Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.4.1.3
5.4.1.3 Wijzen van verduidelijking
mr. mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715522:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Schaffmeister & Heijder 1983, p. 444.
In vergelijkbare zin constateert Scheltema dat delegatie van wetgevende bevoegdheden verstandig kan zijn met het oog op doelmatigheid (Scheltema 1989, p. 20).
Schaffmeister & Heijder 1983, p. 467-468.
De Jong & Knigge 2003, p. 38; Roxin 1997, p. 126. Het EHRM merkt zelfs op dat de ontwikkeling van het strafrecht via jurisprudentie een noodzakelijk onderdeel van de juridische traditie is (EHRM 22 november 1995, ECLI:CE:ECHR:1995:1122JUD002019092 (C.R. v. Verenigd Koninkrijk), par. 34).
Borgers 2008, p. 194.
Enschedé/Blom 2013, p. 11.
Zie §5.3.1.2.
Scheltema 1989, p. 18. Scheltema gaat zelfs zover dat hij stelt dat de overheid vervolgens, desnoods contra legem, aan haar uitspraak zou moeten worden gehouden.
Vgl. Keijzer 2009, par. 5. Dergelijke voorlichting bindt in zekere zin de overheid ook, in die zin dat een burger die te goeder trouw op mondelinge of schriftelijke informatie van de overheid vertrouwt, een beroep op rechtsdwaling toekomt. Zie bijvoorbeeld: HR 23 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0052, NJ 1995/631 (Justitiefolder); HR 22 november 1949, ECLI:NL:HR:1949:1, NJ 1950/180 (Motorpapieren).
Vanuit functionalistisch oogpunt is een cruciale vraag hoe duidelijkheid het meest effectief en efficiënt kan worden bereikt. Aan verduidelijking van wetgeving door de wetgever kleven een aantal praktische nadelen. Zo is een wetgevingsproces betrekkelijk traag en duur. De wetgever slaagt er in de praktijk dan ook vaak niet in om wetgeving tijdig bij te werken.1 Verduidelijking door de rechter heeft daarentegen een aantal praktische voordelen.2 Zo hoeft de rechter in principe alleen onduidelijkheden te verhelpen die in de praktijk daadwerkelijk tot moeilijkheden leiden, zodat geen tijd en geld wordt verspild aan puur theoretische problemen. Door bij het interpreteren van een regel bovendien rekening te houden met veranderde maatschappelijke opvattingen, kan de rechter oude strafbepalingen bij de tijd houden, zonder dat daar een volledig wetgevingstraject aan te pas hoeft te komen.3 Vanuit dit perspectief is het niet zo vreemd dat het EHRM en het Duitse Bundesverfassungsgericht verduidelijking van wetgeving door de rechter nadrukkelijk toelaten.4 Het is in beginsel zelfs de taak van de rechter om eventuele onduidelijkheden door middel van interpretatie op te lossen.5 Voor een afschrikkend effect is het bovendien belangrijk dat burgers zien dat overtredingen daadwerkelijk worden opgespoord en bestraft en dat de norm daarmee in het bewustzijn van de samenleving wordt verankerd.6
Verduidelijking van de wettekst is dus niet altijd nodig. Onduidelijkheden kunnen door de rechter worden verholpen en voor de afschrikkende werking lijkt vooral de handhaving van de regels van belang. Voor zover verduidelijking nodig is, blijft het binnen de functionalistische benadering van het lex certa-beginsel, net als binnen de communitaristische benadering, wel zinvol om onderscheid te maken tussen normadressaten.7 Niet omdat van bepaalde normadressaten normatief meer mag worden verwacht dan van andere, maar omdat het praktisch onnodig en inefficiënt is om specialistische wetgeving, die is gericht aan professionals, aan dezelfde duidelijkheidsstandaard te houden als wetgeving die voor de gemiddelde burgers relevant is. Nu de gemiddelde burger zelden wetteksten of jurisprudentie zal lezen en de informatie daaruit hem veelal hooguit via derden zal bereiken, is de criteriumfiguur voor de vereiste mate van duidelijkheid van wetgeving en jurisprudentie vanuit functionalistisch perspectief ook anders. Het is vanuit praktisch oogpunt vooral van belang dat de juridische specialisten die jurisprudentie analyseren en de informatie daaruit overbrengen aan derden in staat zijn de uitspraak te begrijpen en uit te leggen. Dat is van groot belang voor de vraag of bijvoorbeeld juridisch jargon problematisch is in het licht van het lex certa-beginsel en of aansluiting moet worden gezocht bij het normaal taalgebruik. Wat voor een gemiddelde burger onleesbare juridisch proza is, kan voor de jurist juist een veel duidelijkere en preciezere afbakening zijn dan in Jip-en-Janneketaal mogelijk was geweest.
Tot slot moet vanuit functionalistisch oogpunt nog nadrukkelijk worden gewezen op allerlei niet-juridische mogelijkheden om wetgeving te verduidelijken. Deze komen in het debat over het lex certa-beginsel maar zelden aan bod, maar als burgers in de praktijk de wet toch niet lezen, zijn dergelijke mogelijkheden met het oog op een effectieve handhaving wellicht veel belangrijker dan het verduidelijken van wetgeving. Burgers zouden volgens Scheltema bijvoorbeeld niet veel aan toegang tot gedetailleerde, abstracte wetten hebben, maar zouden vooral tijdig moeten kunnen weten welke beslissing de overheid in hun concrete geval zal maken.8 Het aanbieden van juridisch advies op maat kan verduidelijking van wetgeving dan onnodig maken, aangenomen dat de bestaande wetgeving voor juristen al voldoende duidelijk is om dat advies te kunnen geven. Op grotere schaal kunnen ook algemene voorlichtingscampagnes, (politie)onderwijs en andere vormen van informatieverstrekking helpen om bepaalde normen beter in het rechtsbewustzijn van de samenleving en wetshandhavers te vestigen.9 Deze alternatieve vormen van verduidelijking spelen in de juridische discussie over het lex certa-beginsel een onderbelichte rol.