Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.C.2
2. ‘Werken aan winst’ en verdere ontwikkelingen
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS477374:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 30 november 2006, Stb. 2006, 631, Notamail 2007/142.
Aldus A.J.F. Sinac, ‘De cultuurgrondvrijstelling: doel[en] bereikt?’, in: WFR 2009/325.
Aldus D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 25.
Zie H.J. van den Kerkhof, ‘De grenzen van het begrip “verbetering landbouwstructuur’”.
Zie tevens Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 2 (Lid 1 onderdeel q) Cultuurgrondvrijstelling bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15.
Aldus D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 40.
Wet van 6 december 2007, houdende wijziging van belastingwetten en enige andere wetten, Stb. 2007, 503. Hierna tevens: FOW. Zie tevens B.F. Preller, A. Verduijn, ‘De nieuwe cultuurgrondvrijstelling in de WBR’, in: FBN 2007/14.
Zie tevens B.F. Preller, A. Verduijn, “Vrijstellingen van overdrachtsbelasting voor cultuurgrond en natuurgrond’.
Zie D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 43.
Kamerstukken II 2008/2009, 31727, nr. 1, p. 2-4.
Vgl. B.F. Preller, A. Verduijn, ‘De nieuwe algemene cultuurgrondvrijstelling voor de landbouw’, in: FBN 2006/57. In dezelfde zin: A. Verduijn, “Bedrijfsmatige exploitatie’ van cultuurgrond’, in: Fiscaal Praktijkblad 2014/5, p. 13.
Aldus J.C. van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, onderdeel 7.20.1.
HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:AU9530, BNB 2007/271.
Kamerstukken II 2006/2007, 30572, nr. 9, p. 9. Zie tevens Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 4 (Lid 1 onderdeel q) Cultuurgrond bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15. Deze gelijkschakeling heeft plaatsgevonden om te voorkomen dat er opnieuw jurisprudentie ontstaat over dit begrip. Zie ten slotte B.F. Preller, A. Verduijn, ‘De nieuwe algemene cultuurgrondvrijstelling voorde landbouw’. A.J.F. Sinac, ‘De cultuurgrondvrijstelling: doel [en] bereikt?’ constateert dan ook dat § 37, lid 2 van de Toelichting WBR nog steeds geldt. Zie nader onderdeel C.l.b hiervoor.
Aldus B.F. Preller, A. Verduijn, ‘De nieuwe cultuurgrondvrijstelling in de WBR’.
Brief Belastingdienst Randmeren/kantoor Zwolle d.d. 14 maart 2007, Notamail 2007/76.
Zie Rb Den Haag 5 februari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3174, Notamail 2009/55, besproken door B.F. Preller, A. Verduijn, ‘De cultuurgrondvrijstelling en de bedrijfsmatige exploitatie van landbouwgrond’, in: FBN 2009/51.
Vgl. de onderdelen A.3, A.4, C.l.b en E.2 van dit hoofdstuk. Zie tevens B.F. Preller, A. Verduijn, ‘De nieuwe cultuurgrondvrijstelling in de WBR’.
Aldus J.C. van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, onderdeel 7.20.2. Zie tevens Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 7 (Lid 1 onderdeel q) Ondergrond van glasopstanden bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15. Zie ten slotte Rb Den Haag 22 augustus 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:11084, Notamail 2013/242.
Aldus Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 4.5 (Lid 1 onderdeel b) Dienstbaar aan de onderneming bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15.
Hof Den Haag 8 november 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4223, Notamail 2014/15. Zie over deze uitspraak tevens A. Visscher, A. Verduijn, ‘Fiscale kroniek 2013’, in: Agrarisch recht 2014/2, p. 54.
Hoge Raad 25 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2204, besproken in onderdeel C.l.b hiervoor.
Kamerstukken II 2006/2007, 30572, nr. 9, p. 17-18.
r.o. 6.3.
Zo blijkt uit de redactionele noot bij Notamail 2014/15. Overigens heeft Hof Den Haag op 4 april 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1328, Notamail 2014/102, met nagenoeg dezelfde overwegingen als in de uitspraak van 8 november 2013, (nogmaals) geoordeeld dat onder ‘cultuurgrond’ tevens de ondergrond van opstallen (niet zijnde glasopstanden) dienen te worden begrepen.
Ook de in onderdeel C.l.c van dit hoofdstuk en onderdeel C.3.c van het vorige hoofdstuk besproken Ruilverkavelingsresolutie is, door het vervallen van de oppervlakte- en bezitseis, niet langer van belang.
Vgl. grenspost 1, hfdst. II, onderdeel F.5.
In het kader van de wet ‘Werken aan winst’1 is met ingang van 1 januari 2007 in artikel 15, lid 1, onderdeel q, WBR, ter compensatie van de landbouwsector, 2 een nieuwe, algemene vrijstelling voor verkrijging van ten behoeve van de in de landbouwsector bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder begrepen de rechten van erfpacht of beklemming daarop, opgenomen. Deze vrijstelling dient ter vervanging van de bestaande vrijstellingen van artikel 15, lid 1, onderdelen q, s, v en w WBR.3
Met name de aanpassing van het oude onderdeel q verdient in dit kader de aandacht. Dit onderdeel, dat doorspekt was met allerhande (versnipperde) eisen en voorwaarden, zoals hiervoor besproken, was verantwoordelijk voor een niet-aflatende stroom aan literatuur en jurisprudentie. Daarnaast zorgden de continue aanpassingen, goedkeuringen en resoluties voor een onoverzichtelijk geheel.4 Vereenvoudiging van de vrijstelling was dus gewenst. Ter gelegenheid van de aanpassing van onderdeel q zijn tevens enkele andere vrijstellingen (onderdelen s, t, v en w) ‘in elkaar geschoven’ en, tezamen met het oude onderdeel q, verworden tot ‘het nieuwe q’.5
De tekst van de nieuwe, vereenvoudigde6 vrijstelling, veelal aangeduid als ‘cultuurgrondvrijstelling’, luidt als volgt:
“t. Onder bij algemene maatregel van feestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging: (…)
q. van ten behoeve van de landbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder begrepen de rechten van erfpacht of beklemming daarop. Onder cultuurgrond wordt mede begrepen de ondergrond van glasopstanden. De belasting die door toepassing van deze bepaling niet is geheven, is alsnog verschuldigd indien de exploitatie als zodanig niet gedurende ten minste tienjaren wordt voortgezet. De vorige volzin is niet van toepassing indien binnen de aldaar bedoelde termijn de cultuurgrond door overheidsbeleid aan de landbouw wordt onttrokken ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van natuur en landschap;”
Aangetekend moet worden dat de laatste volzin, die een beperking van de voortzettingseis inhoudt, aan de wettekst is toegevoegd bij Fiscale onderhoudswet 2007.7 De toevoeging heeft terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2007. Zie over de inhoud en achtergrond van deze aanvulling nader onderdeel D hierna.8
Uit de wettekst blijkt de vereenvoudigde opzet van de vrijstelling: het aantal nadere voorwaarden is sterk gereduceerd ten opzichte van de vóór 1 januari 2007 geldende wettekst. Deze simplificatie wordt in de praktijk9 en door de politiek10 als positief ervaren. De nieuwe, generieke vrijstelling is daardoor beter hanteerbaar en toepasbaar in de praktijk.
Uit de wettekst blijkt voorts dat verkrijging van cultuurgrond die gedurende tien jaren bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd ten behoeve van de landbouw, vrijgesteld is. In de onderdelen 3 en 4 zullen achtereenvolgens de tienjaarseis en de voorwaarde inzake bedrijfsmatige-exploitatie nader worden besproken. Ten aanzien van de bedrijfsmatige exploitatie zij reeds in dit stadium opgemerkt dat binnen de contouren van de cultuurvrijstelling bedrijfsmatige exploitatie ook plaats kan vinden door een ander dan de verkrijger. Het uiteindelijk gebntik van de grond is derhalve bepalend.11 Aan de persoon van de verkrijger worden geen eisen gesteld.12 Dit is een belangrijke breuk met het verleden, alwaar, zoals in onderdeel C.l.e behandeld, sinds 1 januari 2001 gebruik door derden enkel recht gaf op de vrijstelling indien een beroep kon worden gedaan op begunstigend beleid. In het licht van de aldaar besproken uitspraak van de Hoge Raad van 13 juli 200713 waar geoordeeld werd dat de eis uit 6a lid 1 onderdeel b UBBR, inhoudende dat deze exploitatie door de verkrijger zélf diende plaats te vinden onverbindend was, is deze breuk met het verleden uiteraard goed verklaarbaar.
De in de vrijstelling gehanteerde (nieuwe) term ‘cultuurgrond’ dient op dezelfde wijze te worden uitgelegd als het tot 1 januari 2007 in het oude onderdeel q gehanteerde begrip ‘landerij’.14 De wijziging in terminologie is slechts ingegeven door een streven naar modernisering; inhoudelijke wijzigingen zijn niet beoogd.15 Ook rietvelden die duurzaam en bedrijfsmatig als zodanig worden geëxploiteerd, vallen onder dit begrip. Dit blijkt met zoveel woorden uit een brief van de Belastingdienst van 14 maart 2007.16 Blijkens de rechtspraak is ook weidegrond als cultuurgrond aan te merken.17 Voorts valt ook de ondergrond van glasopstanden onder de vrijstelling. Deze ondergrond behoeft niet zélf als kweek- of teeltmiddel te worden gebruikt, zoals eerder bij een deel van de oude vrijstellingen een voorwaarde was.18 Dit is een belangrijke verruiming voor de (moderne) glastuinbouw. Over het gedeelte van de waarde of tegenprestatie dat kan worden toegerekend aan de glasopstanden zelf dient overigens wel overdrachtsbelasting te worden voldaan.19
Gevolg van het voorgaande is dat, net als bij de oude vrijstelling het geval was, opstallen en hun ondergrond niet kunnen delen in de vrijstelling van onderdeel q. Voor een vrijgestelde verkrijging van dergelijke onroerende zaken zal derhalve, indien mogelijk, een toevlucht moeten worden genomen tot een andere relevante vrijstelling, zoals de vrijstelling van onderdeel b (zulks met uitzondering van de bedrijfswoning)20 of, in het kader van dit onderzoek uiteraard veel belangrijker, onderdeel 1.
Hof Den Haag oordeelde op 8 november 201321 echter anders: een stuk erf dat als verharde parkeerplaats in gebruik is en de ondergrond van een schuur/silo vallen volgens het Hof ook onder het begrip ‘cultuurgrond’ en derhalve binnen het bereik van artikel 15, lid 1, onderdeel q, WBR. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 1997, 22 alwaar onder meer werd geoordeeld dat voor de vrijstelling opstallen en hun ondergrond als één onroerende zaak dienden te worden beschouwd, lijkt mij deze uitspraak onjuist, maar het Hof leest in de wetsgeschiedenis bij de aanpassing van artikel 15, lid 1, onderdeel q, WBR23 dat er kennelijk anders kan worden geoordeeld. Het Hof oordeelt namelijk als volgt:
“Van belang acht het Hof dat, naar de wetgever in die passage betoogt, met de wijziging van de vrijstelling door de wetgever geen inhoudelijke verandering is beoogd, dat de cultuurgrond duurzaam en bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw wordt geëxploiteerd en dat de eis dat de grond bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw wordt geëxploiteerd er juist toe strekt de verkrijging voor privédoeleinden en de bedrijfsmatige verkrijging ten behoeve van niet-landbouwdoeleinden uit te sluiten van de vrijstelling. In dit geval staat war dar aangaat vast dat de elementen van de grond alle bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw in hier bedoelde zin worden geëxploiteerd en dat dus geen sprake is van een verkrijging voor privédoeleinden of voor andere dan landbouwdoeleinden."24
Mijns inziens berust de gevolgtrekking van het Hof op een onjuiste lezing van de wetsgeschiedenis, hoewel ik kan begrijpen dat het Hof door de woorden ‘verkrijging ten behoeve van niet-privêdoeleinden en de bedrijfsmatige verkrijging ten behoeve van niet-landbouwdoeleinden uit te sluiten (…)’ op het verkeerde been wordt gezet Wanneer teruggegaan wordt naar de herkomst en de inhoud van het begrip ‘landerij’, zoals hiervoor in onderdeel C.l.b beschreven, kan er voor een ruime interpretatie van dit begrip, zoals door het Hof voorgestaan, mijns inziens geen ruimte zijn. Ook de staatssecretaris van Financiën lijkt deze mening te zijn toegedaan, gezien het feit dat hij tegen de uitspraak cassatie heeft ingesteld.25
Tot slot zij, in relatie tot de landinrichting, opgemerkt dat door het vervallen van de oppervlakte- en bezitseis, de geografische ligging van de te verkrijgen cultuurgrond per 1 januari 2007 volkomen irrelevant is.26 Een boer uit Brabant kan derhalve vrij van overdrachtsbelasting cultuurgrond aankopen in Friesland, mits hij aan de voorwaarden uit het nieuwe onderdeel q voldoet. Opvallend is dat de eveneens per 1 januari 2007 ingevoerde ontkoppeling van de kavelruil op subsidiegebied juist heeft geleid tot een ‘provinciaal-territoriale benadering’, 27 die in schril contrast staat tot de ‘provinciaal-neutrale benadering’ die binnen de cultuurgrondvrijstelling geldt. De decentralisatie heeft in mijn opinie op dit terrein voor een achteruitgang gezorgd. Een insteek op nationaal niveau lijkt, vooral als men de (relatief) geringe omvang van ons land mede in ogenschouw neemt, meer te passen bij een agro-fiscale vrijstelling dan een gesegmenteerde en daardoor enigszins onoverzichtelijke invalshoek op provinciaal niveau.