat verzoek werd afgewezen, evenals het latere bezwaar. Vervolgens heeft CPP beroep ingesteld bij de verwijzende Duitse rechter. CPP stelt dat het als niet-ingezeten pensioenfonds minder gunstig is behandeld dan ingezeten pensioenfondsen. Laatstgenoemde fondsen kunnen dividenden ontvangen zonder er belasting over te betalen, aangezien zij de mogelijkheid hebben om de ingehouden dividendbelasting te verrekenen met de vennootschapsbelasting. Bovendien leiden die dividenden niet of nauwelijks tot een verhoging van het aan vennootschapsbelasting onderworpen resultaat, als gevolg van de mogelijkheid om voorzieningen voor pensioenverplichtingen van dat resultaat af te trekken.
Het HvJ concludeert dat dividenden die worden uitgekeerd aan niet-ingezeten pensioenfondsen minder gunstig worden behandeld dan dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten pensioenfondsen. Een dergelijk verschil in behandeling kan pensioenfondsen die in een andere staat dan Duitsland zijn gevestigd, ervan weerhouden om in die staat te beleggen en dat vormt een door artikel 63 VWEU in beginsel verboden beperking van het vrij verkeer van kapitaal. Volgens het HvJ is het aan de verwijzende rechter om te bepalen of CPP zich, wat de aanwending van dividenden voor toevoeging aan de voorzieningen voor pensioenen betreft, in een situatie bevindt die vergelijkbaar is met die van een ingezeten pensioenfonds. Als dat het geval is dan wijst het HvJ de aangevoerde rechtvaardigingsgronden af (evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheden tussen lidstaten, noodzaak om de samenhang van een belastingstelsel te handhaven, noodzaak om de doeltreffendheid van belastingcontrole te handhaven). Het Canadese fonds moet de ingehouden dividendbelasting dus terugkrijgen, mits dit fonds alle dividenden toevoegt aan de pensioenvoorzieningen. Of dit zo is, is ter beoordeling aan de Duitse belastingrechter.
Volgens Dieleman2 volgt het HvJ in onderhavige zaak haar beslissing zaak Commissie/Finland3, waar zij oordeelde dat de Finse bronbelasting, waarbij voor in Finland gevestigde pensioenfondsen de stijging van de pensioenverplichting in mindering kwam op de heffingsgrondslag en voor niet ingezeten pensioenfondsen niet, strijdig was met artikel 63 VWEU. Tevens is de beslissing van het HvJ in onderhavige zaak in lijn met haar beslissing in zaak Pensioenfonds Metaal en Techniek4 over Zweedse bronbelasting op dividenden uitbetaald aan buiten Zweden gevestigde pensioenfondsen, welke zaak was aangespannen door het Nederlandse pensioenfonds PMT.