Beschadigd vertrouwen
Einde inhoudsopgave
Beschadigd vertrouwen 2021/8.5.5.3:8.5.5.3 Terugblik: leefbaarheidsmaatregelen
Beschadigd vertrouwen 2021/8.5.5.3
8.5.5.3 Terugblik: leefbaarheidsmaatregelen
Documentgegevens:
G.M. Kuipers MSc, datum 01-09-2021
- Datum
01-09-2021
- Auteur
G.M. Kuipers MSc
- JCDI
JCDI:ADS480803:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit meerdere onderzoeken kwam naar voren dat de leefbaarheid in het aardbevingsgebied sinds de aardbeving bij Huizinge in 2012 was gedaald. De verminderde leefbaarheid leek het resultaat van een combinatie van factoren: naast aardbevingen hebben ook bevolkingskrimp, urbanisering en economische omstandigheden effect op de tevredenheid over de leefomgeving.
In het bestuursakkoord begin 2014 werd door NAM en overheid het initiatief genomen voor maatregelen rondom leefbaarheid en economie. Deze maatregelen waren relatief breed en vooral gericht op kleinschalige projecten binnen gemeenten en dorpen. NAM kende een eigen programma waarin bewonersinitiatieven, dorpshuizen en herbestemming van erfgoed werden ondersteund; de Dialoogtafel (en later NCG) werkte maatregelen uit gericht op gemeentelijke projecten, steunde bewonersinitiatieven rond leefbaarheid en lokale energietransitie, en werkte met Landschapsbeheer aan de natuur en het landschap; de Economic Board Groningen richtte zich via verscheidene subsidies en fondsen op versterking van de regionale economie. Hoewel de maatregelen kleinschalige successen boekten, werd in evaluatieonderzoek gesteld dat een meer integraal en langetermijnbeleid nodig zou zijn om de leefbaarheid en economie in de regio te verbeteren. In 2019 startte onder regie van regionale overheden en het Rijk het Nationaal Programma Groningen, dat een veel groter budget kent (€ 1,1 miljard ten opzichte van de ongeveer € 85 miljoen voor de programma’s van 2014-2018) en tien jaar zal duren. Hoewel de NPG nog te kort van kracht is om evaluatieresultaten te vermelden, komt het beeld bovendrijven dat in de voorbereidende fase binnen de regio onenigheid is over hoe, en vooral door wie, de gelden het beste kunnen worden besteed; door de keuze voor elf programmalijnen is bovendien de vraag of van de aanbevolen integrale aanpak sprake zal zijn.